Het is gecodeerd in onze cellen
– hoe we vijfendertig miljoen vroegers
uit de oceaan kwamen gegleden:
klein en glad, kieuwen trillend van de schok.
Met in vinnen ontluikende voeten.
Met een nieuw soort ledematen, behaard.
En een ruggengraat die zich ontvouwde
onder een bottengrot met drie pond vlees.
Doorspekt met honderd miljoen synapsen,
die nog steeds zingen van plezier, wanneer
ze worden aangeraakt, door de wildheid
van de wereld of iemands warme mond.
Terwijl de handelaren in silicium
en scripttaal, ons proberen te kneden
tot lichaamloze intellecten,
-opgesloten, verzwolgen in schermen-
herinnert het lijf zich de modder nog.