De vlucht uit Volkegem

Een huwelijksfeest van vrienden, van een niveau du jamais vu. Met oesters, bubbels, bloemen en dienstpersoneel in rokkostuum. Muziek door een beroepsvioliste. Hapjes met een toefje ‘fa-fa’. De bruid droeg een satijnen glimlach, haar man een leuke strik.

Het feest vond plaats in een hoeve op een heuveltop, die uitkeek over een vallei vol bucolische idylle. In de tuin, tussen het donkerste lentegroen en de witste lammetjes, stond de tent waar ik een speech mocht geven. Ik heb iets verteld over Casanova en het wonder van de eeuwigdurende liefde. Er werd gegniffeld en geknikt, dus ik ga ervan uit dat het goed was. We hadden geluk met het weer: zon, tot ze onderging. Daarna een melancholische, roze avondschemer die overging in zilveren onweerslucht. Met lichtende nachtwolken waarin wat bliksem flonkerde. Zo’n lucht die dateert van de dag waarop God het uitspansel der hemel schiep. Zeer schoon allemaal.

En er was veel volk. Wel tweehonderd man. Met de helft van die mensen moet ik een evenredig woord gewisseld hebben. Maar ik herinner mij enkel nog een gesprek over vroegtijdige kaalheid en mayonaisevlekken. Geen onderling verband. De rest ben ik vergeten want ik functioneer niet zo in groep. De zintuigen verlammen en er overvalt mij een onverklaarbaar gevoel van eenzaamheid tussen de mensen. Een gevoel dat ik als kind al had. Ik ontvlucht de menigte en zoek een plekje waar het stil is om dan, in de echo’s van het feestgedruis, het vreemde verdriet te voelen van de introvert, de hooggevoelige, de asociale, wiens verwoede pogingen om deel te nemen aan de drukte immer tevergeefs blijken. Maar gisteren, op die stoel onder de kriekenboom, werd het mij duidelijk dat er misschien ook wel iets moois schuilt in dat sentiment: het is niet erg om genoeg te hebben aan de eigen, innerlijke omgeving. Maar goed, mayonaisevlekken verwijder je dus met trichloorethyleen. Daar was ik zelf nooit opgekomen…

Hulstkamp

Ik doe het nu al een jaar zonder wagen en nam nog nooit zo vaak het openbaar vervoer. Door geregeld met de trein te reizen, heb ik enkele eigenaardigheden bij mezelf ontdekt. Een soort dwangneuroses. Zo wil ik bijvoorbeeld niet alleen in de rijrichting zitten, maar wil in het heengaan ook altijd aan de linkerkant van het rijtuig zitten en in het weerkeren altijd rechts. Hetzelfde doe ik als ik een stad bezoek; links erin, rechts eruit. Met de klok mee dus.

Vandaag was ik in Antwerpen voor de bespreking van een nieuw schrijfproject. Ik was er vroeg, op een uur dat er nog Aantwaarps wordt geklapt op de Meir. Jaja, onder de vuilnismannen zitten er nog echte sinjoren. (-Dadoddeniegedochtei?)

De hele dag stond eigenlijk in het teken van schrijven. Antwerpen lijkt dat in een mens los te weken. Eerst heb ik mijn favoriete boekhandel in de Wolstraat bezocht. Niet de Groene Waterman, maar het stoffige antiquariaat van Leon Lemahieu, gelegen aan de overkant. Het ruikt er naar riool, maar de man heeft leuke posters. Nadien heb ik een koffie gedronken in de zetel van de Antwerpse kunstenaarsbohème, de Muze, waar ik een stukje schreef over het wonder van Shazam en de Hot Club de France. Maar dat is voor later.

En ware het niet van mijn neuroses geweest, dan was ik vast niet op het terras van de Hulstkamp beland (want dat ligt op de terugweg en dus rechts op de Keyserlei). Hulstkamp, het stamcafé van Paul van Ostaijen. Niet de meest poëtische keet van ’t stad, maar van de strüdels word je lyrisch. Het café nodigt in ieder geval uit tot contemplatie. Misschien omdat het honderd jaar oud is en twee wereldoorlogen heeft gezien. Het koppel naast mij had het over Marioepol, bezette stad, en ik bestelde nog een strüdel. Met ijs. Profiteren is tegenwoordig geen optie meer, maar een gebod.

Enfin, ik mis de Toyota Yaris, maar die leverde geen cursiefjes op. En haiku’s evenmin…

‘Rechts in de wagon

Zinkt een vrouw tegen het raam

Moe, als avondzon’

Japanomanie

Mijn ‘japanomanie’ is ooit eens begonnen in een klein Frans dorpje. Een dorpje, ergens langs de Seine, zo groot als een speldenkop. Het kost wat moeite om er te geraken, maar je vergeet dat plekje nooit meer, want het is een stukje van het aards paradijs: Giverny.

