In Oostende

De trein vaart langs de vroege herfst

Polders, duinen, korenvelden…

In de verte piekt zo nu en dan

een hijskraan of een kerkje

In het station een va-et-vient

van begerige bezoekers

Sint Paulus beiert lustig en

de meeuwen hebben honger

Een haring op de Visserskaai

Genieten van de lelijkheid

van de zeedijk, bonte stoet,

dat bedlam vol stompzinnigheid

De dagtoerist is koning,

al de rest gefopt.

Wie meer wil, moet de stad in

En bezoekt misschien het Manuscript

of jazzbar Lafayette

met haar bohemiens en dronkaards,

schooiers, schippers, kunstenaars

De schim van Marvin Gaye

Een meisje met een wipneus

Een vrouw met blauwe sjaal

Daar hoog wolkt wat weemoedigheid

zoals de laatste reis

van een moe gevaren oorlogsschip

Nog gauw een korte wandeling

langs die ouwe gaanderijen

waar de zee altijd verschijnt

als een marine van pastel

De koetsen zijn verdwenen

Ook geen grote hoeden meer

Slechts wansmaak en satire

in de schemer van een rode zon

Tiktok, hiphop, baseballpetjes

en elektro-sigaretten

Een windstoot en een duizeling…

De nacht valt in de haven

De laatste boot vaart uit

naar het grijze Fort Napoleon

De carrousel draait nog een rondje

voor de paardjes weer gaan slapen

De maskers worden afgezet

en Oostende ruist weer rustig voort

zoals de Noordzee haar heeft voorgeleefd

Le coquelicot

Ik maak de deur van mijn winkeltje open en veeg wat melaatse bladeren bij elkaar. De bomen houden weer uitverkoop. In de lucht wat kleverige wolkensluiers. Herfst… het klinkt een beetje Oostblok-achtig, maar komt van het Germaanse woord ‘harbista’, harvest, oogsttijd dus. Ik oogst wat peuken en plastiek, die enkele minuten later worden weggeblazen door een poëtische windvlaag.

In de straat dampt al wat weemoed, en leunend op mijn keerborstel luister ik naar de klagerige klanken van de lome ochtend. Puffende vrachtwagens, rammelende laadkleppen met europaletten. Straks is het aan mij. Ach, kon ik maar geld verdienen met dagdromen. Want alleen daarin heb ik carrière gemaakt. Met wel dertig jaar anciënniteit…

Ik veeg nog een streep hondenpoep van de stoep terwijl ik droom over een weekendje Parijs. Een klein hotel met een smeedijzeren balkon in de Rue des Martyrs, met een schrijftafel voor een raam dat uitkijkt over een paar jonge eiken en een draaiende paardencarrousel. Erik Satie. Zijden onderbroeken. Alle dagen uiensoep, met lange rekkers gesmolten kaas. Een glas Byrrh in de guinguettes. Het Parc Turlure. Een boek van Colette…Een veegwagen komt voorbij en schuurt mijn dromen weg. De eerste klant staat al voor de deur. “Je lijkt wat op dat meisje van van Dongen, zo met dat rode mutsje op. Een beetje Parisienne.” Zo’n beetje, ja. Dat heeft ze goed gezien.

Abyss

De lippen van het water

vroegen meermaals om een kus

En de lucht om een omhelzing

Het balkon, de abyss

En je sprong

Om het water te kussen

Om de lucht te omhelzen

Om een allerlaatste keer

te verdwijnen in de tuin waarin

jouw wilde bloemen groeien

Hoe zalig moest het zijn

om alle pijn ineens te voelen

– en dan nooit meer

En je sprong

Zo vaak

Veel dieper dan de dood

Veel verder dan het leven, ja

Je sprong in iets dat vredig was

Waar kwade stemmen zwegen

Geen water meer, geen lucht

Alleen nog maar die leegte

om te vullen met iets Nieuws

Boekenliefde

Je draait de bladzijden om en wordt beneveld door een zaligmakend gevoel. Ja, dit boek heeft je ‘te pakken’! Hoewel de auteur misschien al eeuwen dood is, heb je het gevoel dat dit werk speciaal voor jou geschreven werd. Alsof de schrijver de sleutels naar de geheime kamers van je ziel had, waar hij inspiratie kon opdoen voor zijn verhaal. Een verhaal met andere namen natuurlijk, maar zo ‘spot on’ geschreven dat het akelig herkenbaar wordt. We zouden zelfs kunnen stellen dat de auteur van dat boek ons beter lijkt te begrijpen dan de mensen in onze naaste omgeving. Want zelfs al gaat het ‘goed’ met ons, onder de oppervlakte van wat de anderen zien, zit er vaak een permafrost van eenzaamheid. En dat ene boek weet die eenzaamheid op de een of andere manier aan te voelen en zelfs te ontdooien.

