Gand-la-Morte

Alleenrecht op de straten

Die zwijgen en toch praten

De kinderkopjes blinken

Voetstappen weerklinken

Schaduwspel van lijnen

Ze dansen en verdwijnen

Als slanke serpentines

Op de muren van ruïnes

Ze leren mij de taal, zowaar

Van solitaire wandelaar

Struinen langs de grachten

Niets om te verwachten

Een blokje rond, het hoekje om

Hoofd omlaag, de rug wat krom

Een hoed, een sjaal, een paraplu

Een mijmering, een pardessus

Nog even om het huizenblok

Want ver klinkt al de avondklok

De stad vertelt met luister

Zo stil en wreed, zo duister

Tekening: Jules De Bruycker

Kakkenheimer

Iets kopen op tweedehands.be brengt je naar de meest onwelriekende oksels van het Vlaanderenland. Kachtem… Ik had er nog nooit van gehoord. De naam komt van het Frankische ‘Kakkenheim’. Het ligt aan de Mandel, ergens tussen Duivelshoek en Kruipendaarde. Ik dacht spontaan aan Tolkien. West-Vlaanderen dus. Gelukkig vond ik een Chinese vrijwilliger die met mij het beoogde tafeltje wilde gaan ophalen. Vijfendertig euro voor ouderwets vakwerk? Dat is geen geld. En een mens moet soms wat moeite doen voor duurzaamheid.Kachtem ligt op een uur rijden van Gent, tussen de velden en de akkers, waar je nog van die lemen boerderijen vindt die vechten tegen tijd en memel. U weet wel, van die fermettes met witgekalkte bomen rond, en een aalput en rabarber in de tuin. ‘Te koop’ stond er bij een van die huisjes. Dat zou nog eens een idee zijn, dacht ik. Weg uit de stad, terug naar de natuur! Ik zou elke dag over iets anders kunnen schrijven: over de kleuren van een Kachtems onweer, bijvoorbeeld, het murmureren van de spreeuwen en de kruiden op de Mandeloever. Of over die heerlijke, onmiskenbare, authentieke strontgeur van ‘den buiten’. Een levenslange garantie. De Chinese vrijwilliger vond het een slecht idee. Een stadsmens wortelt niet in zandleem. Maar goed, ik hield het beeld over mijn simpele boerenleventje als ingeweken Kakkenheimer nog eventjes vast terwijl ik door de beloken raampjes van de bukhanka naar buiten keek. Wie weet. Ooit…De mensen die de tafel aanboden waren van die brave borsten die nog met twee woorden spreken; de pet op en de armen in de zij. Bij het demonteren van het meubel plofte er ineens een buidel op de grond. ‘Mien vrouwe neur hoed!’ riep de man verschrokken. Zo ging dat daar dus nog. Payconiq was geen optie. Ik betaalde veertig euro en zei dat hij de resterende vijf ‘hoedstukken’ mocht houden. Zoveel was dit Kachtems cursiefje mij wel waard…

Meisje in het rood

Er is weinig bekend over Geesje Kwak, het mysterieuze tienermeisje dat door de geschiedenis zou zijn vergeten als ze niet poseerde voor George Hendrik Breitner. Ze werd op 17 april 1877 geboren als Gezina Kwak in Zaandam, en verhuisde in 1893 naar Amsterdam. Ze werkte als naaister en verkoopster in een hoedenwinkel. Toevalligerwijs verhuisde Geesje naar de straat waar Breitners studio was. Hij merkte haar op, en al gauw begon ze voor hem te modelleren. Hun relatie was strikt professioneel en Breitner noteerde in zijn notitieboekje de precieze uren en duur van haar zittingen. Het feit dat Geesje een eenvoudig arbeidersmeisje was, prikkelde zijn gevoel voor sociaal bewustzijn. Hij betaalde haar na iedere zitting meteen uit, waardoor ze in staat was om zichzelf en haar familie van een beter leven te voorzien.Geesje, gehuld in een lange rode kimono met witte bloesems, liep rond in de studio of luierde met een Japanse pop op de divan. Soms ging ze voor de spiegel zitten terwijl Breitner haar schetste en fotografeerde. En het is maar goed dat hij dat deed, want in 1895 verhuisden Geesje en haar zus naar Zuid-Afrika, waar ze op amper tweeëntwintigjarige leeftijd stierf aan turberculose. De schoonheid van de vergankelijkheid; dat is wat Breitners schilderijen met Geesje voor mij symboliseren. Het is een treffende metafoor: de bloesems van de lente zijn delicaat en kortstondig, en je kunt ze maar beter bekijken voordat ze verdwijnen…

Somnabulist

De zon zijgt neer, het nachtblauw schijnt

De dag ligt weer, het licht verdwijnt

De stad verstilt, de ramen doven

De maan blinkt mild in zwart daarboven

Het bed blijft koel, de kamer duister

Ik schrijf en voel, ik zwijg en luister

Alles sluiert langs de Tijd

De wereld luiert, slaapt of vrijt

Toch al wat donker is, schijnt fel

In ’t lampenlicht blaakt heet de hel

Voor mij althans, de Wakkerman

die geen uur bij nachte slapen kan

Somnambulist in Dromenland

Wakker weer in bed beland

Buiten niet de minste zucht

En ver klaart al de ochtendlucht

De kalme dag, het uur weldra

waarop ik, Wakkerman, pas slapen ga

Schilderij: Léon Spilliaert – Het silhouet (1907)

