Jij de vlam, ik de mot.
In het kaarslicht
van een verboden nacht
verbrand ik vrijwillig
mijn vleugels.
Jouw vuur
heeft mij de vlucht
ontnomen.
En toch vlieg ik
verder dan ooit.
••••
Bitterzoete verzuchtingen en curieuze cursiefjes
Jij de vlam, ik de mot.
In het kaarslicht
van een verboden nacht
verbrand ik vrijwillig
mijn vleugels.
Jouw vuur
heeft mij de vlucht
ontnomen.
En toch vlieg ik
verder dan ooit.
••••
Mijn ouders zitten met muizen.
Ze komen steeds rond hetzelfde uur ‘uitgekropen’, bij valavond. En het ergste van al is: het zijn geen lelijke, enge, sinistere muizen, maar echte tekenfilmmuisjes; ‘piependollekes’, zoals men zegt; van die schattige, zwarte pluizenbolletjes, met hele kleine flapoortjes. Muizen uit de Beatrix Potter-boeken. Alleen het jasje ontbreekt. Die staart neem je er bijna met plezier bij.
Maar vader was meteen duidelijk: schattig of niet, de muizen moeten weg. Eerst heeft hij een week lang de beste internettruken uit de kast gehaald: kaas, pindakaas, choco, nootjes, noem het maar op. De muizen keken ernaar zoals toeristen naar een hotelbuffet: met interesse, maar zonder veel goesting om ervan te eten. Ze piepten, overlegden even, en liepen dan weer weg.
Daarna hebben ze nog een rits “oma-weet-raad”-methoden uitgetest: aluminiumfolie, pepermuntolie, cayennepeper, en -ja- zelfs de zeer oude Hollandse truc van lucifers in een tomaat te steken, en deze neer te leggen in de buurt van de muizenactiviteit. Ook slangendrollen zouden helpen, maar die hadden ze niet in huis.
Even is de rattenvanger van Hamelen ter sprake gekomen. Iemand die al fluitend orde op zaken zou stellen. Maar we wonen niet in Hamelen en de verdelgingsdienst bleek vooral goed in het opsommen van tarieven. ‘En er is eigenlijk nooit een honderd-procent-dood-garantie’, benadrukte de man. Dat woord ‘dood’ zinde mijn moeder niet. ‘Ze moeten alleen maar weg…’ antwoordde ze hoog-gevoelig.
Gisterenavond kreeg ik vader aan de telefoon. Fluisterend. De hand duidelijk voor de mond gehouden. ‘Het nest werd verwijderd,’ zei hij met de ernst van een oorlogsgeneraal. En daarmee wist ik genoeg.
Deze ochtend belde mijn moeder met de melding dat ze gisterenavond geen muizen heeft gezien en de tactiek van de Hollandse Matchkoppen-methode dan toch moet hebben gewerkt…
Wat dit huurappartement betreft, kan men zich met enig recht beklagen. Er is geen lift —wat vooral opvalt wanneer men hem nodig heeft. Er is vocht, er is zwarte schimmel, en er zijn plafonds die zo laag hangen dat zelfs de gedachte eraan de rug doet krommen. De kamers zijn klein, de muren schuin, en de vloer is betegeld met een witheid die elke poging tot gezelligheid bij voorbaat ontmoedigt. Daarbovenop komt het onophoudelijke pantoffelgeschuifel van de bovenburen, dat zich voortplant met een eigen wil.
En toch. Het uitzicht.
Dat is van een orde waarvoor geen huurcommissie woorden heeft. Aan weerszijden is er water. Aan de voorkant ligt de ‘coupure’, bewaakt door platanen die zo oud zijn dat men vermoedt dat zij hier stonden nog vóór men wist wat men ermee aan moest. Zij hebben de molens gezien, de nijverheid, het bloed van het slachthuis dat zich zonder schaamte in het water mengde. De zwarte inkt van drukkerij Het Volk die aan de overzijde in grote gutsen werd geloosd. Het zijn bomen die weten.
