In saeculum saeculorum

‘We moeten profiteren, want het kan snel omslaan.’ Haar mond trekt profijtig samen en ze blikt argwanend omhoog, als iemand die ze daarboven aardig in de mot heeft. In feite kan dat overal op slaan, denk ik dan: liefde, veiligheid, gezondheid, geluk in het algemeen, maar ze had het over de eerste lente, met haar lage, warme zon die deugd doet tot diep onder het vel. Die mooie lente dus, niet die met haar geselende noorderwind van twaalf en meer beaufort, en nietsontziende hagelvlagen die klinken als een onaangekondigd spervuur. Op dat moment valt mijn oog op een verloren gewaaide krant. ‘Rusland houdt zich niet aan het staakt-het-vuren.’

De bus komt aan en ik stap op. Ik ga bij het raam zitten en houd mijn gezicht genietend ten hemel. Ondertussen luister ik naar het ‘in saeculum saeculorum’ van Vivaldi. Tegen mijn oogleden tekenen zich beelden uit het nieuws af.

Een oud mens heeft mij eens geleerd dat ik mijn handen elke dag naar de zon moet houden en ik dan honderd jaar zal worden. Ik stop ze wijselijk weer in mijn zakken. Honderd hoeft niet. Maar goed, het kan dus snel omslaan. Ik stap uit, de lucht overtrekt. Een striemende wind strijkt langs mijn wangen, alsof hij me toch wil harden voor de eeuwigheid, en giert dan door de nog kale, uitgeluchte bomen op de kaai. De hellehonden blaffen en ik mis alleen nog helm en speer om me als Walkure door deze vrieskou te weren. De winter strijdt zijn ragnarok, maar de sleedoorn bloeit al aardig. En wederom leert de natuur mij haar eenvoudige wetten: oorlog is voor eeuwig, de lente ook. In saecula saeculorum…

Schilderij: James Ensor – Ride of the Valkyries (1938)

Wu wei

We streven voortdurend naar succesverhalen, maar wat we absoluut niet kunnen, is toegeven dat we moe zijn en eigenlijk gewoon eens ‘niets’ willen doen. Niets, zoals in lezen op de bank, doelloos rondslenteren of luisteren naar muziek. En zodoende moeten we voortdurend onze spontane, fantasierijke en kwetsbare kanten onderdrukken.

Onderweg worden we vreemden voor zij die ons, los van onze rijkdom en status, graag zien. Terwijl we steeds meer afhankelijk zijn van de wispelturige aandacht van degenen voor wie we alleen maar de som van onze prestaties zijn. Familie ziet ons steeds minder, onze geliefden worden bitter, vrienden bellen niet meer op.

We kunnen een waslijst aan prestaties voorleggen, maar kunnen ons niet meer herinneren wanneer we voor het laatst de kans hadden om een dag niets te doen. Alles moet opbrengen.

We zijn zo diep gefixeerd op het idee dat ‘armoede’ het resultaat is van gebrek aan talent en kansen, en dus iets onvrijwilligs is. Maar wat we ons niet kunnen voorstellen is dat armoede het resultaat zou kunnen zijn van de vrije keuze van een intelligent en bekwaam persoon, gebaseerd op een rationele kosten-batenanalyse. Want het is oprecht mogelijk dat iemand besluit om die beter betaalde baan niét aan te nemen, géén nieuw boek te publiceren, géén hogere functie te zoeken. En niet omdat hij er geen kans toe had, maar omdat hij er bewust niet naar wil streven. En omdat hij bijvoorbeeld meer ziet in de rust, de spiritualiteit, de natuur en het helpen van zijn naasten dan in status, een drukke agenda en winst…

Formule

Ik ben in een deel van de stad waar ik als kind woonde, en loop langs het huis van een oude vriendin. Ik kijk omhoog naar wat vroeger haar slaapkamerraam was. Van buiten ziet alles er nog hetzelfde uit, al woont er nu iemand anders. Plots voel ik een verschroeiende nostalgie naar alles wat was en niet meer is. Het is moeilijk uit te leggen wat dat gevoel preciés is. In het Nederlands bestaat er eigenlijk geen woord voor. Het is ‘saudade’, een bitterzoet, melancholisch verlangen naar iets moois dat nu verdwenen is: een liefdesaffaire, een ouderlijk huis, een boom in een straat, een vriendschap. Later die dag probeer ik er een gedicht over te schrijven, maar heb moeite om de juiste woorden te vinden. Het is langdradig en pathetisch, en ik gooi het weg.

