Bubbelgum

Ik weet niet wat ik de laatste dagen heb. Pijn is het eigenlijk niet, maar ik heb zoiets over mij, precies alsof men mij tussen het martelrad gevouwen heeft. Een uitgekauwde bubbelgum. Zeer aan de gewrichten, voor niets geen goesting hebben, en moe, moe dat ik ben!

‘Het zou toch geen griep zijn zeker?’ vroeg mijn moeder ongerust aan de telefoon. Maar omdat griep doorgaans niet veel met de gewrichten te maken heeft, was ze nogal snel gerustgesteld. Het is gewoon de winter, met al dat onbehaaglijk vocht en die kouwe nattigheid. Ja, een winterloomte, die zich in het kleinste vezeltje van het lijf lijkt te willen nestelen. Dat moet het zijn.

Die loomte belet het mij bovendien van te schrijven. Ik ben aan een nieuwe roman bezig, maar het wil precies niet vlotten. En ook de cursiefjes blijven uit. Het is te zeggen, gisterenavond was ik aan een stukje over sneeuw begonnen omdat men sneeuw had aangekondigd op het weerbericht. En dan wil je natuurlijk voorbereid zijn. Maar als de sneeuw al smelt nog voor je het laatste woord erover geschreven hebt, wat is het nut er dan eigenlijk nog van? Volgens mij heeft men de sneeuw voorgoed afgeschaft, maar houdt men ons gewoon graag nog één hoopvolle illusie voor.

Deze middag heb ik dus maar een beetje onbestemd op de sofa liggen lummelen. Tot men op de radio nog eens ‘Dies irae, dies illa’ speelde; dat stuk van Mozart, waarvan ik me altijd afvraag wie ernaar kan luisteren zonder stiekem iets in zichzelf of daarbuiten te willen vernielen. Zo’n heerlijk pathetisch stuk dat het zelfmedelijden nog wat meer aanwakkert. Precies wat ik nodig had vandaag. Enfin, straks ga ik naar de dokter. Hopelijk heeft die iets in huis om mij wat nieuwe levenslust in te blazen, want de multivitaminen zijn ook niet meer wat ze ooit waren. Net zoals die sneeuw!

Relatief

‘Geluk is de afwezigheid van ongeluk’, zei iemand onlangs op café. Zij die errond zaten knikten ernstig en namen een slok bier die plots nog beter leek te smaken dan de vorige. Het klinkt misschien niet zo bijzonder, maar optimisme hoeft niet per se origineel te zijn. Ik zou zelf ook geen betere anticrisiszin kunnen bedenken. ‘Geluk is de afwezigheid van ongeluk.’ Geef toe, dat zou toch gemakkelijk iets van een oude Griek kunnen zijn? Of van een nog veel oudere Chinees. Maar het kwam gewoon van iemand die Bèr heette. Enfin, zo zag hij er toch uit.

Dat zinnetje komt een stukjesschrijver natuurlijk mooi van pas aan het begin van het nieuwe jaar. Want als de ministers, en zelfs de koning, niks opbeurend weten te bedenken voor 2023 moet jij het doen. Maar dan mogen er ondertussen natuurlijk geen ongelukken gebeuren, of dat hele stukje is om zeep.

En wat raadt ge: er werden mij deze week al maar liefst zeven ongelukken toegestuurd. Prior dan nog wel. Drie overlijdensberichten, drie monsterfacturen en een aanmaning.

Nu, dat mooie zinnetje heeft nog altijd zijn waarde, want een mens kan in vergelijking met die doodsbrieven natuurlijk niet gelukkiger zijn met zijn facturen. ‘Och, als het dát maar is’, denkt ge terwijl ge uw eindejaarspremie integraal naar Engie versluist. Ik laat er een spreuktegel van maken… Iemand interesse?

Kalenderwinters II

Zo’n kou die aan de ribben blijft plakken, dat heb ik graag. Ik schreef al eens over mijn kalenderwinters in Machelen-aan-de-Leie, maar de stad hoeft er eigenlijk niet voor onder te doen. Wie de kerstmarkt vermijdt, en in de plaats daarvan een wandeling maakt langs de verlaten grachten, de uitgeluchte bomen en de in zichzelf gekeerde straatjes, zal moeten toegeven dat de stedelijke winter even mooi kan zijn als die op het platteland. Maar let op, ook hier moet je er op gekleed zijn.

