Als ik uit mijn raam kijk, zie ik de ruïnes van de Sint-Baafsabdij, omringd door een veld vol paardenbloemen. Ze bloeien uitbundig, alsof het hen geen moeite kost. Er is iets onschuldigs en optimistisch aan. Sommige mensen noemen het onkruid. Ik noem het poëzie.
Zonnen zijn het, gele bundels hoop. Weldra worden het manen; zachte, zilveren zaadkoppen die zich laten meenemen door de wind. Dan kun je een wens doen. Maar nu nog niet.
Mijn wens? Dat ik mijn overgrootmoeder Anna nog eens kon horen vertellen. Het liefst over het vrouwtje dat door Machelen trok, met een mand onder haar arm, en een langgerekt ‘salade de pissenliiiiit!’ Ik heb het nooit gegeten, maar de smaak van soberheid valt zelden tegen: paardenbloemen, kruiden, gebakken spek, stukjes gekookte eieren en een béétje olie voor de smeuïgheid.
Dat vrouwtje is waarschijnlijk al honderd jaar dood. En Machelen? Ook dat bestaat niet meer zoals het was. De boerenhuisjes zijn verdwenen, hebben plaats geruimd voor prefabwoningen. De ‘buiten’ is voorstad geworden. Het perfecte decor voor een David Lynch-film. Een keurig gazon en een wit hek dat niet alleen de hond binnenhoudt, maar ook elk ongemak. De ziel lijkt verdampt, opgegaan in de lucht, als paardenboempluisjes.
Ik kijk opnieuw naar het veld aan de overkant. De paardenbloemen zijn nog niet klaar om te verdwijnen. Nog even geen wens. Nog even vol in bloei. Maar wanneer het zover is, dan blaas ik me een eind weg en zeg ik: laat alles weer wat ‘vroeger’ worden.