Ik heb altijd gevonden dat platanen de meest geschikte straatbomen zijn. Zij doen geen moeite om vriendelijk te zijn. Reuzen, met breed uitwaaierende kruinen, die schaduw geven zoals alleen iets ouds dat kan. In de zomer werpen zij koelte in de huizen, en tegen de avond — op het glinsteruur — projecteren zij een spel van water en takken op de muren, een schouwspel waarvoor men gerust even mag gaan zitten. Dan zet ik het raam open, neem een koffie, en luister naar ‘Ombra mai fu’ van Händel, dat precies deze schaduw bezingt, alsof de componist ooit hier is langsgefietst.
Vanuit dat raam zie ik ook de houtduiven. Zij hebben de platanen opnieuw toegeëigend, met de vanzelfsprekendheid die alleen duiven zich kunnen veroorloven. Alsof zij hier altijd al woonden en wij slechts logees zijn, die elk moment kunnen vertrekken.
Een houtduif bouwt geen nest; zij suggereert er een. Enkele takjes, schuin tegen elkaar, meer een impressie dan een constructie. Wie goed kijkt, ziet er dwars doorheen. Toch is het voor haar voldoende. Dàt is wonen met uitzicht, lijkt zij te zeggen, al blijft het een raadsel waar dat vertrouwen vandaan komt. Elk jaar ligt er nog vóór het uitvliegen een kuiken op de grond. De natuur heeft nu eenmaal geen opzichter.
Verder koeren zij met een ernst die niet in verhouding staat tot hun daden. Het klinkt als intens beraad, maar het resultaat is meestal nihil. Af en toe wordt er een takje verlegd, een ingreep van vermoedelijk groot moreel belang, waarna men zwijgend tevreden is.
Wat mij het meest treft, is hun onverstoorbaarheid. Auto’s razen voorbij, een buurman telefoneert luidruchtig over een glasvezelkabel die niet doet wat men ervan verwacht, en een koerier levert knorrend onze punjab tandoori af. Het leven dendert. De houtduiven zitten. Zij zitten zonder deelname. Doen alsof. Dat kunnen zij voortreffelijk. Het zijn de ambtenaren onder de vogels.
Misschien is dat hun geheim. Zij streven niet naar beter, noch naar perfectie. Zij nestelen zich waar het uitkomt en noemen het thuis, zonder klacht of verzoekschrift. En elke ochtend, wanneer ik het raam open, zitten zij er nog steeds, alsof zij mij willen zeggen: maak het u niet moeilijker dan nodig.
Naschrift. Plataan komt, zo lees ik, van het Griekse platus, wat “breed” betekent. Zo kwam ook Plato aan zijn naam, naar men zegt, wegens zijn brede voorhoofd. Men ziet: zelfs de etymologie werkt hier mee aan het uitzicht. En dat alles zit natuurlijk verrekend in de huurprijs, al wordt het nergens vermeld. Maar alles afwegend moet men toch besluiten: het valt hier eigenlijk best mee.
In de Kringloopwinkel trekt een portret in houtskool en sepia-inkt, getiteld ‘studie van Faustine’, mijn aandacht. Er gaat iets weemoedigs en nostalgisch van uit. Iets van ‘nooit meer’… Het is dezelfde sfeer die rond een leeg parfumflesje hangt, of rond een gedroogde roos. Ooit stralend, fris-geurend, onderdeel van een kamer vol levendige emoties. Ik kan de naam van de kunstenaar niet lezen. André-en-nog-iets.
Was dit een Faustine, of zíjn Faustine? Waar werd dit portret gemaakt? Hoe laat was het toen? Hoe stond het licht? Ik denk aan de film ‘Faustine et le Bel Eté’; aan een boerenhuis in de Provence. Een zolderkamer, op slot. Een spiegel op een biedermeier tafeltje… Het gekras van een pen op papier… Een lome namiddag. Het uur waarop de zon keert.