Vorige week kocht ik een nieuwe muts, die volgens de verkoopster minstens drie soorten wol bevatte die gemaakt was van minstens evenveel beesten, waaronder Mongoolse jak en Chinese Kasjmirgeit. Je hebt zo van die boetiekjes waar ze je buiten de kleren ook een heel mooie uitleg verkopen…

Hoe dan ook, onder de wollige warmte van mijn nieuwe muts trok ik de stad in om het beste uit die korte, donkere middag te halen. De daken onder de rijp, ijsbloemen op de autoruiten, eksters op de begijnhofmuren en een laatste peer die zich krampachtig aan de tak van zijn boom vasthield voordat hij door diezelfde eksters werd opgegeten; allemaal dingen die mij de slotfacturen en alle andere besognes der mensheid weer even deden vergeten. Dingen waar Guido Gezelle vast jaloers op zou geweest zijn. De kunst van het kijken ben ik ondanks de kou en de donkerte nog steeds niet verleerd. En had ik er zelf een goed gedicht over kunnen schrijven, dan had ik dat vast gedaan, maar het is natuurlijk weer zo’n ouderwets stukje proza geworden… Wat anders?

Schilderij: ’Effet de neige’ – Gustave Caillebotte

Buiten

Als ik buiten in de wereld ben, waar het verdriet niet zo erg opvalt, waar reclame wordt gemaakt voor dure slagroomtaarten, voor prei, savooi en boerenworst, en telefoonabonnementen, waar zorgeloze koeien staan te grazen in de ochtendmist, waar mensen staan te kijken voor verlichte etalages, koffies drinken op terras, alsof er nooit wat aan de hand was, als ik de schemer van de avond zie, die de gordijnen van de steden sluit, de pendelaars in auto’s, die met een bonus weer naar huis toe gaan, naar de televisie, naar het zeven-uur-journaal, naar een up-to-date verslag, van duizend verse rampen, met duizend verse doden, die een vader en een moeder hebben, die op hun beurt duizend doden sterven, dan rest mij slechts te zwijgen, om God te laten spreken, maar dan nog zegt hij niks…

(Foto: Dirk Roose)

Après nous le déluge

De vrouw van de toekomst, meer bepaald van het jaar 3000, is een gedrocht met een bochel, een klauwhand, een derde ooglid en een blutshoofd met een bedroevend kleine schedelpan. En dat alles ten gevolge van een overmatige blootstelling aan technologie, en levens die zich generaties lang in bureaustoelen hebben afgespeeld in plaats van in de goeie, ouderwetse buitenlucht. Gedragsfuturologen hebben er geen goed oog in…

Ik voel het al wat trekken tussen de schouders en klap de laptop dicht. Tijd voor een wandeling.

Met een beetje moeite vind ik een lap groen die zich tegenwoordig al een bos mag noemen. Maar je hoort me niet klagen; er staan mooie paddenstoelen (duidelijk bewoond) en enkele bomen die hard hun best doen om hun bladeren te verliezen. Nog een goede maand en het is nieuwjaar… Vroeger duurden de jaren nog twaalf volle maanden, tegenwoordig -zo lijkt het wel- slechts een paar weken. Haast de moeite niet om eraan te beginnen. En gelijk dat het lente is, zit er in de vogel(kijk)hut een koppeltje te vrijen; vlinders in de buik die tot tegen hun zwevende ribben fladderen, de liefde al behoorlijk buiten adem gezoend. Ondertussen worden er selfies gemaakt. “Hoed u voor de klauwhand!” placht ik nog te roepen, maar ik zwijg. Foert, après nous le déluge.

Naast de hut staan Maartse viooltjes en onder de plompeblaren hoor ik kikkers kwaken. De zon schijnt week maar warm. Ik ga op een bankje zitten en droom over versleten novembers onder een deken van Mongoolse yakwol, sintels van de haard, een paar Schotse pantoffels aan de voeten en een dik boek in de taal van het romantisch verdriet. De geur van de oven en een quatre quart met échte boter… Dàt is november. Ik, vrouw van de toekomst? Ho-ho! Vergeet het maar!

