Relatief…

‘Weet ge wat het voordeel van dít virus is? Dat ge er geen pillen voor moet pakken die ge niet met alcool moogt combineren.’Ik herkende hem aan zijn stem. Het was mijn oude buurman; een gepensioneerde schrijnwerker met wat zagemeel in de keel, bij wie ik als baby nog met blote billen op de canapé had gelegen. Maar hij herkende mij niet, zelfs niet aan mijn billen. De mannen aan de toog lachten even, dronken eens van hun glas, verzetten dan een voet of een steunbeen, en kruisten de armen eens andersom.Buiten regende het een miezerige, mistroostige regen. Zo van ik wil wel maar ik kan niet. En allemaal dachten zij hetzelfde: België is een schoon land, alleen spijtig dat ge het niet kunt overdekken. ‘Motregen…’ zei mijn buurman alsof het woord naar stront met zeepsop smaakte. ‘Het maakt er alles toch niet vrolijker op. Wij dachten dat het ging stoppen bij het ozongat van de spuitbussen, maar ik denk dat we het laatste nog niet hebben gezien.’Hij nam de krant op het tafeltje naast hem en begon erin te bladeren om er een aardige collectie moderne rampen uit te cureren: de pandemie, oorlogen, bomaanslagen, mutaties, isolatiekampen, het verdwijnen van bakkers, slagers en diersoorten, het smelten van de ijskappen en het stijgen van de zeespiegel. ‘Allé, het valt nog mee vandaag,’ zei hij. ‘De verkeersongevallen hebben ze voor het weekend gehouden. De anderen bewonderden mijn buurman zijn relativeringstalent. Het was fijn dat er nog mensen waren die positief durfden denken en daar nog argumenten voor vonden ook…

Nutswerken

De stad voert nutswerken uit. Een donkere put met een donkere man erin. Hij steekt de spade met bruut geweld in de grond alsof hij zijn eigen graf aan het delven is. Het vuil kruipt overal, zelfs onder zijn vel. Vanuit de schaduw blikt hij op naar de weke herfstzon. De goede daden aan het westelijk front zijn in zijn gezicht ontploft. Tussen zijn rimpels hangt desillusie en vermoeidheid. Toch, in zijn fluitconcert is nog wat moed te horen. Het is ironisch: doe hem een pak aan en hij lijkt een beetje op Sean Connery, maar in die fluogele werkkiel is hij niemand. Het veld van eer is verworden tot een stinkend moddergat. Maar de afdaling is essentieel. De hypotheek loopt, zijn kinderen willen studeren en zijn vrouw heeft nieuwe knieën nodig.De waardigheid van de arbeid… Er valt iets voor te zeggen. Ze zal niet weerkeren op de nobele manier zoals ze ooit aan ons werd gepresenteerd door moedige idealisten. Wie vandaag nog met spierkracht werkt, tot hij oud en grijs en krom is, is geen held meer maar een sukkelaar. Zo goedkoop dat zelfs machines zijn arbeid niet voor minder geld kunnen verrichten. Maar het lot heeft gesproken: er bestaat geen alternatief.Langs zijn kalende kruin passeert nu een glunder meisje met een stel mooie benen. ‘Men are toxic-’, zegt haar trui. Ze kijkt laatdunkend in de put, vermijdt de modder en steekt de straat over. Onze man fluit deze mooie benen wijselijk niet na, maar buigt zich nederig in het zwarte gat en spit naarstig verder, de knieën van zijn vrouw indachtig…

In Oostende

De trein vaart langs de vroege herfst

Polders, duinen, korenvelden…

In de verte piekt zo nu en dan

een hijskraan of een kerkje

In het station een va-et-vient

van begerige bezoekers

Sint Paulus beiert lustig en

de meeuwen hebben honger

Een haring op de Visserskaai

Genieten van de lelijkheid

van de zeedijk, bonte stoet,

dat bedlam vol stompzinnigheid

De dagtoerist is koning,

al de rest gefopt.