Het portretje ligt achteloos tussen andere afgedankte kunstwerken; landschappen, stillevens, slecht geschilderde hondjes. Creaties die nooit bestemd waren voor het grote publiek. Maar Faustine is mooi. Té mooi om zomaar daar te liggen. Ik kijk langer; plots wordt het spookachtig, sentimenteel, beladen met herinneringen die de mijne niet zijn. Er rust een stille hunkering op het gezicht dat lijkt te zeggen ‘vergeet me niet’. Maar de sepia-inkt spreekt direct tot het verleden; het is de kleur van dingen die net gemaakt lijken om vergeten te worden. De kleur van oude kranten, vergeelde brieven, zongebleekte foto’s. Het meisje zit op een rieten stoel, tuurt naar buiten. Was het februari, zoals nu? Een door en door sepia-kleurige maand zonder grote sensaties, behalve dan het verlangen naar lange zomeravonden? Gesprekken in een bloementuin? De arm van André rond de hare? Het portret kost slechts een euro, maar ik laat het liggen. De droom krijg je gratis.
Het moet ongeveer twintig jaar geleden zijn dat ze mij tijdens een wandeling door de Drongense Assels zei: ‘het leven is zoet zolang er schone dingen te benoemen vallen.’ En terwijl ze het zei, schraapte ze haar schoenen af en gaf ze mij een suikerklontje. Die uitspraak had ik ’s avonds op de achterkant van het suikerklontpapiertje neergeschreven en tussen een boek gestoken ‘om het voor de eeuwigheid te bewaren’. Alleen ben ik mettertijd vergeten tussen welk boek. Maar goed, de uitspraak is blijven plakken als de ultieme anti-crisiszin: het leven is zoet zolang er schone dingen te benoemen vallen.
En de mooie dingen, die zijn er.
Ook in 2026.
Tussen het gekwek van wereldleiders door slaat ‘as we speak’, ergens, in een eenvoudige huiskamer, een kind voor het eerst de noten van ‘clair de lune’ aan. Met wat geluk staat op die piano een mooie vaas met amarylissen, een kaars in een kandelaar, foto’s van een ouderwetse familie waarin geluk nog heel gewoon is.
Dat alles denk ik vanuit mijn comfortabele stoel, mijn voeten in een paar schotse pantoffels geschoven. De vloer is net gedweild met Carolin-zeep. Ik moet blijven zitten, of die pantoffels staan erin. Maar op zo’n momenten denkt een mens dus zijn mooiste dingen.
Voor mij, op het keukenaanrecht, een wulpse boerenkool. Penen en rapen in tekenfilmkleuren. Een mand vol ‘petetters’ (ik denk aan mijn Zeeuwse schoonmoeder) om straks puree van te maken.
De convector klikt gezellig. In mijn schoot ligt het beste van Cyriel Buysse (Monsieur Harmadour!). Afgeleid tuur ik naar buiten; naar de waterhoentjes, een mezenbol met een specht daarop. Hazelkatjes, die in het Engels ook ‘hazel catkins’ noemen. Een hoge winterzon, prêt-à-porter. Zelfgebreide wanten. Rode neuzen van de kou.
Straks nog eens een blokje om. Naar de vensterbanken kijken met vroege voorjaarsbloemen. Met bondieuserie, en slaperige huisdieren die op hun beurt dromen van korrels en knoken. Enfin, het komt erop neer dat alles en iedereen zo zijn eigen ‘schone dingen’ heeft: van Beethoven tot Tiense suikerklontjes, van petetters tot santenboetieks met tweedehandse wanten.
Het is -gewoon- een kwestie van smaak.
We hebben niets, behalve
een door en door prachtig moment.
My funny Valentine, zingt ze,
en je kijkt naar me terug,
alsof je al wist dat ik naar jou keek.
Liefde is verwarrend, ik weet het.
Een neurologische aandoening,
zonder remedie, behalve de overgave.
Ik kan er ook niets aan doen.
