Arduinna, Arduinna!

Hijgend bereiken we de top van de heuvel, en volgen de pijltjes naar het ‘Ermitage Saint-Walfroy’. Vulfilaïc, zoals hij oorspronkelijk heette, was de enige Europese ‘pilaarheilige’. In de zesde eeuw beklom hij deze heuvel, en bouwde er een zuil om vanaf die hoogte de heidenen te bekeren. Hij verliet de zuil quasi nooit.

De pilaar staat daar nog altijd. Een eigenaardige voetnoot in het landschap.

Maar deze heuvel was al heilig lang vóór Walfroy hem beklom. Eeuwenlang was hij gewijd aan Arduinna, de mysterieuze natuurgodin van de Ardennen, beschermster van wouden en wilde dieren, en misschien ook wel van iedereen die zich beter thuis voelt tussen bomen dan tussen mensen, en beter in de schaduw dan in het helle licht.

Ons Keltisch bloed warmt er onmiddellijk enkele graden van op.

We zien het allemaal voor ons: een open plek in het loofbos, badend in maanlicht. Een stenen altaar waarop honing, graan en kruiden worden geofferd. De geur van gebrande bijvoet en jeneverbessen opstijgend in de koele nachtlucht. Trommels vinden onze hartslag. Gewaden bewegen tussen de stammen. Iemand blaast op een hoorn. Ergens roept een uil, en de maagden dansen rondom het gigantische standbeeld van hun Arduinna! Arduinna!

De hele omgeving lijkt nog doordrongen van die sfeer…

Ik pluk een lindetakje als aandenken, wat bezemkruiskruid erbij. En woordeloos banen we onze weg weer naar beneden, naar het oogstfeest in het dorp.

Screenshot

Anna’ke

Ondertussen ontwikkelt zich in het kajakhotel zonder kajak een heel eigen sociologie. Men kruist elkaar enkele keren in de hal of op de trap, knikt voorzichtig in de eetzaal en na drie dagen zegt iemand onvermijdelijk: ‘Ah, nog Vlamingen.’

Onze buren aan de ontbijttafel blijken twee broers uit Deinze. Mijn oom antwoordt onmiddellijk dat wij ook ‘van daar’ komen, meerbepaald van Machelen aan de Leie. Hij zegt dat alsof we een eeuwenoud adellijk geslacht vertegenwoordigen.

De broers vertellen dat hun vader eigenaar was van de gekende speelgoedfabriek Nazaire Beeusaert in Deinze. In die tijd waren er heel wat speelgoedfabrikanten in de Leiestreek. In het Mudel is er zelfs een zaaltje aan gewijd.

‘Beeusaert?’ vraagt mijn oom kinnekrabbend. Maar daar heeft mémé (mijn overgrootmoeder) altijd gewerkt. Zij maakte daar speelgoedpaardjes…’ En hij voegt daaraan toe dat ze daar ook als dienstmaagd bij de familie had gewerkt.

De twee mannen kijken elkaar met hoge wenkbrauwen aan.

‘Toch Anna’ke niet? Anna’ke Dewaele?’

Het is alsof iemand de naam van een verloren tante heeft uitgesproken.

‘Oh, we zien haar daar nog staan met haar dikke brilglazekens, dat klein, braaf Anna’ke.’

En het verhaal wordt nog straffer: omdat mémé zo graag gezien werd door de familie had zij bij haar uitdiensttreding de bontjas van madam Beeusaert gekregen. Alleen was madam er het noodgeld – dat zij in de voering had genaaid – vergeten uit te halen.

Vorig jaar heb ik van mijn grootmoeder (de dochter van mémé) een aantal bontjassen geërfd…

Ik weet niet wat je vandaag met een pak oud Belgisch geld kunt aanvangen. Die heeft waarschijnlijk nog hooguit de waarde van een stapel gedroogde herfstbladeren. Maar het heeft me toch een onbetaalbaar stukje opgeleverd.

Klein venijn

Er blijken een kajakhotels te bestaan waar kajakken ten strengste verboden is.