Kalenderwinters

In ons ouderlijk huis hing er altijd zo’n typische draaikalender met sfeerfoto’s aan de muur. Dat was in de tijd dat de seizoenen nog klopten en de belofte van sneeuw werd nagekomen. Echte sneeuw is iets van vroeger, iets wat we nog eens tegenkomen op Vlaamse schilderijen, of in verzen van Gezelle: “Duister wordt de lucht en ’t jagen: sneeuw-, weêrom, en vlokkenvlagen…” Dat heb ik nog op school geleerd. Deze morgen stelde ik me tevreden met dat dunne laagje rijp dat op de daken lag. Het was in ieder geval voldoende om thermisch ondergoed aan te trekken en een poëtische impressie in mij los te weken. Ik deed mijn schaapsleren jas aan, zette mijn wollen muts op, en zong terwijl nog eens dat aandoenlijke liedje van Jan De Wilde. Buiten was het koud, maar niet zoals destijds.Het idee van eerste sneeuw voerde mij terug naar Machelen-aan-de-Leie en het boerenhof van mijn grootouders, waar ik in de winters van mijn jeugd heel wat eenzame uren heb gesleten. Het waren van die winters die aan het hart blijven kleven. Ik herinner me nog de witte, uitgestrekte weiden met haar houtskoolkleurige knotwilgen. De kraaien in de dode maïsvelden, de schapen op stal, de hooioppers onder ‘t zeil, de populieren langs de wal. Ik en mijzelf, en verder geen mens, slechts dat sonore gekraak van sneeuw onder de zolen. Een voetstappenspoor, als een scheef gestikte naad in een witte lap velour. En een blik achterom, naar het beloken raam van de fermette, waar mijn grootvader met gekruiste armen stond toe te kijken of ik toch zeker niet verder ging dan de ‘piekendraad’ van Monneke Kloef. Hinkelen naar de horizon, in een lang en mager schaduwlijf, tussen zondoorsmolten plekken in het sneeuwtapijt, tot de vrieskou verdampte en moe riep dat de soep klaar was. De geur van spekvet en savooien… Nee, van die kalenderwinters, die maken ze niet meer. Schilderij: Valerius De Saedeleer

Ukiyo-e

Toekomstige liefde bestaat niet

Dat is een van de paradoxale eisen

die het lot ons stelt

Wie vandaag geen liefde toont

krijgt er morgen ook geen

Niks behoort ons toe

en niks zal ons bezitten

Het universum

geeft ons liefde in bruikleen;

leent ons slechts voor even

de dingen die we meest verlangen

Het zijn bloesems aan de takken

van een vlietende wereld

Alles waait voorbij en niks

strekt zich uit tot in de eeuwigheid

Het geluk ligt in het achterblijven

met de onherroepelijke blijheid

dat iets gekomen is

en ons bezield heeft

voor de tijd dat het dat deed

Geneviève

Er zijn zo van die mensen die je niet echt kent, maar op termijn wel kunt gaan missen. Het zijn de stille figuranten in de film van ons leven; ze zijn aanwezig zonder deel te nemen.Zo is het bijvoorbeeld lang geleden dat ik de dame met het maltezertje nog eens zag. In mijn hoofd heette dat vrouwtje Geneviève. Geneviève, ja, dat paste bij haar. Ze zag eruit als zo’n Parijse absintdrinkster op Montmartre; met een lang en uitgemergeld gezicht, donker omwalde ogen, en buiten de lijntjes gestifte lippen. Haar mond had de kleur van verlangen, haar wangen die van lang verloren lust. Haar figuur sprak honger en ontbering, en in haar kleren hing de geur van tweedehands en vervlogen ‘Eau de Soir’. Om haar hoofd droeg ze altijd een zijden sjaaltje, zoals Grace Kelly. Grace… een naam die haar zo niet nog beter had gepast. Want van alle dingen die ze verloren was, had ze haar gratie toch behouden. Ik bewonderde dat brave mens…Nu is het lang geleden dat ik haar heb gezien en ik vraag me af of ze nog leeft. Het is dat soort mensen dat van de wereld gaat zonder storen. Ik zag haar altijd aan de Muidebrug, of op tram 4 richting Rabot. “Elle veut toujours dire bonjour…’, zei ze dan over het hondje, dat in de krul van haar arm lag te slapen. En dan knikten de mensen minzaam, met een opgetrokken mondhoek, om na een kort woord tot die hond meteen het hoofd weer weg te draaien. Geneviève was deel van het decor, werd keurig genegeerd en vriendelijk verstoten, hoewel zij misschien de enige kleurrijke figuur was in een tram vol dode zielen. Wat moet ze die maltezer gehaat hebben, voor wie de wrede mensen toch altijd zo aanminnig waren…