Het doet me nadenken over de relatie tussen emoties en taal. Zijn gevoelens onafhankelijk van woorden? Of zouden bepaalde gevoelens ons in wezen onbekend blijven moesten we er geen woord voor hebben om ze te herkennen? Dat taal verdiept en verheldert, is zeker. Het is de reden dat mensen schrijven, naar muziek luisteren, poëzie lezen. De juiste woorden helpen ons om onszelf te leren kennen; door toedoen van de taal kunnen we ons innerlijke leven nauwkeuriger definiëren. Goede taal doorbreekt vervreemding en isolement, en verbindt ons met die ‘verre’ andere.

Er zijn talloze woorden in vreemde talen die dat op een prachtige manier illustreren. ‘Razljubit’, bijvoorbeeld: het gevoel dat je koestert voor iemand waar je in het verleden van hield. Of ‘sarang’: het gevoel dat je tot de dood bij iemand wil blijven. ‘Gjensynsglede’: het plezierige gevoel dat je krijgt als je met iemand afspreekt die je in geen tijden hebt gezien. ‘Kilig’: de opwinding die je voelt wanneer je met een aantrekkelijk persoon praat. ‘Iktsuarpok’: Het gevoel van verlangen wanneer je op iemand wacht of wanneer iets te gebeuren staat.

Kortom, mooie woorden zijn vertegenwoordigers van de universele ziel, geleiders van liefde, juwelen die ons binnenste doen schitteren. En goede taal is, wat mij betreft, magie in zijn allerpuurste vorm, waar we zowel onszelf als de ander mee kunnen betoveren. Je moet enkel de formule kennen…

Giljom

In het achterland van Brugge

Leerde hij als knaap verplicht

Het ploegen van de akkers

Het dorsen van het rijpe graan

De oorsprong van de soorten

Marmerspin en stalmuursluiper

Vliegend hert en bosbesbij

En daarom, zelfs niet als kind,

Nam hij aan wat God hem zei

Want voor hem lag de extase

In nieuwsgierige verwondering

Hier en nu, en altijd weer

Een te zijn met alle dingen

Als een stil, passief genot

Met de nasmaak van de hemel

Een idee van eeuwig leven

Dat hij niet hoefde te krijgen

Omdat hij het al in zich had

Als kind leerde hij meer, zei hij,

Dan in de winters van zijn jaren

En als kind verliet hij vredig

Zijn doodsbed in de stad

Tot de laatste zucht indachtig

Marmerspin en stalmuursluiper

Vliegend hert en bosbesbij

Giljom, geen dunne ademwolk

In een zee van dode dingen

Maar een relatieve dood

In een Achterland dat trouw blijft

zingen

Schilderij: Ernst Ludwig Kirchner

Pleidooi voor het kleine leven

Het ligt in de natuur van de mens om voortdurend uitzonderlijke genoegens na te streven. We houden van het zeldzame, het exotische en onbekende dat ons moet verrassen. Waarom appreciëren wij kaviaar meer dan een spiegelei? Waarom appreciëren wij de violist op het podium meer dan die op de straathoek? Waarom focussen wij ons voortdurend op ‘grootste plannen’; verder reizen, een groter huis, meer carrière? Niet dat al die dingen verkeerd zijn, maar ongewild vertonen ze een venijnige en nutteloze vooringenomenheid tegen het goedkope, het gemakkelijk verkrijgbare, het gewone, het bekende en het kleinschalige.

Als iemand zegt dat hij op cruise is geweest naar de Caraïben gaan we er automatisch van uit dat hij het beter heeft gehad dan iemand die naar het plaatselijke park is gefietst. We stellen ons voor dat een bezoek aan Rome altijd leuker zal zijn dan het lezen van een boek in de achtertuin. Een restaurantdiner met ‘plat fruit de mer’ klinkt een stuk indrukwekkender dan een kom soep bij ons thuis. Een weekend in de wellness klinkt zoveel beter dan een paar minuten naar een bewolkte lucht kijken. En het voelt vreemd om aan te nemen dat een bescheiden vaas met tulpen dezelfde voldoening kan geven als een schilderij van Van Gogh.

