Kalenderwinters

In ons ouderlijk huis hing er altijd zo’n typische draaikalender met sfeerfoto’s aan de muur. Dat was in de tijd dat de seizoenen nog klopten en de belofte van sneeuw werd nagekomen. Echte sneeuw is iets van vroeger, iets wat we nog eens tegenkomen op Vlaamse schilderijen, of in verzen van Gezelle: “Duister wordt de lucht en ’t jagen: sneeuw-, weêrom, en vlokkenvlagen…” Dat heb ik nog op school geleerd. Deze morgen stelde ik me tevreden met dat dunne laagje rijp dat op de daken lag. Het was in ieder geval voldoende om thermisch ondergoed aan te trekken en een poëtische impressie in mij los te weken. Ik deed mijn schaapsleren jas aan, zette mijn wollen muts op, en zong terwijl nog eens dat aandoenlijke liedje van Jan De Wilde. Buiten was het koud, maar niet zoals destijds.Het idee van eerste sneeuw voerde mij terug naar Machelen-aan-de-Leie en het boerenhof van mijn grootouders, waar ik in de winters van mijn jeugd heel wat eenzame uren heb gesleten. Het waren van die winters die aan het hart blijven kleven. Ik herinner me nog de witte, uitgestrekte weiden met haar houtskoolkleurige knotwilgen. De kraaien in de dode maïsvelden, de schapen op stal, de hooioppers onder ‘t zeil, de populieren langs de wal. Ik en mijzelf, en verder geen mens, slechts dat sonore gekraak van sneeuw onder de zolen. Een voetstappenspoor, als een scheef gestikte naad in een witte lap velour. En een blik achterom, naar het beloken raam van de fermette, waar mijn grootvader met gekruiste armen stond toe te kijken of ik toch zeker niet verder ging dan de ‘piekendraad’ van Monneke Kloef. Hinkelen naar de horizon, in een lang en mager schaduwlijf, tussen zondoorsmolten plekken in het sneeuwtapijt, tot de vrieskou verdampte en moe riep dat de soep klaar was. De geur van spekvet en savooien… Nee, van die kalenderwinters, die maken ze niet meer. Schilderij: Valerius De Saedeleer

Ukiyo-e

Toekomstige liefde bestaat niet

Dat is een van de paradoxale eisen

die het lot ons stelt

Wie vandaag geen liefde toont

krijgt er morgen ook geen

Niks behoort ons toe

en niks zal ons bezitten

Het universum

geeft ons liefde in bruikleen;

leent ons slechts voor even

de dingen die we meest verlangen

Het zijn bloesems aan de takken

van een vlietende wereld

Alles waait voorbij en niks

strekt zich uit tot in de eeuwigheid

Het geluk ligt in het achterblijven

met de onherroepelijke blijheid

dat iets gekomen is

en ons bezield heeft

voor de tijd dat het dat deed

Geneviève

Er zijn zo van die mensen die je niet echt kent, maar op termijn wel kunt gaan missen. Het zijn de stille figuranten in de film van ons leven; ze zijn aanwezig zonder deel te nemen.Zo is het bijvoorbeeld lang geleden dat ik de dame met het maltezertje nog eens zag. In mijn hoofd heette dat vrouwtje Geneviève. Geneviève, ja, dat paste bij haar. Ze zag eruit als zo’n Parijse absintdrinkster op Montmartre; met een lang en uitgemergeld gezicht, donker omwalde ogen, en buiten de lijntjes gestifte lippen. Haar mond had de kleur van verlangen, haar wangen die van lang verloren lust. Haar figuur sprak honger en ontbering, en in haar kleren hing de geur van tweedehands en vervlogen ‘Eau de Soir’. Om haar hoofd droeg ze altijd een zijden sjaaltje, zoals Grace Kelly. Grace… een naam die haar zo niet nog beter had gepast. Want van alle dingen die ze verloren was, had ze haar gratie toch behouden. Ik bewonderde dat brave mens…Nu is het lang geleden dat ik haar heb gezien en ik vraag me af of ze nog leeft. Het is dat soort mensen dat van de wereld gaat zonder storen. Ik zag haar altijd aan de Muidebrug, of op tram 4 richting Rabot. “Elle veut toujours dire bonjour…’, zei ze dan over het hondje, dat in de krul van haar arm lag te slapen. En dan knikten de mensen minzaam, met een opgetrokken mondhoek, om na een kort woord tot die hond meteen het hoofd weer weg te draaien. Geneviève was deel van het decor, werd keurig genegeerd en vriendelijk verstoten, hoewel zij misschien de enige kleurrijke figuur was in een tram vol dode zielen. Wat moet ze die maltezer gehaat hebben, voor wie de wrede mensen toch altijd zo aanminnig waren…

