Aurora

“Een vriendin is ziek, en ligt op de bank te slapen. Ze is een schilderij; het hoofd en de nek gestrekt, haar linkerhand elegant op haar middel gelegd, haar bleke voetjes naar binnen, over elkaar gekruist. Ze is tijdloos, maar ze weet het niet.

In de rechterhoek de televisie, zonder geluid; de lelijke oorlog, revoluties, omwentelingen. Mijn slapende vriendin lijkt buiten die wereld te bestaan. Aurora in haar toren, een wereld op zich; de ogen gesloten, hoort niet wat er gebeurt. Droomt ze van betere dagen? Een geheime extase? Het leven-dat-zou-kunnen-zijn?

Haar scharlaken sjaal contrasteert met het donkerblauw van de fluwelen divan. Nooit eerder heb ik het geweld zo mooi tegen de vrede zien contrasteren. Een stukje van haar hals is bloot gebleven. Wat zou er kunnen landen? Een kusje, misschien…

Ze slaapt onder de koorts, onder het ritmische geklop van haar hart, onder die pompende, zachtgroene ader, onder korte kreten van welbehagen, onder de tederblauwe blik, van iemand die het kleinste heeft gezien.

De winterse middag tikt verder de avond in. Ik maak thee in de keuken, aai de kat, maak ook een kop voor haar. Wanneer ik terugkom, is ze wakker, en zegt ze: ‘jij bent hier.” Ik knik en zet de mok neer, bedek haar met een deken, en “Ik kom nog wel eens terug…”

– Fragment uit een oud dagboek

Plaats een reactie