Plezier is iets paradoxaals en iets opmerkelijk kwetsbaars. Een ruzie kan een luxeverblijf op een tropisch eiland teniet doen, en alleen in een vijfsterren-restaurant dineren biedt geen soelaas aan eenzaamheid. Een waar plezier kan heel eenvoudig lijken – een appel eten, een bad nemen, fluisteren in bed, praten met een grootouder, oude foto’s doorbladeren – en het toch allesbehalve zijn. Het is frappant hoeveel goede dingen wij op een oneerlijke manier verwaarlozen. Een klein genoegen is geen aanslag op de ambitie, maar een groot genoegen ‘in wacht’; iets dat nog niet de collectieve erkenning heeft gekregen die het verdient. Een rusteloos leven lijkt vaak een succesvol leven, en niets mag té lang goed genoeg zijn. Maar door onszelf zo bezig te houden met die onbereikbare uitmuntendheid, zien we de meer bescheiden genoegens, dichter bij huis, vaak over het hoofd. En dat is jammer.

Had ik een goed voornemen voor 2022? Wel ja, dat dus, die kleine dingen… Ik wens ze u van harte!

Kerst

Straks schuift ge uw voeten onder de feestdis en kijkt ge om u heen: een decor van lichtjes, slingers en sprankelende fluitjesglazen. Ge probeert de dingen door een kinderbril te bekijken, in de hoop de magie en het wonder van vage herinneringen te heroveren. Een beetje tevergeefs. Aan de overkant zit moeder, die alweer een jaartje ouder is. En ge denkt aan de mensen die er niet meer bij zijn en ge voelt een tedere ontoereikendheid. Om het leed wat te verzachten schenkt ge uzelf nog een glas in, en ge trekt u op aan vaders laatste Druivelaarsmoppen. Maar toch…“De mensen die in duisternis wandelden, hebben een groot licht gezien; degenen die in het land van de schaduw van de dood woonden, op hen is vandaag het licht geschenen.” Zo staat het in de Bijbel. En het is schoon, want het is waar. In al dat kerstlicht zien we eens temeer de duisternis; het gemis, de teleurstelling, het nimmer van de dingen. In dat besef heft ge echter dankbaar het glas en wenst ge elkaar uw allerbeste wensen. En de anderen lachen naar u weer, en knikken vol van blijdschap. De liefde van vandaag: een herinnering voor morgen.Niet tegenstaande alles: fijne kerst iedereen

Schilderij: Mystical Nativity- Sandro Botticelli (1501)

Maaltijdseks

Aan de overkant van mijn straat is er een overdekte boerenmarkt waar ik tegenwoordig graag mijn boodschappen doe. Het is een lust voor het oog om al die verschillende, veelal vergeten groenten in hun kribbetjes te zien liggen; koolrabi’s, aardperen, warmoes, savooien, kardoen… Het zijn mooie groenten met mooie namen. Maar let op, de smaak kan nogal tegenvallen. Deze maand stonden de rapen en de kolen in de aanbieding. Daar heb ik laatst eens ‘Russische soep’ of ‘shchi’ van gemaakt. Smaak en kleurmodaliteit waren hetzelfde: grauw. Iets dat aan de buitenwijken van Leningrad deed denken, of aan de moeilijkste dagen in de frontlinies achter de IJzer. Met wat kampernoelies erin viel het wel mee, maar als je iemand legaal wilt uithongeren: die soep is de manier.Een voordeel van die boerenmarkt is wel dat je er alles met maaltijdcheques kunt betalen. Nog zoiets dat mij aan de oorlog doet denken. Toen vonden ze ook van alles uit waar je zogezegd gratis recht op had. Maar goed, het voelt niet aan alsof je er écht voor betaalt. En dat brengt me bij de volgende amusante, edoch ietwat ongemakkelijke anekdote. Zo stond ik deze week aan de kassa met een hele kilo winterpenen. Van die grote, dikke waarvan je spontaan ‘ho-hooo!’ zegt. Zo groot dus.De Gentse kassier woog ze, deed ze in een doos en vroeg dan een beetje lispelend:‘Maaltijdseks?’‘Ooh ja!’ riep ik verrukt, het gratis-idee indachtig.En beiden blikten we die penen aan. De monkel op zijn gezicht liet niks aan de verbeelding over. Ik blijf voorlopig even weg. Er zit nog Russische soep in de diepvries. Véél!

