Uitzicht

Wat dit huurappartement betreft, kan men zich met enig recht beklagen. Er is geen lift —wat vooral opvalt wanneer men hem nodig heeft. Er is vocht, er is zwarte schimmel, en er zijn plafonds die zo laag hangen dat zelfs de gedachte eraan de rug doet krommen. De kamers zijn klein, de muren schuin, en de vloer is betegeld met een witheid die elke poging tot gezelligheid bij voorbaat ontmoedigt. Daarbovenop komt het onophoudelijke pantoffelgeschuifel van de bovenburen, dat zich voortplant met een eigen wil.

En toch. Het uitzicht.

Dat is van een orde waarvoor geen huurcommissie woorden heeft. Aan weerszijden is er water. Aan de voorkant ligt de ‘coupure’, bewaakt door platanen die zo oud zijn dat men vermoedt dat zij hier stonden nog vóór men wist wat men ermee aan moest. Zij hebben de molens gezien, de nijverheid, het bloed van het slachthuis dat zich zonder schaamte in het water mengde. De zwarte inkt van drukkerij Het Volk die aan de overzijde in grote gutsen werd geloosd. Het zijn bomen die weten.

Ik heb altijd gevonden dat platanen de meest geschikte straatbomen zijn. Zij doen geen moeite om vriendelijk te zijn. Reuzen, met breed uitwaaierende kruinen, die schaduw geven zoals alleen iets ouds dat kan. In de zomer werpen zij koelte in de huizen, en tegen de avond — op het glinsteruur — projecteren zij een spel van water en takken op de muren, een schouwspel waarvoor men gerust even mag gaan zitten. Dan zet ik het raam open, neem een koffie, en luister naar ‘Ombra mai fu’ van Händel, dat precies deze schaduw bezingt, alsof de componist ooit hier is langsgefietst.

Vanuit dat raam zie ik ook de houtduiven. Zij hebben de platanen opnieuw toegeëigend, met de vanzelfsprekendheid die alleen duiven zich kunnen veroorloven. Alsof zij hier altijd al woonden en wij slechts logees zijn, die elk moment kunnen vertrekken.

Een houtduif bouwt geen nest; zij suggereert er een. Enkele takjes, schuin tegen elkaar, meer een impressie dan een constructie. Wie goed kijkt, ziet er dwars doorheen. Toch is het voor haar voldoende. Dàt is wonen met uitzicht, lijkt zij te zeggen, al blijft het een raadsel waar dat vertrouwen vandaan komt. Elk jaar ligt er nog vóór het uitvliegen een kuiken op de grond. De natuur heeft nu eenmaal geen opzichter.

Verder koeren zij met een ernst die niet in verhouding staat tot hun daden. Het klinkt als intens beraad, maar het resultaat is meestal nihil. Af en toe wordt er een takje verlegd, een ingreep van vermoedelijk groot moreel belang, waarna men zwijgend tevreden is.

Wat mij het meest treft, is hun onverstoorbaarheid. Auto’s razen voorbij, een buurman telefoneert luidruchtig over een glasvezelkabel die niet doet wat men ervan verwacht, en een koerier levert knorrend onze punjab tandoori af. Het leven dendert. De houtduiven zitten. Zij zitten zonder deelname. Doen alsof. Dat kunnen zij voortreffelijk. Het zijn de ambtenaren onder de vogels.

Misschien is dat hun geheim. Zij streven niet naar beter, noch naar perfectie. Zij nestelen zich waar het uitkomt en noemen het thuis, zonder klacht of verzoekschrift. En elke ochtend, wanneer ik het raam open, zitten zij er nog steeds, alsof zij mij willen zeggen: maak het u niet moeilijker dan nodig.

Naschrift. Plataan komt, zo lees ik, van het Griekse platus, wat “breed” betekent. Zo kwam ook Plato aan zijn naam, naar men zegt, wegens zijn brede voorhoofd. Men ziet: zelfs de etymologie werkt hier mee aan het uitzicht. En dat alles zit natuurlijk verrekend in de huurprijs, al wordt het nergens vermeld. Maar alles afwegend moet men toch besluiten: het valt hier eigenlijk best mee.

Plaats een reactie