Wie meer wil, moet de stad in

En bezoekt misschien het Manuscript

of jazzbar Lafayette

met haar bohemiens en dronkaards,

schooiers, schippers, kunstenaars

De schim van Marvin Gaye

Een meisje met een wipneus

Een vrouw met blauwe sjaal

Daar hoog wolkt wat weemoedigheid

zoals de laatste reis

van een moe gevaren oorlogsschip

Nog gauw een korte wandeling

langs die ouwe gaanderijen

waar de zee altijd verschijnt

als een marine van pastel

De koetsen zijn verdwenen

Ook geen grote hoeden meer

Slechts wansmaak en satire

in de schemer van een rode zon

Tiktok, hiphop, baseballpetjes

en elektro-sigaretten

Een windstoot en een duizeling…

De nacht valt in de haven

De laatste boot vaart uit

naar het grijze Fort Napoleon

De carrousel draait nog een rondje

voor de paardjes weer gaan slapen

De maskers worden afgezet

en Oostende ruist weer rustig voort

zoals de Noordzee haar heeft voorgeleefd

Le coquelicot

Ik maak de deur van mijn winkeltje open en veeg wat melaatse bladeren bij elkaar. De bomen houden weer uitverkoop. In de lucht wat kleverige wolkensluiers. Herfst… het klinkt een beetje Oostblok-achtig, maar komt van het Germaanse woord ‘harbista’, harvest, oogsttijd dus. Ik oogst wat peuken en plastiek, die enkele minuten later worden weggeblazen door een poëtische windvlaag.

In de straat dampt al wat weemoed, en leunend op mijn keerborstel luister ik naar de klagerige klanken van de lome ochtend. Puffende vrachtwagens, rammelende laadkleppen met europaletten. Straks is het aan mij. Ach, kon ik maar geld verdienen met dagdromen. Want alleen daarin heb ik carrière gemaakt. Met wel dertig jaar anciënniteit…

Ik veeg nog een streep hondenpoep van de stoep terwijl ik droom over een weekendje Parijs. Een klein hotel met een smeedijzeren balkon in de Rue des Martyrs, met een schrijftafel voor een raam dat uitkijkt over een paar jonge eiken en een draaiende paardencarrousel. Erik Satie. Zijden onderbroeken. Alle dagen uiensoep, met lange rekkers gesmolten kaas. Een glas Byrrh in de guinguettes. Het Parc Turlure. Een boek van Colette…Een veegwagen komt voorbij en schuurt mijn dromen weg. De eerste klant staat al voor de deur. “Je lijkt wat op dat meisje van van Dongen, zo met dat rode mutsje op. Een beetje Parisienne.” Zo’n beetje, ja. Dat heeft ze goed gezien.

Abyss

De lippen van het water

vroegen meermaals om een kus

En de lucht om een omhelzing

Het balkon, de abyss

En je sprong

Om het water te kussen

Om de lucht te omhelzen

Om een allerlaatste keer

te verdwijnen in de tuin waarin

jouw wilde bloemen groeien

Hoe zalig moest het zijn

om alle pijn ineens te voelen

– en dan nooit meer

En je sprong

Zo vaak

Veel dieper dan de dood

Veel verder dan het leven, ja

Je sprong in iets dat vredig was

Waar kwade stemmen zwegen

Geen water meer, geen lucht

Alleen nog maar die leegte

om te vullen met iets Nieuws

Boekenliefde

Je draait de bladzijden om en wordt beneveld door een zaligmakend gevoel. Ja, dit boek heeft je ‘te pakken’! Hoewel de auteur misschien al eeuwen dood is, heb je het gevoel dat dit werk speciaal voor jou geschreven werd. Alsof de schrijver de sleutels naar de geheime kamers van je ziel had, waar hij inspiratie kon opdoen voor zijn verhaal. Een verhaal met andere namen natuurlijk, maar zo ‘spot on’ geschreven dat het akelig herkenbaar wordt. We zouden zelfs kunnen stellen dat de auteur van dat boek ons beter lijkt te begrijpen dan de mensen in onze naaste omgeving. Want zelfs al gaat het ‘goed’ met ons, onder de oppervlakte van wat de anderen zien, zit er vaak een permafrost van eenzaamheid. En dat ene boek weet die eenzaamheid op de een of andere manier aan te voelen en zelfs te ontdooien.