Dat boek kan een bestseller zijn, maar evengoed een verstofte ontdekking die je vond op een lokale rommelmarkt. Hoe dan ook, een goed boek is een spiegel. Onze lievelingsboeken wijzen heel nauwkeurig de dingen aan die in ons dagelijks leven ontbreken of door anderen genegeerd worden. Het lijkt alsof deze boeken de essentie van onze natuur kennen; een essentie die door anderen miskend of mis begrepen wordt. Wat door onze omgeving als een zwakte wordt gezien, wordt door dat ene boek plots omgevormd tot een sterkte. Een sukkel wordt een held, een maatschappelijke mislukking wordt een persoonlijk succes.

Boeken transformeren ons schijnbaar falen in een ware overwinning. Onze sympathie gaat dan ook uit naar de verhalen die de dingen behandelen waarvan wij zelf vinden dat ze in het echte leven te veel in de schaduw blijven staan. Veelal gaat het om onze donkerste karaktereigenschappen, die plots met liefde, tederheid en begrip worden benaderd. Het boek zegt zachtjes: ik weet het, en is daarom de ideale vriend. Een stille aanwezige die al het grote en kleine lijden in ons aanvaardt, en onze meest vreemde eigenschappen een zeker bestaansrecht toebedeelt. Deze relatie van papier en inkt is misschien wel een van diepste liefdes die we in ons leven kunnen ervaren: onvoorwaardelijk en oneindig groot…

Persephone

Een gele kwikstaart schiet voorbij

Een vlinder wiekt de zomer uit

Het eerste blad valt van de eik

De buurman blikt nors door de ruit

Niks fraais te zien, de regen plengt

de leeggelopen Scheldekaaien

In de lucht hangt al wat vroege herfst

en cirkelt een moord boze kraaien

Ach, sterven klinkt toch zoveel mooier

met rommelende donderslagen

Het stormen heeft iets primordiaals

De natuur stelt zich geen levensvragen

Het huurcontract werd opgezegd

De oogstmaand valt onder de zeis

En vele tinten treurnis kleuren

de stad: mijn hel, mijn paradijs

Tijdreisje

Het weer: geheel gesteld om te lijden, zoals men dat vroeger zei. En iedereen is op vakantie. Het betere achterblijfgevoel… Gelukkig zijn er nog van die ouderwetse brasseries die ons eraan herinneren dat het hier ook goed kan zijn. Van die tearooms met bruine lambriseringen, een beslagen spiegel erboven en een krant tussen een houten klem. Ik ga bij het raam zitten, aan zo’n typisch patiencetafeltje voor eenzame zielen, en bestel een wafel met krieken en een koffie Grand Marnier. Ik krijg er een in mooie laagjes, geserveerd in een glas op een voetje, met een grote stront slagroom en chocoladeschilfers erop. Dat is nu eens wat ik troost noem.Ik wil net mijn volgende cursiefje beginnen dromen wanneer er een stokoud vrouwtje komt binnengewaaid. Een mager, verrimpeld vrouwtje van niet meer dan een meter vijftig, met een loden jas en een paar Izegemse schoenen in maat 35. Het beeld van haar transparante regenkapje met witte bolletjes, en daaronder een grijze permanent, stemt me een tikkeltje weemoedig. Alsof het lot het wil, komt ze aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelt niet meer dan een glas plat water. ‘Gepensioneerden moeten op hun geld letten,’ zegt ze tegen de dienster. Dan wendt ze zich tot mij: ‘ik heb vandaag een vogel begraven die tegen de keukenruit was gevlogen.’ Ik antwoord met een smartelijke ‘oei’. ‘Ach, nee! Ik ben blij dat er vandaag eens iets gebeurt. Dan hebt ge nog eens iets te vertellen tegen de mensen.’ Haar man was recentelijk overleden. Ze gingen ieder jaar omstreeks deze periode naar Spa. Haar oude vingers glijden eens liefdevol langs het flesje water. En ze lacht. Want daar staat ze dan, bij de ingang van het Grand Hotel Des Bains…

Dryade

De straatlantaarn belicht een beetje spookachtig de kruinen van de platanen voor mijn raam. Ik zit op de bank en mijn neus piept boven een notaboekje uit. Waarover zal ik deze keer weer schrijven? Het regent. Waait. Zachte donderslagen. Buiten tekent het eeuwenoude schouwspel van ritselende bladeren en traag buigende takken zich af tegen het schijnsel van de stedelijke nacht. Het tafereel zit al lang in de mens, maar wekt nog steeds verwondering in me op. De kunst van het kijken; zo gemakkelijk afgeleerd, maar misschien wel mijn nobelste arbeid.

Ik heb ontzag voor de bomen, en poog er net zoals de grote schrijvers iets over te vertellen. Met een gestrekte mondhoek streel ik het lege blad papier dat, ironisch genoeg, ooit aan een boom toebehoorde. Ik probeer een gedicht: “Bomen; stille rebellen van de moderne tijd, non-conformisten in een wereld vol haast, angst, geweld, vertoon en beton.” Stop. Ik kijk weer naar buiten: de knoestige wortels van de platanen duwen nukkig de straatstenen omhoog en bewijzen daarmee dat de natuur niet op toestemming zit te wachten om geleefd te worden. Schoon.