Relatief…

‘Weet ge wat het voordeel van dít virus is? Dat ge er geen pillen voor moet pakken die ge niet met alcool moogt combineren.’Ik herkende hem aan zijn stem. Het was mijn oude buurman; een gepensioneerde schrijnwerker met wat zagemeel in de keel, bij wie ik als baby nog met blote billen op de canapé had gelegen. Maar hij herkende mij niet, zelfs niet aan mijn billen. De mannen aan de toog lachten even, dronken eens van hun glas, verzetten dan een voet of een steunbeen, en kruisten de armen eens andersom.Buiten regende het een miezerige, mistroostige regen. Zo van ik wil wel maar ik kan niet. En allemaal dachten zij hetzelfde: België is een schoon land, alleen spijtig dat ge het niet kunt overdekken. ‘Motregen…’ zei mijn buurman alsof het woord naar stront met zeepsop smaakte. ‘Het maakt er alles toch niet vrolijker op. Wij dachten dat het ging stoppen bij het ozongat van de spuitbussen, maar ik denk dat we het laatste nog niet hebben gezien.’Hij nam de krant op het tafeltje naast hem en begon erin te bladeren om er een aardige collectie moderne rampen uit te cureren: de pandemie, oorlogen, bomaanslagen, mutaties, isolatiekampen, het verdwijnen van bakkers, slagers en diersoorten, het smelten van de ijskappen en het stijgen van de zeespiegel. ‘Allé, het valt nog mee vandaag,’ zei hij. ‘De verkeersongevallen hebben ze voor het weekend gehouden. De anderen bewonderden mijn buurman zijn relativeringstalent. Het was fijn dat er nog mensen waren die positief durfden denken en daar nog argumenten voor vonden ook…

Nutswerken

De stad voert nutswerken uit. Een donkere put met een donkere man erin. Hij steekt de spade met bruut geweld in de grond alsof hij zijn eigen graf aan het delven is. Het vuil kruipt overal, zelfs onder zijn vel. Vanuit de schaduw blikt hij op naar de weke herfstzon. De goede daden aan het westelijk front zijn in zijn gezicht ontploft. Tussen zijn rimpels hangt desillusie en vermoeidheid. Toch, in zijn fluitconcert is nog wat moed te horen. Het is ironisch: doe hem een pak aan en hij lijkt een beetje op Sean Connery, maar in die fluogele werkkiel is hij niemand. Het veld van eer is verworden tot een stinkend moddergat. Maar de afdaling is essentieel. De hypotheek loopt, zijn kinderen willen studeren en zijn vrouw heeft nieuwe knieën nodig.De waardigheid van de arbeid… Er valt iets voor te zeggen. Ze zal niet weerkeren op de nobele manier zoals ze ooit aan ons werd gepresenteerd door moedige idealisten. Wie vandaag nog met spierkracht werkt, tot hij oud en grijs en krom is, is geen held meer maar een sukkelaar. Zo goedkoop dat zelfs machines zijn arbeid niet voor minder geld kunnen verrichten. Maar het lot heeft gesproken: er bestaat geen alternatief.Langs zijn kalende kruin passeert nu een glunder meisje met een stel mooie benen. ‘Men are toxic-’, zegt haar trui. Ze kijkt laatdunkend in de put, vermijdt de modder en steekt de straat over. Onze man fluit deze mooie benen wijselijk niet na, maar buigt zich nederig in het zwarte gat en spit naarstig verder, de knieën van zijn vrouw indachtig…

In Oostende

De trein vaart langs de vroege herfst

Polders, duinen, korenvelden…

In de verte piekt zo nu en dan

een hijskraan of een kerkje

In het station een va-et-vient

van begerige bezoekers

Sint Paulus beiert lustig en

de meeuwen hebben honger

Een haring op de Visserskaai

Genieten van de lelijkheid

van de zeedijk, bonte stoet,

dat bedlam vol stompzinnigheid

De dagtoerist is koning,

al de rest gefopt.

Wie meer wil, moet de stad in

En bezoekt misschien het Manuscript

of jazzbar Lafayette

met haar bohemiens en dronkaards,

schooiers, schippers, kunstenaars

De schim van Marvin Gaye

Een meisje met een wipneus

Een vrouw met blauwe sjaal

Daar hoog wolkt wat weemoedigheid

zoals de laatste reis

van een moe gevaren oorlogsschip

Nog gauw een korte wandeling

langs die ouwe gaanderijen

waar de zee altijd verschijnt

als een marine van pastel

De koetsen zijn verdwenen

Ook geen grote hoeden meer

Slechts wansmaak en satire

in de schemer van een rode zon

Tiktok, hiphop, baseballpetjes

en elektro-sigaretten

Een windstoot en een duizeling…

De nacht valt in de haven

De laatste boot vaart uit

naar het grijze Fort Napoleon

De carrousel draait nog een rondje

voor de paardjes weer gaan slapen

De maskers worden afgezet

en Oostende ruist weer rustig voort

zoals de Noordzee haar heeft voorgeleefd