Er zijn ochtenden waarop de werkelijkheid kantelt.
Wanneer het licht zo bleek is dat alles trager beweegt —
de straat, de wielen, zelfs het denken.
En dan, midden in die traagheid, iets dat je blik vangt.
Ik heb vandaag een lijk gezien.
Het dreef op de vaart als een zeemeermin — deinend,
met de zachte slag van een zilverblauwe staart:
de lakens waarin een moord werd verpakt.
Doeken om gemaskerd te verdwijnen, willoos,
in het nieuwe water van storm Benjamin,
onder doodgebloed gebladerte,
tussen eenden die weldra migreren.
De meeuwen, nietsvermoedend, pikkend in een vis.
De wandelaars nog in de waan
dat de zeemeermin iets anders is:
sluikgebruikte vodden, iets losgerukt door dolle wind.
En dan, dreigend in de verte,
dat akelige lied van hysterische sirenes,
dat paniekerige, zwaaiend blauw
waaruit je weet: dit is het vredige einde
van een verhaal met een wreed begin.
Thuis hang ik mijn jas naast de kalender.
Oktober: maand van de laatste oogst, van eindes.
Maand van kijken vanaf de kade,
met roodloof in de mand, en grote lappen spek.
Prachtig, mooi!
Ik werd er helemaal stil van mijn gedicht Sarah.
LikeLike