Beeld het je in: een stroompje kronkelt dromerig door een sprookjesachtige tuin en loopt onder een groene Japanse brug door. Langs het water staan enkele melancholieke treurwilgen en in de vijver fonkelen wat witte nenufaartjes, de nimfen van Claude Monet. Met wat fantasie zie je de oude schilder, met nog wat impressionistische vegen verf in de baard, in de lommer op een stoel zitten. Aan het einde van een wandelpad staat het woonhuis van de man. Het is een huis met verschillende kleine kamers die elk in een andere kleur zijn geschilderd. De mooiste kamer is de eetkamer; de kamer waar mijn liefde voor de Japanse kunst een vlucht heeft genomen. Want tegen het helgeel van de muren steken allerlei prikkelende tafereeltjes af: tempels en pagoden, camelia’s en kerselaars. Het zijn houtsneden, ukiyo-e, spotgoedkope prenten uit Japan die Monet ooit van zijn visboer kreeg. Ik heb er zeker een halfuur naar staan kijken, tussen de Japanners, die zich er al dan niet bewust van waren dat zij daar, in die oude, Franse eetkamer, een stukje van hun thuisland zouden vinden…

Diorama

In de diepste onderstromen

van de ziel

huist onze meest

elementaire kwetsbaarheid

De oppervlakte laten rimpelen

is een kwelling

die deels ook vreugde is

Onontkoombaar

voor iedereen

die met heel zijn wezen maakt

wat hij maakt: de twijfel

aan zichzelf

die elke oprechte ambitie

altijd lijkt te vergezellen

En soms ook wel wat schaamte

Over wie we ooit eens waren

Die tijdelijke totaliteit

van gevoelens en gedachten

Zoveel vervlogen zelven

Zoveel vergeten ikken

Een diorama van een leven

dat inmiddels lang gestorven is

Dus steeds meer

Een beetje meer

in contact met onszelf

buiten onszelf

Een zinderend herinneren

aan wie en wat we zijn

in de romp van ons wezen

onaagetast door de tijd

op die plek

van waaruit we maken

terwijl we onszelf

blijven maken

in kwetsbaarheid

in de bereidheid te verschijnen

en kort te worden opgemerkt

+2

Kerremesse in d’helle

In een paar scheve zinnen beschrijf ik het landschap van de Westhoek dat in bleke flitsen aan mij voorbijschiet en mij aan de borsten van mijn Ieperse grootmoeder doet denken. Ieper, kattestad, mijn tweede thuis.

Ik spoor langs de vruchtbare akkers, de glooiende heuvels, de vriendelijke, historische dorpjes en villafermettes tussen de knotwilgen. Land van beeldenstormers en boerenverstand. Hoppeland. Land van picon en potjesvlees. Land van eeuwig verdriet…

‘Bachten de kuupe’ moet de eerste lente altijd wat extra moeite doen om uit te blinken. Maar langs de bermen staan al wat hovaardige krokussen naar de zon te lonken. Dat is een goed teken. Ze zingen hun ‘gloria in excelsis deo’ als nonnetjes van een degelijk kloostermerk. En dan, tussen wat donkere cipressen, rijzen de zerken van een Engels Oorlogskerkhof op. Ik hoor de doodsreutels over de akkers weergalmen en ondertussen valt er wat ouderwetse regen uit de lucht. Dan weer een streep zon. ‘Kerremesse in d’helle’, zou grootmoeder hebben gezegd. Gloria in excelsis deo. Ach, wie kent de kunst van sterven. Krokussen, grootmoeders, soldaten; alles wat leeft lijkt gemaakt om te vergaan en kostbaar te worden. En plots vind ik het vreemd dat wij allemaal naar onsterfelijkheid verlangen in een universum dat geregeerd wordt door verval…

Die middag ga ik met mijn nicht naar de kermis, waar we aan een schietkraam elk vijftig ‘poetins’ neerknallen in ruil voor wat musketons en een pluche eenhoorn. (Mo tis ol gin oar snien, enni…)

In saeculum saeculorum

‘We moeten profiteren, want het kan snel omslaan.’ Haar mond trekt profijtig samen en ze blikt argwanend omhoog, als iemand die ze daarboven aardig in de mot heeft. In feite kan dat overal op slaan, denk ik dan: liefde, veiligheid, gezondheid, geluk in het algemeen, maar ze had het over de eerste lente, met haar lage, warme zon die deugd doet tot diep onder het vel. Die mooie lente dus, niet die met haar geselende noorderwind van twaalf en meer beaufort, en nietsontziende hagelvlagen die klinken als een onaangekondigd spervuur. Op dat moment valt mijn oog op een verloren gewaaide krant. ‘Rusland houdt zich niet aan het staakt-het-vuren.’

