Midzomer

Midzomer. Mijn heidense natuur zou me nu het liefst op een steigertje aan de rand van een bos zien liggen, of op een zonovergoten heuveltop met zicht op de horizon. Maar ik zit voor de betraande ramen van de winkel waar ik werk, en waar ik de seizoenen vooral vanachter de toonbank beleef. De stad is gekleed in een vreemde stilte. De lyriek ontbreekt een beetje, maar het is een goede plek om na te denken. Het was een moeilijk jaar voor mij; een van persoonlijk en collectief verdriet. In bepaalde levensseizoenen wordt men tegen de grenzen van zijn wezen gedrukt, en uiteindelijk ook tegen die van het verstand. Het was een uitdaging om de uitgestrektheid, de weelderigheid en de complexiteit van nieuwe levenservaringen te snoeien tot één enkel blad van eenvoudig inzicht: kies bewust voor vreugde. Kies voor vreugde in een wereld die zwaar is van redenen voor verdriet. Te midden van het puin van mislukte plannen en doorprikte dromen: kies voor vreugde. Het is een kwestie van aandacht te besteden aan wat Hermann Hesse ‘Die kleine Freude’ noemde; de dunne draden waarvan we zo vaak onze eigen reddingslijnen moeten weven. De midzomerhemel is grijs, maar weegt wat mij betreft zoveel als blauwe lucht. Zo weinig korrels geluk, gemeten tegen zoveel donker, en toch blijft de weegschaal in balans. Het leven is goed, want alles wat ik heb, is wat ik ben, en wat ik mezelf wil geven.

Schilderij: The overgrown pond – Vasily Dmitrivich Polenov (1880)

Umbra

Verdriet is de schaduw

die liefde werpt

op het licht van verlies

Hoe groter de liefde

Hoe groter de schaduw

We tasten in het duister

Op zoek naar scherpe randen

om ons aan vast te klampen

Zoveel van wie we zijn

-en wie we moeten worden-

krijgt vorm in die umbrale schijn

Moed

Dit vers wordt aan de moed gewijd;

een spleet tussen de klinkers

waar nederig en schier verlegen

wat gras, wat mos of kruid gedijt

Het tiert er welig, zonder storen

Onopvallend, onbemerkt

Langs een gevel, hek of kademuur

In een donker hoekje, stil verloren

Biggenkruid en paardenbloemen

Heermoes, weegbree, zevenblad

Bosjes, trosjes, sprieten, stengels

Distels, netels, boterbloemen

Toch, volgens velen staat het niet:

een nette stad hoort grauw te zijn

en niet door onkruid opgesmukt

maar met een ruk of schaar gewied

Toch al wat weerstand krijgt, dat bloeit

En daar ligt juist de ware moed:

dat het kruid zich niet laat temmen

en stoutmoedig verder groeit

En plein air

Ik struin wat doelloos langs de kaai, kijk omhoog en denk: dat zijn wolken met dagboekkwaliteiten. Het sombere grijs is van een intieme schoonheid, en doet me denken aan Gothic romans en Schotse kastelen. Het mag regenen wat het wil, er blijft toch altijd nog een beetje mysterie in de wolken plakken. Ik ga even op een bolder zitten, en neem een pen uit mijn zak. Op de een of andere manier voel ik me wat Constable vandaag. En dan ineens die zwaluwen erbij; alsof ze me zagen zitten. Ik schets wat ik zie: niet veel, maar net genoeg om een blaadje te vullen met enkele eenvoudige woorden die me vrolijk stemmen. En dat is uiteindelijk wat Constable ook deed: de natuur schilderen in al haar bescheiden schoonheid, zonder haar te romantiseren of iets te overdrijven, en daar in stilte van genieten. In 1821 -exact tweehonderd jaar geleden- zat hij dus op een kruk, ergens in het Engelse platteland, net zoals ik hier nu op die bolder zit. Ik voel een bijzondere verbinding die tijd en ruimte overstijgt, en een onbeschrijflijke dankbaarheid ten aanzien van de lieftallige eenzaamheid die mij tot zulke goede dingen in staat stelt. Want dromen is goed. En bovendien een hele prestatie, op zo’n grauwe dag als deze.En ja, het mag dan misschien een beetje klef zijn om iets over wolken te schrijven, want daar is immers al zoveel over gezegd, maar denk dan eens aan Joni Mitchell: er zijn twee kanten om naar de wolken te kijken… and somehow we still don’t know clouds at all… Ik pen de laatste zin op het blaadje neer, en lach tevreden voor me uit: geschilderd met woorden, ‘en plein air’. Wat verlangt deze schrijfster nog meer?