Volle maan

De volle maan doet altijd wel ergens aan denken. Ik geloof er niet echt in dat we er ‘dol van worden’ of ‘goesting van krijgen’, maar dat het mysterieuze schijnsel iets in de mens losweekt, valt niet te ontkennen. Laatst bracht iemand dat liedje ‘Satelliet Suzy’ van Noordkaap nog eens op. ‘Satelliet Suzy, telkens als ik u zie, schijnt jouw licht over mijn planeet. Hoe hoger je staat, hoe mooier je heet. Oh, Suzy…’ De maan is de satelliet van de aarde, dus als ik de maan een naam zou moeten geven, zou ik haar Suzy noemen. Maar goed, er bestaan al heel wat namen voor de maan. Nechbet, Nanna, Hubal, Luna of Selene; in alle tijden en culturen werd ze bezongen. In de 17de eeuw hebben de Algonquin-indianen (of omamiwininiwak) alle volle manen van het jaar een naam gegeven, telkens gerelateerd aan het seizoen of een gebeurtenissen van de betreffende maand op het Noordelijk halfrond. Die namen, die door de kolonisten werden overgenomen, worden vandaag de dag nog steeds gebruikt. Zo spreekt men bijvoorbeeld van de wolfmaan, de sneeuwmaan of de rozenmaan. Vandaag is nogal bewolkt, maar achter de bleke nevelsluiers zit de bevermaan verscholen. Bevers zijn in november druk bezig met het bouwen van dammen. Het ideale moment dus voor de omamiwininiwak om ze te vangen en er mutsen van te maken. Of sloefen. Op ons is dit natuurlijk niet van toepassing, en daarom eigenlijk volstrekt oninteressant. Tenzij u natuurlijk een schrijver bent, of bevers aan de vrouwelijke cyclus weet te linken. Ik hoor gelukkig bij die eerste categorie… Hoe dan ook, de (volle) maan is een artistieke muze die de mens al eeuwen intrigeert en inspireert. Ik denk dat we haar graag aangrijpen tegen de voortdurende onttovering van het ondermaanse. Mythes, sprookjes en legenden: we hebben ze nodig om wat magie de wereld in te sturen. Geen heksen en weerwolven vanavond, maar er blaft hier wel ergens een hond die – toevallig of niet – Luna heet. Maak er nog een spannende, hete of spirituele avond van 😉

