Blozen

We hebben niets, behalve

een door en door prachtig moment.

My funny Valentine, zingt ze,

en je kijkt naar me terug,

alsof je al wist dat ik naar jou keek.

Liefde is verwarrend, ik weet het.

Een neurologische aandoening,

zonder remedie, behalve dan de overgave.

Ik kan er ook niets aan doen.

Buiten kriept de sneeuw

onder de laarzen van uitbundige wandelaars

met rode sjaals. Zwart-witte mutsen. Ik zie er drie.

Het klinkt cliché, maar ze is er, de volle maan.

Of nee, nét niet meer. Afnemend.

Een sneeuwman staat te wuiven. ‘Ik smelt!’ roept hij.

‘Ik ook…’

‘Wil je slowen op dit lied,’ vraag ik je met een knipoog.

Je schudt nee, zoals verwacht, en houdt je hoofd in je boek.

Hoe mooi had het geweest, te wiegen in dat licht

met sneeuw door het raam, The Wild Hunt in de lucht.

Smeltend tegen elkaar.

Ik hou van jou, my funny Valentine.

Ook al wil je niet dansen,

niet smelten,

niet zeggen dat jij ook van mij houdt

zoals ik van jou:

het is oké. Ik bloos toch al.

Slaap wat

De vaatwasser draait, klopt, stopt. De hartslag van een dood ding. Het geluid stemt je rustig. De cadans van gewoonte: er werd gegeten vandaag. Je kosten zijn wat hoger, de thermostaat staat lager. Je warmt je aan Paustovski, aan een koffie met kaneel. Kardemom is ook niet slecht. De blauwe reigers landen, vinken wippen naar hun nest. De koeten krassen nijdig door het wateroppervlak, dat breekt in brede rimpels. Het stuift in fijne vlokken. Je lacht: ‘poedersuikersneeuw’. Bij het wasrek brandt een kaars. Je natte sokken dansen, in dat flauw midwinterlicht. Flonkers op de keukenkast. De radio, je speelman. Seiko tikt de middag weg. En het sijpelt nu pas door: dit is geen nieuw begin, hoor. Janus is een valse god. Geef de kroon aan Koning Hulst. Een jaar kent dertien manen. Het jaar begint pas later. Later, als het lente is. Het is tegennatuurlijk, om te vechten tegen tijd. Alles voelt zwaar, maar normaal. Vrouw Holle schudt de kussens. Dus leg je neer, en slaap wat…

.

.

.

Schilderij: Sleeping woman – Félix Vallotton (1898)

Binnenzon

Mijn nichtje, een knappe rechtsgeleerde, bevindt zich in Panama. Niet om er te werken — dat zou te voorspelbaar zijn — maar om er de liefde te vieren, en als er nog tijd overschiet ook het nieuwe jaar.

Van daaruit stuurt ze foto’s van exotische kustlijnen met dobberende vissersbootjes. Ik zoom in op de details: schuimend zeewater, een lazuren lucht en — geheel terloops — de fraaie billen van mijn nicht onder een fatsoenlijk wit shortje. Panama… Ik ken het eigenlijk alleen van het Kanaal, maar dat staat op geen enkele foto.

Het woord kanaal is op dit moment vooral van toepassing op mijn eigen uitzicht. Het raam is beslagen, zoals alleen ramen dat kunnen op winterse middagen die nergens heen willen. Buiten zweeft de zon nét boven de daken en doet een moedige poging om te bewijzen dat ze bestaat. Binnen staat de verwarming hoog, de verwachtingen laag. De thee is lauw geworden, wat passend voelt.

Tussen foto één en twee denk ik aan Winslow Homer, die ooit besloot dat vakantiebestemmingen vooral stemmingen zijn. Ik zoek ‘zijn’ Caraïben op: donkere mannen die tegen de zee in staren, water dat tegelijk uitnodigt en waarschuwt, vrouwen die loom voorbijslenteren, hun voeten wit van het zand. Palmen waarop de zwaartekracht geen vat lijkt te hebben. Zacht-ruime schaduwen. Het nog nét niet van een storm…

Ik stel me voor dat mijn nichtje moeiteloos in zo’n schilderij zou passen. Toevallig aanwezig, niets trotserend, behalve misschien de gedachte aan terugkeren naar huis.