Requiem

Soms komen ze binnen met de smoes ‘dat de hond hallo wilde zeggen’ of ‘dat ze geheel toevallig in de buurt waren’. Maar eenzaamheid kent geen toeval. En dan schaffen ze zich uit schuldgevoel en fatsoen een paar goedkope sokken aan, kwestie van het beoogde praatje toch maar af te kopen. Zo ging het ook met die ene oude dame, die een paar bonte sokken afrekende en me vroeg om er een pakje van te maken. Een cadeautje voor zichzelf, want ze had het naar eigen zeggen verdiend. Zoals mensen wel vaker doen, slaakte ze een zucht om de conversatie te starten. ‘Jaja…’ Ze was die ochtend nog eens naar een ouderwetse ‘begraving’ geweest. Geen crematie, maar een begrafenis zoals het hoorde: eerst de kerk, dan de grond in. Ondanks de covid-maatregelen had men er toch nog iets moois van gemaakt; de bloemen waren verzorgd en de pastoor had levendig gesproken. Iedereen was netjes in het zwart gekomen, en ze hadden tijdens de condoleance-file het Requiem Aeternam gespeeld. De dood presenteerde volgens haar nog altijd een beetje chiquer in het Latijn. Ik knikte minzaam en wond een lintje om haar pakje. ‘Elske was pas zesentachtig…’ zuchtte ze toen. ‘Dat is net zo oud als ik.’ Het was allemaal snel gegaan met die kwaaie ziekte waarvan ze de naam niet uitsprak. Maar ze troostte zich met het feit dat ze Elske nog was gaan groeten in het mortuarium, en het mens daar beter voor de dag was gekomen dan ze in jaren had gedaan. Om de sfeer niet te verpesten, liet ik persoonlijke anekdotiek achterwege en zei dat de sokken van zeer goede kwaliteit waren. Bamboe: praktisch onverslijtbaar. Haar mond sloeg in een bedenkelijke kronkel. ‘Wel, dan is de kans klein dat u mij hier nog terugziet, want veel tijd om de dingen te verslijten heb ik blijkbaar niet meer.’ Een klantenkaart hoefde niet. Ze nam het tasje aan, wenste mij nog een prettige dag en stiefelde naar de deur. Op kousenvoeten naar het Paradijs, en haar knieën kraakten al haar requiem.

Walpurgisnacht

Beltane, Walpurgisnacht; volgens natuurgodsdiensten het begin van de zomer. Op de avond van 30 april, net na zonsondergang, trokken jonge stellen het bos in om de liefde te bedrijven en zo de vruchtbaarheid in het bos te brengen. Daarna werden de Bel-vuren aangestoken om de gelijknamige god van het licht en de genezing te vieren. Toeval of niet, vandaag slaap ik voor de eerste keer in mijn nieuw appartement. Ik vind dat idee van licht en genezing wel toepasselijk. Mijn brandverzekering is net betaald, maar het vreugdevuur zal zich in dit geval beperken tot een theelichtje. De maan flonkert alvast mooi in de Visserijvaart, die ik zie vanop mijn kleine balkon. Volgens aloude volksverhalen zweven er vannacht heksen door de lucht. Ik zweef een beetje mee, en hoor niks anders dan mijn eigen, lichtjes zenuwachtige ademhaling. Wat zal dit nieuwe avontuur me brengen? Zal ik hier graag wonen? Zal ik hier gelukkig zijn? Wat gaat deze plek met me doen? Mijn buurman heet Joost, en die zal het misschien weten, maar voorlopig heb ik er het raden naar. Casanova verhuisde naar verluidt bijna honderd keer. Bij mij is het (slechts) de negende keer. Negen. Is dat geen heilig getal? Ik heb er een goed gevoel over… Zoveel magie in de lucht, dat kan gewoon geen toeval zijn.

