Mijn ouders zitten met muizen.
Ze komen steeds rond hetzelfde uur ‘uitgekropen’, bij valavond. En het ergste van al is: het zijn geen lelijke, enge, sinistere muizen, maar echte tekenfilmmuisjes; ‘piependollekes’, zoals men zegt; van die schattige, zwarte pluizenbolletjes, met hele kleine flapoortjes. Muizen uit de Beatrix Potter-boeken. Alleen het jasje ontbreekt. Die staart neem je er bijna met plezier bij.
Maar vader was meteen duidelijk: schattig of niet, de muizen moeten weg. Eerst heeft hij een week lang de beste internettruken uit de kast gehaald: kaas, pindakaas, choco, nootjes, noem het maar op. De muizen keken ernaar zoals toeristen naar een hotelbuffet: met interesse, maar zonder veel goesting om ervan te eten. Ze piepten, overlegden even, en liepen dan weer weg.
Daarna hebben ze nog een rits “oma-weet-raad”-methoden uitgetest: aluminiumfolie, pepermuntolie, cayennepeper, en -ja- zelfs de zeer oude Hollandse truc van lucifers in een tomaat te steken, en deze neer te leggen in de buurt van de muizenactiviteit. Ook slangendrollen zouden helpen, maar die hadden ze niet in huis.
Even is de rattenvanger van Hamelen ter sprake gekomen. Iemand die al fluitend orde op zaken zou stellen. Maar we wonen niet in Hamelen en de verdelgingsdienst bleek vooral goed in het opsommen van tarieven. ‘En er is eigenlijk nooit een honderd-procent-dood-garantie’, benadrukte de man. Dat woord ‘dood’ zinde mijn moeder niet. ‘Ze moeten alleen maar weg…’ antwoordde ze hoog-gevoelig.
Gisterenavond kreeg ik vader aan de telefoon. Fluisterend. De hand duidelijk voor de mond gehouden. ‘Het nest werd verwijderd,’ zei hij met de ernst van een oorlogsgeneraal. En daarmee wist ik genoeg.
Deze ochtend belde mijn moeder met de melding dat ze gisterenavond geen muizen heeft gezien en de tactiek van de Hollandse Matchkoppen-methode dan toch moet hebben gewerkt…