De boom kent alleen de tegenwoordigheid. In tegenstelling tot wij mensen, die altijd onderweg zijn naar later, beter en meer. Wij kennen alleen de maakbaarheid, en hebben daarom zorgen. Een boom is misschien wel de beste metafoor voor de berusting: hij heeft er vertrouwen in dat hij zal groeien naar zijn voorbestemde vorm, en probeert zichzelf niet krampachtig te manifesteren in een gedicht. Ik zak onderuit, en dank de goede platanen voor hun eenvoudige wijsheid. Ik leg het notaboekje neer en sluit mijn ogen om naar de middernachtelijke stilte te luisteren. De dryade in mij is gelukkig…

Wabi sabi

De westerse wereld is geobsedeerd door symmetrie en ideale proporties. Dit schoonheidsideaal is gebaseerd op een hang naar perfectie en eeuwigheid. Japanse esthetiek, daarentegen, is gebaseerd op iets waar we in het westen zelfs geen woord voor hebben: wabi sabi; een concept dat refereert aan de schoonheid van het eindige, het imperfecte, het verweerde en de melancholie. Het draait dus niet rond het nieuwe, het jonge en het vlekkeloze, maar om een diep respect voor alles wat vergankelijk, fragiel, gebroken en bescheiden is.

Wabi sabi gelooft dat de dingen altijd mooier zijn als ze getuigen van een zeker verval en een uitgesproken individualiteit. Het principe komt rechtstreeks uit het boeddhisme, waarin wordt gezegd dat een mens zichzelf pas volledig kan kennen als hij de barsten in zijn ziel omarmt. In de 12de eeuw probeerden zenboeddhisten te mediteren volgens de imperfecte patronen van de natuur, en vonden zij de ultieme verheffing van de geest in de leegte en de eenvoud. Wabi betekent eigenlijk ‘de bitterzoete melancholie van het alleen-zijn (in de natuur)’, Sabi ‘het nobel worden doorheen de tijd’. Een barst, een deuk of verkleuring in een object door ouderdom is dus sabi. Hetzelfde principe geldt voor de vormen en constituties waarin de dingen aan ons verschijnen. Wabi sabi is dus niet die perfect ronde cirkel van de volle maan, maar de grillige schaduwzijde van een door wolken omsluierde halvemaan.

Ik denk dat we hier in het Westen, met onze bezetenheid voor alles wat blinkt en klinkt, veel kunnen leren van deze waardevolle filosofie. Want worden we vroeg of laat niet allemaal geconfronteerd met de vergankelijkheid, de eenzaamheid en de melancholie? Is het dus niet beter om schoonheid en charme te vinden in de rimpels van een oude vriend dan een duur maar zielloos object? Wabi sabi is een doordenkertje; maar eentje waar je vandaag nog mee kan beginnen. Ik laat me er deze zomer alvast door inspireren. Want ook het woord kan wabi sabi zijn…

Midzomer

Midzomer. Mijn heidense natuur zou me nu het liefst op een steigertje aan de rand van een bos zien liggen, of op een zonovergoten heuveltop met zicht op de horizon. Maar ik zit voor de betraande ramen van de winkel waar ik werk, en waar ik de seizoenen vooral vanachter de toonbank beleef. De stad is gekleed in een vreemde stilte. De lyriek ontbreekt een beetje, maar het is een goede plek om na te denken. Het was een moeilijk jaar voor mij; een van persoonlijk en collectief verdriet. In bepaalde levensseizoenen wordt men tegen de grenzen van zijn wezen gedrukt, en uiteindelijk ook tegen die van het verstand. Het was een uitdaging om de uitgestrektheid, de weelderigheid en de complexiteit van nieuwe levenservaringen te snoeien tot één enkel blad van eenvoudig inzicht: kies bewust voor vreugde. Kies voor vreugde in een wereld die zwaar is van redenen voor verdriet. Te midden van het puin van mislukte plannen en doorprikte dromen: kies voor vreugde. Het is een kwestie van aandacht te besteden aan wat Hermann Hesse ‘Die kleine Freude’ noemde; de dunne draden waarvan we zo vaak onze eigen reddingslijnen moeten weven. De midzomerhemel is grijs, maar weegt wat mij betreft zoveel als blauwe lucht. Zo weinig korrels geluk, gemeten tegen zoveel donker, en toch blijft de weegschaal in balans. Het leven is goed, want alles wat ik heb, is wat ik ben, en wat ik mezelf wil geven.

Schilderij: The overgrown pond – Vasily Dmitrivich Polenov (1880)

Umbra

Verdriet is de schaduw

die liefde werpt

op het licht van verlies

Hoe groter de liefde

Hoe groter de schaduw

We tasten in het duister

Op zoek naar scherpe randen

om ons aan vast te klampen

Zoveel van wie we zijn

-en wie we moeten worden-

krijgt vorm in die umbrale schijn