Ledeberg: een plek waar niemand iets te zoeken heeft, behalve zij die er werken of er een rijhuis hebben gekocht met een billijke lening. Of natuurlijk: zij die er geboren zijn en nooit iets anders hebben gekend. Die laatste categorie dunt uit, en met hen verdwijnt ook het Gents uit de Ledebergse straten. Maar ze zijn er nog, de natives. In onverwachte hoeken en kieren hoort men soms nog de keelschraap -r. ‘Juffrrrrouw, juffrrrrouw, ge verliest uwen handschoen,’ zegt de oude man op het bankje. Hij glimlacht met één nog trotse tand. Het bankje staat langs een bijzonder lelijk stuk steenweg. Niet dat er zoiets bestaat als een mooie steenweg, maar deze blinkt echt uit in lelijk- en mistroostigheid. Joost mag weten waarom de stad net daar haar banken neerzet. Ik bekijk hem nu beter: het lage fronshoofd, de rode karbonkelneus, het voorkomen van een Wolga-trekker. ‘Waarom zit u hiér, en niet daar?’ vraag ik. Hij volgt mijn vinger naar het nabijgelegen Keizerspark. ‘Omdat de mensen daar geen handschoenen verliezen. En omdat deze bank naast een fietsrek staat.’ Ik trek vragend mijn schouders op; ik begrijp het niet. ‘Dat slot vastdoen… of opendoen… dat duurt toch efkens?’ En hij zet zich schrap, als een maarschalk op een Stratego-bord, klaar om aan te klampen.