De rivier voert er namelijk geen rivier meer uit, maar ligt erbij als een gepensioneerde ambtenaar; aanwezig, maar zonder enige neiging tot activiteit. De hotelier wijst naar zijn kalender en deelt mee dat het al zesenveertig dagen niet heeft geregend. Aucune goutte. Hij zegt het met de waardigheid van iemand die persoonlijk bij de wolken verslag is gaan nemen.

Wij blijven monter. “Dan gaan we wel wat pootjebaden.”

Hij schudt langzaam het hoofd. Ook dat is uitgesloten. Te veel algen, wieren en (hier verlaagt hij zijn stem) ander klein venijn. Men zou er iets van kunnen krijgen. Wat precies zegt hij niet, maar de toon maakt duidelijk dat het niet iets is waarvoor men een ansichtkaart naar huis schrijft.

Goed, dan wandelen we, maar ook dat blijkt al snel een overschat begrip. Het bos is grotendeels afgesloten wegens brandgevaar. Men mag nog net een wandeling maken die zo kort is dat men zich onderweg nauwelijks de moeite getroost de veters aan te snoeren.

Na dit heroïsche kwartiertje installeren wij ons ‘au bord de l’eau’ met een boek. Lezen is, voorlopig althans, nog niét verboden.

Maar de natuur heeft een hekel aan lezende mensen. Nauwelijks zijn de eerste bladzijden omgeslagen of daar meldt zich het klein venijn: de muggen, wespen en horzels, de steek- en strontvliegen, en een indrukwekkende verzameling insecten waarvan zelfs de Franse naam de gruwelijkheid ervan niet compenseert.

Juist wanneer wij nog proberen waardigheid uit te stralen, schuift ergens boven ons een raam open. Een Antwerpenaar steekt zijn hoofd naar buiten alsof hij een vesting verdedigt.

“Oeppasse veur tekenbeten!”

Hij spreekt uit ervaring. Dat hoort men onmiddellijk. Er zijn waarschuwingen die een mens gewoon ter harte neemt.

Vanaf dat ogenblik begint alles te krawierelen. Men voelt bewegingen op plaatsen waar biologisch gezien onmogelijk iets kan bewegen. Elke plooi van het vel lijkt plots bewoond. Men inspecteert de enkels met een ernst die doorgaans is voorbehouden aan douaniers.

We klappen de boeken dicht en trekken ons terug in de lobby. Daar is het koel en er staan grote flessen Bru op tafel. Er vliegen geen wespen, geen horzels, en voor zover wij kunnen nagaan ook geen teken.

Ah! Zie daar de ware luxe van een kajakhotel zonder kajaks: niet de natuur beleven, maar er vol pension kunnen aan ontsnappen.

Statiegeld

Vroeger gooide men een lege fles zonder veel gewetenswroeging in de glasbak. Dat gaf een tevreden gevoel. Men had de aarde gered, of tenminste een vrije middag. Tegenwoordig is een lege fles geen afval meer, maar een financiële belegging. Ze heeft een restwaarde gekregen, zoals een tweedehandsauto of een schoonmoeder met een eigen huis.

Meer en meer is de vuilnisbak een beursgenoteerde onderneming geworden.

Ik betrap mezelf erop dat ik een leeg flesje niet meer achteloos weggooi. Ik bewaar het. Eerst op het aanrecht. Dan in een tas. Vervolgens vergeet ik die tas drie weken in de gang, waar hij langzaam uitgroeit tot een monument van uitstelgedrag. Wanneer de verzameling lege flessen eindelijk groot genoeg is om de reis naar de supermarkt te verantwoorden, blijkt de automaat buiten werking.

“Probeer een andere winkel,” staat er vriendelijk op het scherm.

Dat is een merkwaardige raad, maar je volgt het advies en probeert het elders, kilometers verder.

Het valt me op: die automaten – als ze het al doen- hebben altijd een slecht karakter. Hij accepteert met een zekere hooghartigheid de ene fles, en weigert de volgende, hoewel beide flessen ooit broederlijk uit hetzelfde krat kwamen. Maar dat maak je die automaat niet wijs.

De machine draait de fles om.

Nog eens.

Nog een kwartslag.

De afgekeurde fles wordt mij uiteindelijk teruggegeven met een afkeurende puf. Omstanders kijken mee. Iedereen kent deze vernedering uit eigen ervaring.