De foto’s verdwijnen weer in mijn zak. ‘Les pêcheurs des perles’ van Bizet golft door de radio. Ik kijk een laatste keer naar Homers deinende bootjes, die nu ook die van mijn nichtje zijn.

Ondertussen knort een schrootsloep voorbij. Alles glinstert dat het kraakt. Ik werp een blik op mijn Noorse sokken, die hun uiterste best doen mijn tenen warm te houden. Ik blijf zitten, badend in licht en muziek, en denk dat dit misschien wel de meest Vlaamse vorm van exotisme is: de binnenzon.

Solstice

Licht en donker schrijven hun eigen kalender.

Warmte en kou volgen gehoorzaam.

En daar tussenin bewegen wij ons –

geboren, levend, stervend, telkens opnieuw.

Onze voorouders keken aandachtig: toen zij leerden

boeren, leerden zij ook wachten.

Ze zaaiden en oogstten op momenten

waarop dag en nacht elkaar in evenwicht hielden.

Ze zagen hoe de dagen zich terugtrokken,

hoe de overvloed van de zomer verschrompelde

tot niets. En in die terugtocht besloten ze

niet passief te zijn; ze verzonnen gebaren,

spreuken, vreugdevuren. Ze verzamelden zich

om te vragen dat het licht zou terugkeren,

dat er opnieuw een ochtend zou zijn.

Die gebaren zijn in ons blijven hangen.

Ze werden traditie, soms zonder uitleg,

maar met een scherp omrand geheugen.

We voeren ze uit met kaarsen, bij bomen,

bij elkaar; onze stemmen herinneren iets

dat ons hoofd is vergeten; sommige rituelen

zijn zo oud dat alleen steen ze nog kent.

Bij Newgrange ligt zo’n herinnering in aarde

en rots besloten; op de rand van de ochtend

van de winterzonnewende glijdt de eerste straal

door een smalle opening, zorgvuldig uitgelijnd

door mensen die vijfduizend jaar geleden al wisten

wat er op het spel stond, wat overleven is.

Of eenvoudigweg leven.

Zeventien minuten lang vult licht een kamer

die het grootste deel van het jaar donker blijft.

Geen woord wordt gesproken. De zon doet het werk.

En er is niet veel nodig om dat te begrijpen;

om te weten dat zelfs op de kortste dag

van het jaar het licht weer zijn weg vindt.

Beeld: Paul Sano – collectie FOMU

Begin van het einde

Een spierwit haar steekt soeverein de kop op uit mijn verder donkerbruine haardos. Met de hardnekkigheid van iets dat weet dat het gelijk heeft, verkondigt het: dit is het begin van het einde.

Ik bekijk het haar een tijdje ongelovig in de badkamerspiegel, die minder en minder mijn bondgenoot blijkt, en besluit dat dit geen kruis is om alleen te dragen. Men moet bij dit soort calamiteiten tijdig professioneel advies inwinnen. Ik snel dus naar de dichtstbijzijnde kapper.

Een ouderwetse coiffeuse bekijkt me — over de schouder heen — in de spiegel. Ze heeft het soort blik dat vroeger werd gebruikt om de lengte van een schoolrok te keuren. ‘Een froufrou misschien?’ zegt ze monotoon. ‘Tegen de voorhoofdsrimpels.’

Ik antwoord niet onmiddellijk. Mensen zeggen wel vaker dingen die ze niet menen… Maar het blijft stil en ik frons bedenkelijk (met mijn voorhoofdsrimpels).

De ‘master stylist’ van het salon, die zich tot dan toe afzijdig had gehouden valt zijn collega bij. ‘Kort en blond,’ zegt hij resoluut. ‘Zo doen de meesten het.’ En hij wijst naar een vergeelde poster aan de muur.