(Getty images, Zuperia)

Samhain

Op 31 oktober heb ik altijd een beetje hetzelfde gevoel als op oudejaarsavond, namelijk dat er krampachtig iets gevierd moet worden en ik daarvoor niet in de stemming ben. Hoewel Samhain ‘vergadering’ betekent, houd ik het rustig. Solitude in pyjama, en een film met Vincent Price. Dat is meer dan goed genoeg. Af en toe een luie blik naar buiten… De wind waait woest en ongedurig; alsof de gehoornde god en zijn gevolg van heksen door het luchtruim stormt. En ik bedenk me dat de sluier tussen de wereld van de levenden en de wereld van de doden nu het dunst is, dat er ergens in een Welsh bos stenen in het vuur worden geworpen, dat de god Lugh straks aankomt in het dodenrijk, dat er in Ierland elfenheuvels worden gebouwd, dat er sabbats worden gehouden met naakte vrouwen die dansen onder de maan, en priesteressen die zeggen dat alles begint vanuit de duisternis.
Straks is het 1 november en zal ik de bladeren van mijn dierbaren vegen, zal ik mastellen eten die ik zelf heb gewijd en een kaarsje branden bij een foto van de mensen die ik graag had willen bellen, indien dat nog eens kon. Maar de sluier is vandaag het dunst, dus voor alle geval fluister ik toch maar al iets liefs naar de overkant: ik mis u. Verdomme toch, wat mis ik u…

De rerum natura

In het stof van onze dagen

Schrijven wij geschiedenis;

De namen van geliefden

De namen van demonen

Van zij waarvoor wij leefden

Of waar wij aan gestorven zijn

Scherven in het zwarte zand

Grijs verkleurd of roest-omrand

Wondermooi en imperfect

En toch perfect vervallen

Nu zo Nobel door de tijd

Dat wij helend willen strelen

Met een vinger of een hand

Over dat wat werd gebroken

Zodat het kostbaar wordt

Zodat we het als mythen

Als sagen en orakels

Als oude tarotkaarten

Als lange levenslijnen

Kunnen lezen in het stof

Het stof van onze dagen

Dat het licht altijd verstrooit

Maar schittert in ons spectrum

In al wat wij niet zagen

Schilderij: Dust Motes – Vilhelm Hammershøi

Gabriele Vintage

Ik was een arm studentje, zonder smaak of stijl, dat op dinsdag – als ze vrij had – vaak de trein naar Brussel nam, om in de plooien van de stad op zoek te gaan naar eigenheid.

Vintage zat toen in de lift, en ook ik wilde niet achterblijven. Goedkoop, origineel, en voorwacht van de duurzaamheid; alles wat een meid verlangde, die op zoek was naar zichzelf. Ik herinner mij het eerste stuk: een grijze jaren 50 jurk. “Plissé soleil,” zei Gabriele, “iets wat niet te vertalen valt…” En naargelang de jaren, groeide mijn collectie.

Aan de hangers hing een hele eeuw in tassen, jassen, dassen, en eigenwijze cocktailjurken, trenchcoats, hoeden, diadeems, balmorals en klakkebussen; alles waar je ooit van droomde, Gabriele had het wel. Ieder stuk een parel, in de voering steeds verhaal. Alsof je in de huid kroop, in het tweedehandse leven, van een mens die lang gestorven was… Van een klein en mager vrouwtje, dat goed stond met turkoois; een dametje van stand, dat oog had voor een blindzoomsteek, en paarlemoeren knopen.

De deur ging krakend open, en dan klingelde de bel. Net zoals dat vroeger ging, in de tijd van goede smaak en manieren van gelijke snit. Een rijzige gestalte, in een bloes van crêpe georgette, verscheen dan in een hoek. Getoupeerde grijze haren. “Ah! C’est vous, je suis contente.” Gevolgd door een galante knik. Afhankelijk van haar gemoed sprak ze Nederlands of Frans, maar altijd mit ein Deutsch accent. De goedgeklede tante, waar je verder niets van wist. En dan stond ze streng te kijken naar de jurken die je koos. Een adoptieprocedure…

Na twintig jaar valt nu het doek over iets dat deel van mij was. Gabriele sluit voorgoed de deuren van haar winkeltje… Ook Brussel wordt herinnering, net zoals mijn eigen stad, die kraakt onder de tijd, en voortdurende verandering.

Genetische manipulatie

De zondagse middagtijd. Je kijkt er de hele week naar uit, maar uiteindelijk verveel je je steendood. Zeker tussen twaalf en twee, wanneer de vreedzame bedrijvigheid van de weekdagen uitblijft en er geen kat over straat loopt. Er hangt wat droefheid in de lucht, maar niet het soort kunstzinnige droefheid waar je iets moois van zou kunnen maken. De software van het hart lijkt erop geprogrammeerd te zijn je een tikkeltje weemoedig en lusteloos te stemmen… En ik denk weer aan mij grootmoeder.