Wanneer men alle flessen heeft ingeleverd en de automaat eindelijk piept, ervaart men een geluk dat volstrekt buiten verhouding staat tot de opbrengst. Het gewonnen bedrag verschijnt op het scherm: €2,60.

Daarvoor heeft men thuis een maand tegen een zak kleverige winkeltassen aangekeken, een kwartier in de rij gestaan en zich laten vernederen door een apparaat met de sociale vaardigheden van een parkeermeter.

En toch voelt men zich winnaar.

Dat is nog het grootste wonder van het statiegeldsysteem. Niet dat miljoenen flessen worden gerecycleerd, maar dat volwassen mensen bereid zijn een halve middag op te offeren om met de ernst van een bankier 2,60 euro terug te verdienen. Enfin, ik heb zelden zoveel moeite gedaan om mezelf een ijsje te trakteren.

The meaning of life…

De afgelopen weken stonden volledig in het teken van de grillige kant van de natuur.

Van nimfen zoeken tussen de waterlelies en langzaam dwalen door weilanden, bedwelmd. Van je afvragen of er, net buiten je gezichtsveld, misschien toch een feetje verscholen zit tussen het fluitenkruid. Van de bast van linden en treurwilgen strelen en verlangen naar het gezicht van je oma. Rozen en kamille plukken om ‘droomthee’ van te maken. De blauwe en lila hortensia’s bewonderen. Reigers geruisloos over de rivier zien glijden…

De dagen waren gevuld met vlinders en libellen, met hommels op lavendel, met kikkers in de vijvers en padden in het gras. Met zwoel-zware lucht, die uiteindelijk brak in een stortbui. Hagel en petrichor, en verdomme-toch-nu-weer-zo-warm. Overal dat kalmerende groen, in duizend-en-één schakeringen.

Daartussen het gewone leven, dat ineens niet gewoon meer leek, maar bijna cinematografisch. Zongebleekt. Versleten in Kodak kleuren.

De trein nemen met Echoes II in je oren. Zeilen op de Noordzee. Gelato al limone. Een boek van Cassigneul. De voeten in een teiltje koud water. L’Histoire d’O en een glas amandelmelk. Kobbenetten, frambozen plukken. De memoires van Zelda Fitzgerald lezen op een geheime plek in het bos. En een oude muur waarop staat dat het leven gemaakt is om het te genieten…

#sok

Offerkuil

Ik geloof niet in het hiernamaals. Het spijt me.

Toch hoop ik dat, aan het Grote Einde,

het mysterie van de wereld, het universum,

en alle uitspansels daarachter, en daarachter,

wordt geopenbaard. Gewoon als de mededeling:

hier ging het dus al die tijd om.

Nu ga je terug naar nooit, zoals vóór je geboorte.

Dat zou een geruststelling zijn. Maar toch…

Hoe moeilijk moet het zijn het lijf te verlaten

dat een leven lang de drager was van zoveel –

rugzakken, werktuigen, kinderen, emoties.

Zoveel dat wegvalt met het lichaam,

dat daarna, op zijn beurt,

slechts door de aarde wordt gedragen.

Zoveel verhalen, talenten, creaties. De offerkuil in.

Gelukkig weet ik dat in de toekomst

nieuwe mensen zullen leven, die zich,

bladerend door tabbladen en bundels,

bliksemschichtend de nacht inzinkend

zullen afvragen: waar zijn zíj gebleven?

(Voor Freddy)

Midzomeravond

Stel je voor dat je tot aan je knieën

in zongewarmd water staat. Het flonkert.

Het lied van de zwarte merel echoot de avond in.

Het laatste licht van de dag streelt als een moederhand

over de wereld-met-haar-zorgen.

En dan breng jij je offers, zeg jij je gebeden op

voor de geesten onder je voeten en boven je hoofd.

Je roept aan, een magische spreuk.

Er is niemand, en toch lijkt iets te luisteren.

***

Suminagashi op kitakata papier

Itamambuca

Itamabuca, waar ligt dat? vroeg hij op parlementaire toon.

Zo ver dat het de moeite niet is om het op te zoeken, zei ze.

Hij krulde zijn neus met een blik van ’t is te duur en te omslachtig.

Cordoba dan? Dat is minder ver.

