In de Kringloopwinkel trekt een portret in houtskool en sepia-inkt, getiteld ‘studie van Faustine’, mijn aandacht. Er gaat iets weemoedigs en nostalgisch van uit. Iets van ‘nooit meer’… Het is dezelfde sfeer die rond een leeg parfumflesje hangt, of rond een gedroogde roos. Ooit stralend, fris-geurend, onderdeel van een kamer vol levendige emoties. Ik kan de naam van de kunstenaar niet lezen. André-en-nog-iets.
Was dit een Faustine, of zíjn Faustine? Waar werd dit portret gemaakt? Hoe laat was het toen? Hoe stond het licht? Ik denk aan de film ‘Faustine et le Bel Eté’; aan een boerenhuis in de Provence. Een zolderkamer, op slot. Een spiegel op een biedermeier tafeltje… Het gekras van een pen op papier… Een lome namiddag. Het uur waarop de zon keert.
Het portretje ligt achteloos tussen andere afgedankte kunstwerken; landschappen, stillevens, slecht geschilderde hondjes. Creaties die nooit bestemd waren voor het grote publiek. Maar Faustine is mooi. Té mooi om zomaar daar te liggen. Ik kijk langer; plots wordt het spookachtig, sentimenteel, beladen met herinneringen die de mijne niet zijn. Er rust een stille hunkering op het gezicht dat lijkt te zeggen ‘vergeet me niet’. Maar de sepia-inkt spreekt direct tot het verleden; het is de kleur van dingen die net gemaakt lijken om vergeten te worden. De kleur van oude kranten, vergeelde brieven, zongebleekte foto’s. Het meisje zit op een rieten stoel, tuurt naar buiten. Was het februari, zoals nu? Een door en door sepia-kleurige maand zonder grote sensaties, behalve dan het verlangen naar lange zomeravonden? Gesprekken in een bloementuin? De arm van André rond de hare? Het portret kost slechts een euro, maar ik laat het liggen. De droom krijg je gratis.