Dat boek kan een bestseller zijn, maar evengoed een verstofte ontdekking die je vond op een lokale rommelmarkt. Hoe dan ook, een goed boek is een spiegel. Onze lievelingsboeken wijzen heel nauwkeurig de dingen aan die in ons dagelijks leven ontbreken of door anderen genegeerd worden. Het lijkt alsof deze boeken de essentie van onze natuur kennen; een essentie die door anderen miskend of mis begrepen wordt. Wat door onze omgeving als een zwakte wordt gezien, wordt door dat ene boek plots omgevormd tot een sterkte. Een sukkel wordt een held, een maatschappelijke mislukking wordt een persoonlijk succes.

Boeken transformeren ons schijnbaar falen in een ware overwinning. Onze sympathie gaat dan ook uit naar de verhalen die de dingen behandelen waarvan wij zelf vinden dat ze in het echte leven te veel in de schaduw blijven staan. Veelal gaat het om onze donkerste karaktereigenschappen, die plots met liefde, tederheid en begrip worden benaderd. Het boek zegt zachtjes: ik weet het, en is daarom de ideale vriend. Een stille aanwezige die al het grote en kleine lijden in ons aanvaardt, en onze meest vreemde eigenschappen een zeker bestaansrecht toebedeelt. Deze relatie van papier en inkt is misschien wel een van diepste liefdes die we in ons leven kunnen ervaren: onvoorwaardelijk en oneindig groot…

Persephone

Een gele kwikstaart schiet voorbij

Een vlinder wiekt de zomer uit

Het eerste blad valt van de eik

De buurman blikt nors door de ruit

Niks fraais te zien, de regen plengt

de leeggelopen Scheldekaaien

In de lucht hangt al wat vroege herfst

en cirkelt een moord boze kraaien

Ach, sterven klinkt toch zoveel mooier

met rommelende donderslagen

Het stormen heeft iets primordiaals

De natuur stelt zich geen levensvragen

Het huurcontract werd opgezegd

De oogstmaand valt onder de zeis

En vele tinten treurnis kleuren

de stad: mijn hel, mijn paradijs

Tijdreisje

Het weer: geheel gesteld om te lijden, zoals men dat vroeger zei. En iedereen is op vakantie. Het betere achterblijfgevoel… Gelukkig zijn er nog van die ouderwetse brasseries die ons eraan herinneren dat het hier ook goed kan zijn. Van die tearooms met bruine lambriseringen, een beslagen spiegel erboven en een krant tussen een houten klem. Ik ga bij het raam zitten, aan zo’n typisch patiencetafeltje voor eenzame zielen, en bestel een wafel met krieken en een koffie Grand Marnier. Ik krijg er een in mooie laagjes, geserveerd in een glas op een voetje, met een grote stront slagroom en chocoladeschilfers erop. Dat is nu eens wat ik troost noem.Ik wil net mijn volgende cursiefje beginnen dromen wanneer er een stokoud vrouwtje komt binnengewaaid. Een mager, verrimpeld vrouwtje van niet meer dan een meter vijftig, met een loden jas en een paar Izegemse schoenen in maat 35. Het beeld van haar transparante regenkapje met witte bolletjes, en daaronder een grijze permanent, stemt me een tikkeltje weemoedig. Alsof het lot het wil, komt ze aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelt niet meer dan een glas plat water. ‘Gepensioneerden moeten op hun geld letten,’ zegt ze tegen de dienster. Dan wendt ze zich tot mij: ‘ik heb vandaag een vogel begraven die tegen de keukenruit was gevlogen.’ Ik antwoord met een smartelijke ‘oei’. ‘Ach, nee! Ik ben blij dat er vandaag eens iets gebeurt. Dan hebt ge nog eens iets te vertellen tegen de mensen.’ Haar man was recentelijk overleden. Ze gingen ieder jaar omstreeks deze periode naar Spa. Haar oude vingers glijden eens liefdevol langs het flesje water. En ze lacht. Want daar staat ze dan, bij de ingang van het Grand Hotel Des Bains…

Dryade

De straatlantaarn belicht een beetje spookachtig de kruinen van de platanen voor mijn raam. Ik zit op de bank en mijn neus piept boven een notaboekje uit. Waarover zal ik deze keer weer schrijven? Het regent. Waait. Zachte donderslagen. Buiten tekent het eeuwenoude schouwspel van ritselende bladeren en traag buigende takken zich af tegen het schijnsel van de stedelijke nacht. Het tafereel zit al lang in de mens, maar wekt nog steeds verwondering in me op. De kunst van het kijken; zo gemakkelijk afgeleerd, maar misschien wel mijn nobelste arbeid.