Nee, niet Cordoba. Daar is het zo warm dat je er in je schamele schamelheid moet rondlopen om het uit te houden.

De Lofoten? Dat ligt in het Noorden…

Ze knikte zuinig, maar zei dat ze het niet voor die diepgevroren Noren had, en al zeker niet voor gepekelde vis. Want ’t eten moet toch lekker zijn? Tenminste lekkerder dan thuis.

Bohemen? Dat is niet te warm en niet koud, en het eten is er lekker en goedkoop.

Maar er lopen wel beren rond in de bossen. En Bohemers, die geen Engels spreken.

In de Provence pakt de lavendel je momenteel op de adem, en in Normandië snijdt de wind je de keel af. Nergens zouden de sterren harder blinken dan in de Pyreneeën, maar dan slaap je toch al…

En zo ging het maar verder met de Vlaamse overdrijvingen, tot het laatste beetje zon schrijbeen op de velden zat die ze vanuit hun tuin vol vlinderstruiken konden zien.

Allee dan, misschien nog eens een uitstap naar de plantentuin van Meise, om de reuzenwaterlelies te zien. Hoewel ook zij een vijver vol plompeblaren hadden, met kikkers, en lelies waarin net geen elfjes dansten.

Ze tikten de Boheemse glazen, gevuld met Provençaalse wijn, stopten elkaar een stukje Normandische kaas in de mond en besloten dan een mens eigenlijk niet meer nodig heeft dan een stoel, een boom, wat schaduw, en iemand naast zich om graag te zien.

Eiland

Eenzaamheid is de fundamentele voorwaarde van het leven.

We worden geboren uit een ander, maar worden alleen geboren.

We sterven te midden van anderen (als we geluk hebben en geliefd zijn),

maar sterven alleen.

We brengen ons leven door als een eiland,

in onze enige menselijke ervaring – in deze specifieke lichamen,

geesten en omstandigheden, getrokken uit de kosmische loterij –

te midden van de immense oceaan van toeval en tijd,

wemelend van ervaringen.

Alles van schoonheid en betekenis dat we creëren – elk gedicht, schilderij,

elke vriendschap: een uitgestrekte hand die reikt van de ene eenzaamheid

naar de andere, die reikt in de stomme mond van de eeuwigheid

naar de klinkers van een gemeenschappelijke taal om ons requiem te zingen

voor het vluchtige nu.

Vandoen

“Ik zou zo geire willen leven in een wereld zonder geld!” De klanken van de kleine accordeon weerklinken vriendelijk over het plein; over de hoofden van een publiek dat er tegelijk wel en niet is.

De jonge accordeoniste heeft een Madonna-glimlach, een lief spleetje tussen de tanden, en draagt een stationspet die aan Wannes Van de Velde doet denken. Het oude deuntje gaat verder. De centjes rinkelen, de ogen twinkelen. Mensen lopen af en aan, maar niemand blijft staan. Toch niet langer dan één zin, nochtans zo welgemeend gezongen, en uitnodigend tot méér dan slechts dat luttele moment dat voor sommigen toch een euro waard was.

Het sociaal decorum ontbreekt, dat spreekt. Aan het eind van het lied is er slechts één iemand die klapt; de oude oma, die half doof is, maar niet doof genoeg om de liedjes van Walter De Buck niet meer te herkennen. Op de terrassen blijven mensen onverstoord verder murmelen, hun halve matrak stokbrood aansnijdend, of hun stukje religieuze kaas. Even óp-blikkend, en dan weer neer, naar hun haver-cappuccino.

Maar de accordeoniste speelt verder; de vingers druk dansend over de petieterige toetsen van de trekzak. Ze zingt steeds luider, met stembanden waarop je een keukenmes kunt slijpen, en die daarom niet lijken toe te behoren aan een jong persoon, maar aan een oude ziel die nog vele goede eeuwen in het verschiet heeft…

Ik maak een foto, leg een euro in het potje. Stapvoets lossen de tonen op, hoopvol, de lentelucht in. Ze zou alles willen geven “veur ne wereld met veel groen, waar nog veugels kunnen leven, en haar liedjes niet vandoen…”

#dagvandeaarde#wereldnatuurdag