Stille kracht

De eigenlijke taak

van de liefde en van taal

is eigenlijk niets meer

dan het eindeloos vernieuwen

van alles wat versleten klinkt

Ik-hou-van-u is dus niet meer

dan een felbegeerd contract;

een transactie van gemak

een eis van wederkerigheid

de vreemde interactie

van Ik en U, maar weinig Wij

die grenzeloos vernieuwt

in de taal van de limieten

Een smal kanaal van liefde

als de scheur in de muur

van Pyramus en Thisbe

Laat stilte daarom minnen zijn

en woorden al de rest…

Gand-la-Morte

Alleenrecht op de straten

Die zwijgen en toch praten

De kinderkopjes blinken

Voetstappen weerklinken

Schaduwspel van lijnen

Ze dansen en verdwijnen

Als slanke serpentines

Op de muren van ruïnes

Ze leren mij de taal, zowaar

Van solitaire wandelaar

Struinen langs de grachten

Niets om te verwachten

Een blokje rond, het hoekje om

Hoofd omlaag, de rug wat krom

Een hoed, een sjaal, een paraplu

Een mijmering, een pardessus

Nog even om het huizenblok

Want ver klinkt al de avondklok

De stad vertelt met luister

Zo stil en wreed, zo duister

Tekening: Jules De Bruycker

Kakkenheimer

Iets kopen op tweedehands.be brengt je naar de meest onwelriekende oksels van het Vlaanderenland. Kachtem… Ik had er nog nooit van gehoord. De naam komt van het Frankische ‘Kakkenheim’. Het ligt aan de Mandel, ergens tussen Duivelshoek en Kruipendaarde. Ik dacht spontaan aan Tolkien. West-Vlaanderen dus. Gelukkig vond ik een Chinese vrijwilliger die met mij het beoogde tafeltje wilde gaan ophalen. Vijfendertig euro voor ouderwets vakwerk? Dat is geen geld. En een mens moet soms wat moeite doen voor duurzaamheid.Kachtem ligt op een uur rijden van Gent, tussen de velden en de akkers, waar je nog van die lemen boerderijen vindt die vechten tegen tijd en memel. U weet wel, van die fermettes met witgekalkte bomen rond, en een aalput en rabarber in de tuin. ‘Te koop’ stond er bij een van die huisjes. Dat zou nog eens een idee zijn, dacht ik. Weg uit de stad, terug naar de natuur! Ik zou elke dag over iets anders kunnen schrijven: over de kleuren van een Kachtems onweer, bijvoorbeeld, het murmureren van de spreeuwen en de kruiden op de Mandeloever. Of over die heerlijke, onmiskenbare, authentieke strontgeur van ‘den buiten’. Een levenslange garantie. De Chinese vrijwilliger vond het een slecht idee. Een stadsmens wortelt niet in zandleem. Maar goed, ik hield het beeld over mijn simpele boerenleventje als ingeweken Kakkenheimer nog eventjes vast terwijl ik door de beloken raampjes van de bukhanka naar buiten keek. Wie weet. Ooit…De mensen die de tafel aanboden waren van die brave borsten die nog met twee woorden spreken; de pet op en de armen in de zij. Bij het demonteren van het meubel plofte er ineens een buidel op de grond. ‘Mien vrouwe neur hoed!’ riep de man verschrokken. Zo ging dat daar dus nog. Payconiq was geen optie. Ik betaalde veertig euro en zei dat hij de resterende vijf ‘hoedstukken’ mocht houden. Zoveel was dit Kachtems cursiefje mij wel waard…

Meisje in het rood

Er is weinig bekend over Geesje Kwak, het mysterieuze tienermeisje dat door de geschiedenis zou zijn vergeten als ze niet poseerde voor George Hendrik Breitner. Ze werd op 17 april 1877 geboren als Gezina Kwak in Zaandam, en verhuisde in 1893 naar Amsterdam. Ze werkte als naaister en verkoopster in een hoedenwinkel. Toevalligerwijs verhuisde Geesje naar de straat waar Breitners studio was. Hij merkte haar op, en al gauw begon ze voor hem te modelleren. Hun relatie was strikt professioneel en Breitner noteerde in zijn notitieboekje de precieze uren en duur van haar zittingen. Het feit dat Geesje een eenvoudig arbeidersmeisje was, prikkelde zijn gevoel voor sociaal bewustzijn. Hij betaalde haar na iedere zitting meteen uit, waardoor ze in staat was om zichzelf en haar familie van een beter leven te voorzien.Geesje, gehuld in een lange rode kimono met witte bloesems, liep rond in de studio of luierde met een Japanse pop op de divan. Soms ging ze voor de spiegel zitten terwijl Breitner haar schetste en fotografeerde. En het is maar goed dat hij dat deed, want in 1895 verhuisden Geesje en haar zus naar Zuid-Afrika, waar ze op amper tweeëntwintigjarige leeftijd stierf aan turberculose. De schoonheid van de vergankelijkheid; dat is wat Breitners schilderijen met Geesje voor mij symboliseren. Het is een treffende metafoor: de bloesems van de lente zijn delicaat en kortstondig, en je kunt ze maar beter bekijken voordat ze verdwijnen…