De bus komt aan en ik stap op. Ik ga bij het raam zitten en houd mijn gezicht genietend ten hemel. Ondertussen luister ik naar het ‘in saeculum saeculorum’ van Vivaldi. Tegen mijn oogleden tekenen zich beelden uit het nieuws af.

Een oud mens heeft mij eens geleerd dat ik mijn handen elke dag naar de zon moet houden en ik dan honderd jaar zal worden. Ik stop ze wijselijk weer in mijn zakken. Honderd hoeft niet. Maar goed, het kan dus snel omslaan. Ik stap uit, de lucht overtrekt. Een striemende wind strijkt langs mijn wangen, alsof hij me toch wil harden voor de eeuwigheid, en giert dan door de nog kale, uitgeluchte bomen op de kaai. De hellehonden blaffen en ik mis alleen nog helm en speer om me als Walkure door deze vrieskou te weren. De winter strijdt zijn ragnarok, maar de sleedoorn bloeit al aardig. En wederom leert de natuur mij haar eenvoudige wetten: oorlog is voor eeuwig, de lente ook. In saecula saeculorum…

Schilderij: James Ensor – Ride of the Valkyries (1938)

Wu wei

We streven voortdurend naar succesverhalen, maar wat we absoluut niet kunnen, is toegeven dat we moe zijn en eigenlijk gewoon eens ‘niets’ willen doen. Niets, zoals in lezen op de bank, doelloos rondslenteren of luisteren naar muziek. En zodoende moeten we voortdurend onze spontane, fantasierijke en kwetsbare kanten onderdrukken.

Onderweg worden we vreemden voor zij die ons, los van onze rijkdom en status, graag zien. Terwijl we steeds meer afhankelijk zijn van de wispelturige aandacht van degenen voor wie we alleen maar de som van onze prestaties zijn. Familie ziet ons steeds minder, onze geliefden worden bitter, vrienden bellen niet meer op.

We kunnen een waslijst aan prestaties voorleggen, maar kunnen ons niet meer herinneren wanneer we voor het laatst de kans hadden om een dag niets te doen. Alles moet opbrengen.

We zijn zo diep gefixeerd op het idee dat ‘armoede’ het resultaat is van gebrek aan talent en kansen, en dus iets onvrijwilligs is. Maar wat we ons niet kunnen voorstellen is dat armoede het resultaat zou kunnen zijn van de vrije keuze van een intelligent en bekwaam persoon, gebaseerd op een rationele kosten-batenanalyse. Want het is oprecht mogelijk dat iemand besluit om die beter betaalde baan niét aan te nemen, géén nieuw boek te publiceren, géén hogere functie te zoeken. En niet omdat hij er geen kans toe had, maar omdat hij er bewust niet naar wil streven. En omdat hij bijvoorbeeld meer ziet in de rust, de spiritualiteit, de natuur en het helpen van zijn naasten dan in status, een drukke agenda en winst…

Formule

Ik ben in een deel van de stad waar ik als kind woonde, en loop langs het huis van een oude vriendin. Ik kijk omhoog naar wat vroeger haar slaapkamerraam was. Van buiten ziet alles er nog hetzelfde uit, al woont er nu iemand anders. Plots voel ik een verschroeiende nostalgie naar alles wat was en niet meer is. Het is moeilijk uit te leggen wat dat gevoel preciés is. In het Nederlands bestaat er eigenlijk geen woord voor. Het is ‘saudade’, een bitterzoet, melancholisch verlangen naar iets moois dat nu verdwenen is: een liefdesaffaire, een ouderlijk huis, een boom in een straat, een vriendschap. Later die dag probeer ik er een gedicht over te schrijven, maar heb moeite om de juiste woorden te vinden. Het is langdradig en pathetisch, en ik gooi het weg.

Het doet me nadenken over de relatie tussen emoties en taal. Zijn gevoelens onafhankelijk van woorden? Of zouden bepaalde gevoelens ons in wezen onbekend blijven moesten we er geen woord voor hebben om ze te herkennen? Dat taal verdiept en verheldert, is zeker. Het is de reden dat mensen schrijven, naar muziek luisteren, poëzie lezen. De juiste woorden helpen ons om onszelf te leren kennen; door toedoen van de taal kunnen we ons innerlijke leven nauwkeuriger definiëren. Goede taal doorbreekt vervreemding en isolement, en verbindt ons met die ‘verre’ andere.