Volle maan

De volle maan doet altijd wel ergens aan denken. Ik geloof er niet echt in dat we er ‘dol van worden’ of ‘goesting van krijgen’, maar dat het mysterieuze schijnsel iets in de mens losweekt, valt niet te ontkennen. Laatst bracht iemand dat liedje ‘Satelliet Suzy’ van Noordkaap nog eens op. ‘Satelliet Suzy, telkens als ik u zie, schijnt jouw licht over mijn planeet. Hoe hoger je staat, hoe mooier je heet. Oh, Suzy…’ De maan is de satelliet van de aarde, dus als ik de maan een naam zou moeten geven, zou ik haar Suzy noemen. Maar goed, er bestaan al heel wat namen voor de maan. Nechbet, Nanna, Hubal, Luna of Selene; in alle tijden en culturen werd ze bezongen. In de 17de eeuw hebben de Algonquin-indianen (of omamiwininiwak) alle volle manen van het jaar een naam gegeven, telkens gerelateerd aan het seizoen of een gebeurtenissen van de betreffende maand op het Noordelijk halfrond. Die namen, die door de kolonisten werden overgenomen, worden vandaag de dag nog steeds gebruikt. Zo spreekt men bijvoorbeeld van de wolfmaan, de sneeuwmaan of de rozenmaan. Vandaag is nogal bewolkt, maar achter de bleke nevelsluiers zit de bevermaan verscholen. Bevers zijn in november druk bezig met het bouwen van dammen. Het ideale moment dus voor de omamiwininiwak om ze te vangen en er mutsen van te maken. Of sloefen. Op ons is dit natuurlijk niet van toepassing, en daarom eigenlijk volstrekt oninteressant. Tenzij u natuurlijk een schrijver bent, of bevers aan de vrouwelijke cyclus weet te linken. Ik hoor gelukkig bij die eerste categorie… Hoe dan ook, de (volle) maan is een artistieke muze die de mens al eeuwen intrigeert en inspireert. Ik denk dat we haar graag aangrijpen tegen de voortdurende onttovering van het ondermaanse. Mythes, sprookjes en legenden: we hebben ze nodig om wat magie de wereld in te sturen. Geen heksen en weerwolven vanavond, maar er blaft hier wel ergens een hond die – toevallig of niet – Luna heet. Maak er nog een spannende, hete of spirituele avond van 😉

Masereel

Een korte wandeling door het Patershol. Hier, in een van deze kleine huisjes, leerde Frans Masereel etsen bij de non-conformistische kunstenaar Jules De Bruycker, en werd hij door zijn leermeester verschillende keren mooi geportretteerd. Het kost mij geen moeite om hun schimmen door een van de beloken vensterraampjes te zien…Masereel volgde tekenlessen, typografie en boekdrukkunst in Gent. In 1908 ontsnapt hij aan de dienstplicht door zich vrij te loten, en vlucht met zijn vrouw naar Parijs. Na een periode van patriotisme en nationalisme komt Masereel tot nieuwe inzichten en verhuist hij naar Zwitserland, waar hij verschillende rotbaantjes aanneemt om te overleven. Langzamerhand ontpopt hij zich echter tot dé illustrator van pacifistische bladen. Zijn tekeningen worden striemende aanklachten tegen de vele oorlogsslachtoffers en het ongebreidelde geweld tegen onschuldige mensen. De hunkering naar vrijheid van het individu, en de aanklacht tegen uitbuiting en onderdrukking van de gewone man zijn thema’s die hem nooit meer zullen loslaten. Er volgt een reeks symbolistische beeldromans waarin hij telkens opnieuw de sociale wantoestanden van die tijd aan de kaak stelt. In 1920 publiceert Masereel mijn favoriete beeldroman, L’Idée; een ode aan de vrije gedachte die zich op geen enkele manier laat knechten. De Idee wordt uitgebeeld als een naakte vrouw (de naakte waarheid) die achtervolgd wordt door de politie, de kerk, de burgerij en het gerecht, maar overleeft en de heksenjacht overwint. Masereel wordt uiteindelijk een gevierd kunstenaar die samenwerkt met o.a. Oscar Wilde, Ernest Hemingway, Victor Hugo, Emile Zola, Tolstoj en Maurice Maeterlinck.”Wanneer alles ten gronde zou gaan; alle boeken, monumenten, foto’s en verslagen, en slechts de houtsneden van Masereel bleven gespaard, dan zou men alleen daaruit onze hele hedendaagse wereld kunnen reconstrueren”, zei Stefan Zweig over het werk van zijn goede vriend die (wat mij betreft) nog steeds actueel is…

Ophelia, het berkenblad

Ik drijf onder de kale kruinen
van stormdoorvlaagde eiken,
langs zij die op de kades struinen
en nog even naar mij kijken;
Mijn amber is verbleekt
Mijn scharlakenrood verdropen
Mijn okergeel verweekt
Mijn groenen uitgelopen
Ik ben het bruine berkenblad;
dwarrel neer op de rivier,
op het zilverwater dat
mij wegvoert, ver van hier
Zo zal ik stil verdwijnen
om nooit nog af te meren,
in het water weg te deinen
en nimmer weer te keren…