Als zij zich verveelde, schilde ze altijd een appel. Een loffelijke gewoonte die ik sinds kort heb overgenomen. Ik neem het grootste exemplaar uit de fruitschaal en gooi ‘m een keer in de lucht. Hij landt in mijn palm met de sticker naar boven. Daarop staat een code die je vertelt of de appel biologisch is of niet. De mijne begint met een 8… Hmmm, genetisch gemanipuleerd. Het klinkt een beetje pejoratief, maar we moeten ook niet overdrijven. Het is een mooie appel; bol en rood en mat. De schil lijkt geaquarelleerd, met groene en rode vlekken die waterig in elkaar overlopen. Het is een appel die zo op een Hollands stilleven hebben kunnen staan. Een kunstwerkje van de natuur waar de Romeinen zelfs een godin voor hadden: Pomona, vandaar het woordje ‘pomme’. Nutteloze weetjes verzamelen; het is een voorbode van tevreden ouder worden. Je verbreedt je interesses en maakt ze onpersoonlijker, tot je ego volledig opgaat in het universele leven. De zen-boeddhisten hebben er vast een woord voor. Filosofie op zondag, en dat dankzij een appel.

Ik zoek nog eens op wat genetische manipulatie betekent: “het toevoegen van positieve eigenschappen van het ene organisme aan het andere.” Het klinkt herkenbaar als ik aan mijn grootmoeder en haar appels denk. De kunst van het opmerken? Ik ben er in ieder geval niet mee geboren…

Geen Vita Sackville-West

Het leven wordt duurder, mijn verwachtingen erover steeds goedkoper… Ooit las ik een boek over schrijfster-tuinierster Vita Sackville-West, dat mij lange tijd deed dromen over een oud landhuis met een Engelse tuin vol romantische overdaad; met bloemen, kruiden, hagen en monumentale bomen waarover ik landerige gedichten had kunnen schrijven, met muren vol klimop en verroeste sleutelgaten om door te loeren… Een ‘secret garden’ als het ware.

Een tijd geleden verhuisde ik echter naar een klein appartement in de stad, waar ik – gezien de crisis – nog enige jaren plan te blijven. Dat landhuis en die tuin komen er dus niet. Nooit niet. En bij nader inzien is dat misschien maar goed ook.

Ouder worden gaat gepaard met een ontnuchterend realisme dat een beetje orde op zaken stelt: op een uur is alles hier gepoetst, kosten zijn voor de eigenaar en de elektriciteit wordt nog geteld door een ouderwetse nachtmeter. En die tuin? Dat is twee maanden poëzie en tien maanden modder. In België toch… En in Engeland al zeker. Mevrouw Sackville mag de ellende houden. Plus al die vieze beesten waar ze in dat boek uiteraard geen melding van heeft gemaakt; pissebedden, spinnen, kevers, pieren en ander gekruipsel zonder voor- of achterkant… èèèkes.

Een tuin heeft nooit veel goeds voorspeld. Dat wisten ze in het Oude Testament al. Kijk maar naar Eva in haar paradijs. Die heeft het zich achteraf ook lelijk beklaagd. Maar o-oh, zei men, ge zult er nog spijt van krijgen. Want een mens heeft groen rond zich nodig. En ruimte! Maar ik heb nergens spijt van. Het is hier groen genoeg en best gezellig leven op ‘mijn’ vijfenvijftig vierkante meter. En wat mij betreft zijn boeken net zo mooi als bloemen. Nog een voordeel: ze verwelken en ze stinken niet. Ach ja, er zullen altijd meer mensen te vinden zijn die beter weten wat we nodig hebben dan wijzelf…

Bovendien zit ik nu ín de kruinen, in plaats van eronder. Geen onderhoud, geen gedoe. Integendeel. Terwijl ik dit cursiefje neerschrijf, monkel ik genoegzaam om alle ellende waar ik ternauwernood ben aan ontsnapt. Beneden hopen de rotte bladeren zich op, maar ik hoef geen poot uit te steken. Dat noem ik nu eens energiezuinig leven… Wie zei nu ook alweer: ‘il faut cultiver notre jardin’?