Buiten kriept de sneeuw
onder de laarzen van uitbundige wandelaars
met rode sjaals. Zwart-witte mutsen. Ik zie er drie.
Het klinkt cliché, maar ze is er, de volle maan.
Of nee, nét niet meer. Afnemend.
Een sneeuwman staat te wuiven. ‘Ik smelt!’
‘Wil je slowen op dit lied,’ vraag ik je met een knipoog.
Je schudt nee, zoals verwacht, en houdt je hoofd in je boek.
Hoe mooi had het geweest, te wiegen in dat licht
met sneeuw door het raam, The Wild Hunt in de lucht.
Smeltend in elkaar.
Ik hou van jou, my funny Valentine.
Ook al wil je niet dansen,
niet smelten,
niet zeggen dat je van mij houdt
zoals ik van jou: het is oké.
Ik bloos toch al.
De vaatwasser draait, klopt, stopt. De hartslag van een dood ding. Het geluid stemt je rustig. De cadans van gewoonte: er werd gegeten vandaag. Je kosten zijn wat hoger, de thermostaat staat lager. Je warmt je aan Paustovski, aan een koffie met kaneel. Kardemom is ook niet slecht. De blauwe reigers landen, vinken wippen naar hun nest. De koeten krassen nijdig door het wateroppervlak, dat breekt in brede rimpels. Het stuift in fijne vlokken. Je lacht: ‘poedersuikersneeuw’. Bij het wasrek brandt een kaars. Je natte sokken dansen, in dat flauw midwinterlicht. Flonkers op de keukenkast. De radio, je speelman. Seiko tikt de middag weg. En het sijpelt nu pas door: dit is geen nieuw begin, hoor. Janus is een valse god. Geef de kroon aan Koning Hulst. Een jaar kent dertien manen. Het jaar begint pas later. Later, als het lente is. Het is tegennatuurlijk, om te vechten tegen tijd. Alles voelt zwaar, maar normaal. Vrouw Holle schudt de kussens. Dus leg je neer, en slaap wat…
.
.
.
Schilderij: Sleeping woman – Félix Vallotton (1898)
Mijn nichtje, een knappe rechtsgeleerde, bevindt zich in Panama. Niet om er te werken — dat zou te voorspelbaar zijn — maar om er de liefde te vieren, en als er nog tijd overschiet ook het nieuwe jaar.
Van daaruit stuurt ze foto’s van exotische kustlijnen met dobberende vissersbootjes. Ik zoom in op de details: schuimend zeewater, een lazuren lucht en — geheel terloops — de fraaie billen van mijn nicht onder een fatsoenlijk wit shortje. Panama… Ik ken het eigenlijk alleen van het Kanaal, maar dat staat op geen enkele foto.
Het woord kanaal is op dit moment vooral van toepassing op mijn eigen uitzicht. Het raam is beslagen, zoals alleen ramen dat kunnen op winterse middagen die nergens heen willen. Buiten zweeft de zon nét boven de daken en doet een moedige poging om te bewijzen dat ze bestaat. Binnen staat de verwarming hoog, de verwachtingen laag. De thee is lauw geworden, wat passend voelt.
Tussen foto één en twee denk ik aan Winslow Homer, die ooit besloot dat vakantiebestemmingen vooral stemmingen zijn. Ik zoek ‘zijn’ Caraïben op: donkere mannen die tegen de zee in staren, water dat tegelijk uitnodigt en waarschuwt, vrouwen die loom voorbijslenteren, hun voeten wit van het zand. Palmen waarop de zwaartekracht geen vat lijkt te hebben. Zacht-ruime schaduwen. Het nog nét niet van een storm…
Ik stel me voor dat mijn nichtje moeiteloos in zo’n schilderij zou passen. Toevallig aanwezig, niets trotserend, behalve misschien de gedachte aan terugkeren naar huis.
De foto’s verdwijnen weer in mijn zak. ‘Les pêcheurs des perles’ van Bizet golft door de radio. Ik kijk een laatste keer naar Homers deinende bootjes, die nu ook die van mijn nichtje zijn.