Er zijn talloze woorden in vreemde talen die dat op een prachtige manier illustreren. ‘Razljubit’, bijvoorbeeld: het gevoel dat je koestert voor iemand waar je in het verleden van hield. Of ‘sarang’: het gevoel dat je tot de dood bij iemand wil blijven. ‘Gjensynsglede’: het plezierige gevoel dat je krijgt als je met iemand afspreekt die je in geen tijden hebt gezien. ‘Kilig’: de opwinding die je voelt wanneer je met een aantrekkelijk persoon praat. ‘Iktsuarpok’: Het gevoel van verlangen wanneer je op iemand wacht of wanneer iets te gebeuren staat.

Kortom, mooie woorden zijn vertegenwoordigers van de universele ziel, geleiders van liefde, juwelen die ons binnenste doen schitteren. En goede taal is, wat mij betreft, magie in zijn allerpuurste vorm, waar we zowel onszelf als de ander mee kunnen betoveren. Je moet enkel de formule kennen…

Giljom

In het achterland van Brugge

Leerde hij als knaap verplicht

Het ploegen van de akkers

Het dorsen van het rijpe graan

De oorsprong van de soorten

Marmerspin en stalmuursluiper

Vliegend hert en bosbesbij

En daarom, zelfs niet als kind,

Nam hij aan wat God hem zei

Want voor hem lag de extase

In nieuwsgierige verwondering

Hier en nu, en altijd weer

Een te zijn met alle dingen

Als een stil, passief genot

Met de nasmaak van de hemel

Een idee van eeuwig leven

Dat hij niet hoefde te krijgen

Omdat hij het al in zich had

Als kind leerde hij meer, zei hij,

Dan in de winters van zijn jaren

En als kind verliet hij vredig

Zijn doodsbed in de stad

Tot de laatste zucht indachtig

Marmerspin en stalmuursluiper

Vliegend hert en bosbesbij

Giljom, geen dunne ademwolk

In een zee van dode dingen

Maar een relatieve dood

In een Achterland dat trouw blijft

zingen

Schilderij: Ernst Ludwig Kirchner

Pleidooi voor het kleine leven

Het ligt in de natuur van de mens om voortdurend uitzonderlijke genoegens na te streven. We houden van het zeldzame, het exotische en onbekende dat ons moet verrassen. Waarom appreciëren wij kaviaar meer dan een spiegelei? Waarom appreciëren wij de violist op het podium meer dan die op de straathoek? Waarom focussen wij ons voortdurend op ‘grootste plannen’; verder reizen, een groter huis, meer carrière? Niet dat al die dingen verkeerd zijn, maar ongewild vertonen ze een venijnige en nutteloze vooringenomenheid tegen het goedkope, het gemakkelijk verkrijgbare, het gewone, het bekende en het kleinschalige.

Als iemand zegt dat hij op cruise is geweest naar de Caraïben gaan we er automatisch van uit dat hij het beter heeft gehad dan iemand die naar het plaatselijke park is gefietst. We stellen ons voor dat een bezoek aan Rome altijd leuker zal zijn dan het lezen van een boek in de achtertuin. Een restaurantdiner met ‘plat fruit de mer’ klinkt een stuk indrukwekkender dan een kom soep bij ons thuis. Een weekend in de wellness klinkt zoveel beter dan een paar minuten naar een bewolkte lucht kijken. En het voelt vreemd om aan te nemen dat een bescheiden vaas met tulpen dezelfde voldoening kan geven als een schilderij van Van Gogh.

Plezier is iets paradoxaals en iets opmerkelijk kwetsbaars. Een ruzie kan een luxeverblijf op een tropisch eiland teniet doen, en alleen in een vijfsterren-restaurant dineren biedt geen soelaas aan eenzaamheid. Een waar plezier kan heel eenvoudig lijken – een appel eten, een bad nemen, fluisteren in bed, praten met een grootouder, oude foto’s doorbladeren – en het toch allesbehalve zijn. Het is frappant hoeveel goede dingen wij op een oneerlijke manier verwaarlozen. Een klein genoegen is geen aanslag op de ambitie, maar een groot genoegen ‘in wacht’; iets dat nog niet de collectieve erkenning heeft gekregen die het verdient. Een rusteloos leven lijkt vaak een succesvol leven, en niets mag té lang goed genoeg zijn. Maar door onszelf zo bezig te houden met die onbereikbare uitmuntendheid, zien we de meer bescheiden genoegens, dichter bij huis, vaak over het hoofd. En dat is jammer.

Had ik een goed voornemen voor 2022? Wel ja, dat dus, die kleine dingen… Ik wens ze u van harte!