Ik heb ontzag voor de bomen, en poog er net zoals de grote schrijvers iets over te vertellen. Met een gestrekte mondhoek streel ik het lege blad papier dat, ironisch genoeg, ooit aan een boom toebehoorde. Ik probeer een gedicht: “Bomen; stille rebellen van de moderne tijd, non-conformisten in een wereld vol haast, angst, geweld, vertoon en beton.” Stop. Ik kijk weer naar buiten: de knoestige wortels van de platanen duwen nukkig de straatstenen omhoog en bewijzen daarmee dat de natuur niet op toestemming zit te wachten om geleefd te worden. Schoon.

De boom kent alleen de tegenwoordigheid. In tegenstelling tot wij mensen, die altijd onderweg zijn naar later, beter en meer. Wij kennen alleen de maakbaarheid, en hebben daarom zorgen. Een boom is misschien wel de beste metafoor voor de berusting: hij heeft er vertrouwen in dat hij zal groeien naar zijn voorbestemde vorm, en probeert zichzelf niet krampachtig te manifesteren in een gedicht. Ik zak onderuit, en dank de goede platanen voor hun eenvoudige wijsheid. Ik leg het notaboekje neer en sluit mijn ogen om naar de middernachtelijke stilte te luisteren. De dryade in mij is gelukkig…

Wabi sabi

De westerse wereld is geobsedeerd door symmetrie en ideale proporties. Dit schoonheidsideaal is gebaseerd op een hang naar perfectie en eeuwigheid. Japanse esthetiek, daarentegen, is gebaseerd op iets waar we in het westen zelfs geen woord voor hebben: wabi sabi; een concept dat refereert aan de schoonheid van het eindige, het imperfecte, het verweerde en de melancholie. Het draait dus niet rond het nieuwe, het jonge en het vlekkeloze, maar om een diep respect voor alles wat vergankelijk, fragiel, gebroken en bescheiden is.

Wabi sabi gelooft dat de dingen altijd mooier zijn als ze getuigen van een zeker verval en een uitgesproken individualiteit. Het principe komt rechtstreeks uit het boeddhisme, waarin wordt gezegd dat een mens zichzelf pas volledig kan kennen als hij de barsten in zijn ziel omarmt. In de 12de eeuw probeerden zenboeddhisten te mediteren volgens de imperfecte patronen van de natuur, en vonden zij de ultieme verheffing van de geest in de leegte en de eenvoud. Wabi betekent eigenlijk ‘de bitterzoete melancholie van het alleen-zijn (in de natuur)’, Sabi ‘het nobel worden doorheen de tijd’. Een barst, een deuk of verkleuring in een object door ouderdom is dus sabi. Hetzelfde principe geldt voor de vormen en constituties waarin de dingen aan ons verschijnen. Wabi sabi is dus niet die perfect ronde cirkel van de volle maan, maar de grillige schaduwzijde van een door wolken omsluierde halvemaan.

Ik denk dat we hier in het Westen, met onze bezetenheid voor alles wat blinkt en klinkt, veel kunnen leren van deze waardevolle filosofie. Want worden we vroeg of laat niet allemaal geconfronteerd met de vergankelijkheid, de eenzaamheid en de melancholie? Is het dus niet beter om schoonheid en charme te vinden in de rimpels van een oude vriend dan een duur maar zielloos object? Wabi sabi is een doordenkertje; maar eentje waar je vandaag nog mee kan beginnen. Ik laat me er deze zomer alvast door inspireren. Want ook het woord kan wabi sabi zijn…