In Amerika noemen ze dit een Karen-kapsel. Ik zie Greta voor me. En Hilde. En Carine. Allen kort. Allen blond. Allen ontevreden over het leven op een manier die mij doet huiveren. Ik denk aan het woord vapeur, aan donsjasjes, aan goedkope witte wijn uit een zak en zeg dan voorzichtig: ‘de puntjes alsjeblieft…’

Ps: alle gelijkenissen met bestaande personen berusten op louter toeval

Stratego

Ledeberg: een plek waar niemand iets te zoeken heeft, behalve zij die er werken of er een rijhuis hebben gekocht met een billijke lening. Of natuurlijk: zij die er geboren zijn en nooit iets anders hebben gekend. Die laatste categorie dunt uit, en met hen verdwijnt ook het Gents uit de Ledebergse straten. Maar ze zijn er nog, de natives. In onverwachte hoeken en kieren hoort men soms nog de keelschraap -r. ‘Juffrrrrouw, juffrrrrouw, ge verliest uwen handschoen,’ zegt de oude man op het bankje. Hij glimlacht met één nog trotse tand. Het bankje staat langs een bijzonder lelijk stuk steenweg. Niet dat er zoiets bestaat als een mooie steenweg, maar deze blinkt echt uit in lelijk- en mistroostigheid. Joost mag weten waarom de stad net daar haar banken neerzet. Ik bekijk hem nu beter: het lage fronshoofd, de rode karbonkelneus, het voorkomen van een Wolga-trekker. ‘Waarom zit u hiér, en niet daar?’ vraag ik. Hij volgt mijn vinger naar het nabijgelegen Keizerspark. ‘Omdat de mensen daar geen handschoenen verliezen. En omdat deze bank naast een fietsrek staat.’ Ik trek vragend mijn schouders op; ik begrijp het niet. ‘Dat slot vastdoen… of opendoen… dat duurt toch efkens?’ En hij zet zich schrap, als een maarschalk op een Stratego-bord, klaar om aan te klampen.

Alles leunt

Het weelderig goudgebladerte in mijn straat leent zich perfect tot een herfstromance. De volle bevermaan weerspiegelt zich in het oppervlak van het donkere glinsterwater beneden. De platanenbladeren vallen langzaam; in lantaarnlicht, op Spaanse renaissancetonen. Een emotioneel uitzicht…

Ik denk aan mijn pas overleden buurman die hield van deze muziek. Tres Culturas was een van zijn favoriete cd’s. Die legde hij steevast op als ik op bezoek kwam, om een boek te lenen, een wijntje te drinken, samen wat Baudelaire te lezen. Overal zindert nu een onuitgesproken verlangen naar een nog niet zo lang geleden. Een paar maanden geleden… Een paar foto’s geleden… Toen we nog samen rond de salontafel zaten. Keuvelen over de Russische zaak, de beste chipssmaak, het leven van Olfert Dapper, de teloorgang van het zelfstandig intellect, de keuze tussen het beroep van metselaar of muzikant.

Een herfstromance… De esthetische stemming van liefde; niet uitgebeeld door razende passie, maar door de sereniteit van een teder gevoel voor iemand die oprecht wat voor je betekende. Ik voel een pijnlijk zoete nabijheid. Iets dat lijkt opgestaan uit de dood om me aan te raken. Iets dat aan me zal blijven verschijnen; het visueel gedicht dat vriendschap heet. Ik ben blij dat ik dit moment volledig mag bewonen. Deze maanverlichte nacht zal eindigen in het schimmeschijnsel van de dageraad. Het goudgebladerte zal zich verder stapelen en ik zal denken: alles leunt tegen het voorgaande.

Rust in vrede professor emeritus, vriend en zoveel meer, Marc Maresceau

Van Yek

“Lichaam gevonden aan Van Dyckzwembad”, staat in drukletters op de groep Ge zijt van Gent als ge… Elke stad heeft zo’n groep, en iedereen weet dat die vol zit met mensen die niet met een klavier, laat staan met spellingregels, overweg kunnen. Maar daar gaat het hier niet om.

Het is namelijk niet Van Dyck, maar Van Eyck.

De reacties stromen binnen — vooral over de vermeende moordzaak — tot iemand verbetert met: “Van Yek!”

En dan, ja, dan kun je het natuurlijk niet laten. Je voelt het kriebelen, dat heilige vuur van de taalpurist, en dus tik je hem met het spreekwoordelijke liniaal op de vingers.

“Van Eyck!!!” typ ik, met drie nijdige uitroeptekens, en denk er nog wat lelijke scheldwoorden bij. Normaal gesproken volgt dan een hele polemiek: de tegenpartij voelt zich beledigd, gaat in de tegenaanval, en verontschuldigt zich uiteindelijk halfslachtig voor de schrijffout.