Ondertussen knort een schrootsloep voorbij. Alles glinstert dat het kraakt. Ik werp een blik op mijn Noorse sokken, die hun uiterste best doen mijn tenen warm te houden. Ik blijf zitten, badend in licht en muziek, en denk dat dit misschien wel de meest Vlaamse vorm van exotisme is: de binnenzon.
Licht en donker schrijven hun eigen kalender.
Warmte en kou volgen gehoorzaam.
En daar tussenin bewegen wij ons –
geboren, levend, stervend, telkens opnieuw.
Onze voorouders keken aandachtig: toen zij leerden
boeren, leerden zij ook wachten.
Ze zaaiden en oogstten op momenten
waarop dag en nacht elkaar in evenwicht hielden.
Ze zagen hoe de dagen zich terugtrokken,
hoe de overvloed van de zomer verschrompelde
tot niets. En in die terugtocht besloten ze
niet passief te zijn; ze verzonnen gebaren,
spreuken, vreugdevuren. Ze verzamelden zich
om te vragen dat het licht zou terugkeren,
dat er opnieuw een ochtend zou zijn.
Die gebaren zijn in ons blijven hangen.
Ze werden traditie, soms zonder uitleg,
maar met een scherp omrand geheugen.
We voeren ze uit met kaarsen, bij bomen,
bij elkaar; onze stemmen herinneren iets
dat ons hoofd is vergeten; sommige rituelen
zijn zo oud dat alleen steen ze nog kent.
Bij Newgrange ligt zo’n herinnering in aarde
en rots besloten; op de rand van de ochtend
van de winterzonnewende glijdt de eerste straal
door een smalle opening, zorgvuldig uitgelijnd
door mensen die vijfduizend jaar geleden al wisten
wat er op het spel stond, wat overleven is.
Of eenvoudigweg leven.
Zeventien minuten lang vult licht een kamer
die het grootste deel van het jaar donker blijft.
Geen woord wordt gesproken. De zon doet het werk.
En er is niet veel nodig om dat te begrijpen;
om te weten dat zelfs op de kortste dag
van het jaar het licht weer zijn weg vindt.
Beeld: Paul Sano – collectie FOMU
Een spierwit haar steekt soeverein de kop op uit mijn verder donkerbruine haardos. Met de hardnekkigheid van iets dat weet dat het gelijk heeft, verkondigt het: dit is het begin van het einde.
Ik bekijk het haar een tijdje ongelovig in de badkamerspiegel, die minder en minder mijn bondgenoot blijkt, en besluit dat dit geen kruis is om alleen te dragen. Men moet bij dit soort calamiteiten tijdig professioneel advies inwinnen. Ik snel dus naar de dichtstbijzijnde kapper.
Een ouderwetse coiffeuse bekijkt me — over de schouder heen — in de spiegel. Ze heeft het soort blik dat vroeger werd gebruikt om de lengte van een schoolrok te keuren. ‘Een froufrou misschien?’ zegt ze monotoon. ‘Tegen de voorhoofdsrimpels.’
Ik antwoord niet onmiddellijk. Mensen zeggen wel vaker dingen die ze niet menen… Maar het blijft stil en ik frons bedenkelijk (met mijn voorhoofdsrimpels).
De ‘master stylist’ van het salon, die zich tot dan toe afzijdig had gehouden valt zijn collega bij. ‘Kort en blond,’ zegt hij resoluut. ‘Zo doen de meesten het.’ En hij wijst naar een vergeelde poster aan de muur.
In Amerika noemen ze dit een Karen-kapsel. Ik zie Greta voor me. En Hilde. En Carine. Allen kort. Allen blond. Allen ontevreden over het leven op een manier die mij doet huiveren. Ik denk aan het woord vapeur, aan donsjasjes, aan goedkope witte wijn uit een zak en zeg dan voorzichtig: ‘de puntjes alsjeblieft…’
Ps: alle gelijkenissen met bestaande personen berusten op louter toeval