Maar niet deze man. Lucien heet hij.

Lucien antwoordt gewoon: “Dankjewel.”

Ondertussen wordt mijn reactie veelvuldig geliked. Ik klik zijn profielfoto open. Een typisch Gents opaatje, met een paar pagadders op schoot die allemaal op hem lijken. En opeens voel ik me schuldig. Ik stel me een Lucien voor die altijd alles doet voor iedereen, zonder klagen. Een Lucien met een enorme levenslast onder zijn Tiroler hoedje. Iemand die op die Gentse groep misschien gewoon wat ‘wijze’ verhalen of gezelschap zocht.

Maar wat vindt hij daar?

Ik heb iets geleerd. Ge zijt van Gent als ge… in ’t vervolg uwe waffel houdt tegen brave mensche.

Period.

Zeemeermin

Er zijn ochtenden waarop de werkelijkheid kantelt.
Wanneer het licht zo bleek is dat alles trager beweegt —
de straat, de wielen, zelfs het denken.
En dan, midden in die traagheid, iets dat je blik vangt.

Ik heb vandaag een lijk gezien.
Het dreef op de vaart als een zeemeermin — deinend,
met de zachte slag van een zilverblauwe staart:
de lakens waarin een moord werd verpakt.

Doeken om gemaskerd te verdwijnen, willoos,
in het nieuwe water van storm Benjamin,
onder doodgebloed gebladerte,
tussen eenden die weldra migreren.

De meeuwen, nietsvermoedend, pikkend in een vis.
De wandelaars nog in de waan
dat de zeemeermin iets anders is:
sluikgebruikte vodden, iets losgerukt door dolle wind.

En dan, dreigend in de verte,
dat akelige lied van hysterische sirenes,
dat paniekerige, zwaaiend blauw
waaruit je weet: dit is het vredige einde
van een verhaal met een wreed begin.

Thuis hang ik mijn jas naast de kalender.
Oktober: maand van de laatste oogst, van eindes.
Maand van kijken vanaf de kade,
met roodloof in de mand, en grote lappen spek.

Rochehaut

Rochehaut is een dorp dat zichzelf erg serieus neemt. Het ligt daar een beetje hovaardig boven de Semois, alsof het persoonlijk verantwoordelijk is voor de uitvinding van het uitzicht.

Maar het heeft gelijk: je kunt er onmogelijk rondkijken zonder te denken ‘ja, dit moet ik onthouden’.

Het dorp zelf doet zijn best om authentiek te lijken: leisteen, een kerk die te klein is voor haar toren, straatjes die kronkelen alsof ze door de eerste mensen zelf getrokken zijn, op zoek naar een café met Orval.

In de ochtend stijgt er nevel op uit de vallei, een soort goddelijke rookmachine, waar af en toe een zilverreiger doorheen vliegt. Op de oevers de houten schuren waar tabak te drogen hangt. Alles ruisend, bruisend en krakend in de herfstzon. Elk detail een bescheiden handtekening van de Schepper zelf…

Ondertussen wandelen toeristen langs de promenade des champignons en doen alsof ze paddenstoelen ontdekken. Het zijn diezelfde paddenstoelen die de dag voordien al door anderen werden ontdekt, maar dat hindert niet: in Rochehaut mag elke vondst een eerste keer heten.

’s Avonds, als het burlen van de edelherten weerklinkt, kijken de bewoners elkaar plechtig aan: ‘oergevoel’, zeggen ze dan, alsof het een streekproduct is. Toeristen knikken begrijpend, maar denken ondertussen aan de volgende maaltijd: ragoût de gibier. Met frieten uiteraard.

En wanneer men van tafel gaat, en zich over de esplanade weer naar de hotelkamer begeeft, opent zich de hemel, verschijnen de sterren en wijst men omhoog. Iemand zegt dat ook die sterren ergens zonnen zijn met planeten errond.

Intussen vraag ik me af of er in die universa ook Rochehauts bestaan. Ik hoop van niet. Dit Rochehaut is perfect. Hier hield de wereld (naar mijn bescheiden mening) op met verbeteren.