Masereel

Een korte wandeling door het Patershol. Hier, in een van deze kleine huisjes, leerde Frans Masereel etsen bij de non-conformistische kunstenaar Jules De Bruycker, en werd hij door zijn leermeester verschillende keren mooi geportretteerd. Het kost mij geen moeite om hun schimmen door een van de beloken vensterraampjes te zien…Masereel volgde tekenlessen, typografie en boekdrukkunst in Gent. In 1908 ontsnapt hij aan de dienstplicht door zich vrij te loten, en vlucht met zijn vrouw naar Parijs. Na een periode van patriotisme en nationalisme komt Masereel tot nieuwe inzichten en verhuist hij naar Zwitserland, waar hij verschillende rotbaantjes aanneemt om te overleven. Langzamerhand ontpopt hij zich echter tot dé illustrator van pacifistische bladen. Zijn tekeningen worden striemende aanklachten tegen de vele oorlogsslachtoffers en het ongebreidelde geweld tegen onschuldige mensen. De hunkering naar vrijheid van het individu, en de aanklacht tegen uitbuiting en onderdrukking van de gewone man zijn thema’s die hem nooit meer zullen loslaten. Er volgt een reeks symbolistische beeldromans waarin hij telkens opnieuw de sociale wantoestanden van die tijd aan de kaak stelt. In 1920 publiceert Masereel mijn favoriete beeldroman, L’Idée; een ode aan de vrije gedachte die zich op geen enkele manier laat knechten. De Idee wordt uitgebeeld als een naakte vrouw (de naakte waarheid) die achtervolgd wordt door de politie, de kerk, de burgerij en het gerecht, maar overleeft en de heksenjacht overwint. Masereel wordt uiteindelijk een gevierd kunstenaar die samenwerkt met o.a. Oscar Wilde, Ernest Hemingway, Victor Hugo, Emile Zola, Tolstoj en Maurice Maeterlinck.”Wanneer alles ten gronde zou gaan; alle boeken, monumenten, foto’s en verslagen, en slechts de houtsneden van Masereel bleven gespaard, dan zou men alleen daaruit onze hele hedendaagse wereld kunnen reconstrueren”, zei Stefan Zweig over het werk van zijn goede vriend die (wat mij betreft) nog steeds actueel is…

Ophelia, het berkenblad

Ik drijf onder de kale kruinen
van stormdoorvlaagde eiken,
langs zij die op de kades struinen
en nog even naar mij kijken;
Mijn amber is verbleekt
Mijn scharlakenrood verdropen
Mijn okergeel verweekt
Mijn groenen uitgelopen
Ik ben het bruine berkenblad;
dwarrel neer op de rivier,
op het zilverwater dat
mij wegvoert, ver van hier
Zo zal ik stil verdwijnen
om nooit nog af te meren,
in het water weg te deinen
en nimmer weer te keren…

Nocturne

Rear window in real life

Miss Torso en Miss Lonelyhearts;

twee poedels op een klein balkon

Een schaduw sloft gebogen

in clair obscur van links naar rechts

Voor het raam ontspint zich traag

een stomme film van zwart en grijs,

en vijftig tinten gloeilampgeel

Blokjes boven blokjes

Hokjes boven hokjes

Levens in een kruiswoordraadsel

In een Rubik’s kubus van beton

De postmoderne metropool:

mega, maar toch magisch

City lights en Hopper

en vreemde saxofoonmuziek

Sirenes overstemmen soms

de nocturnes van Satie

Echo’s klinken hoog en laag

als woeste oreaden

De maan werpt door de nevel

haar mooiste Mona Lisa lach

en danst met zeven wolkensluiers

haar bleke schijnsel bloot

Zo nu en dan zie ik de sterren

van wandelsigaretten

Een trage mars of snelle stap

van zwarte silhouetten

Man met hond of hond met man

Een eenzaat vindt wat warmte

in de zakken van zijn oude jas

Met aan zijn linkerarm

het spook van oude liefde

Kappen op en kragen recht

Blikken op oneindig,

neuzen naar de grond gericht…

Als een dief steel ik de woorden

die de schone nacht mij stil verdicht

Collage-poëzie

Een creatieve geest verveelt zich nooit. Vandaag op het programma: appelstrudels bakken en collage-poëzie. Ik zou u graag in dat plezier laten delen, maar helaas, tante Corona is al met de beste brokken weg. Verbeeldt u maar gewoon de geur van appels met kaneel en een ouderwets kopje koffie van verse bonen. Ge riekt het al, ik voel het…

Wat de collage-poëzie betreft: het is een interessante oefening die begint bij de aanschaf van een drietal kranten. Van de Jommekeskrant tot ’t Pallieterke: alles is mogelijk. Hoe breder u kiest, des te interessanter het wordt. Buitenlandse dagbladen zijn toegestaan, maar opgelet: in Rusland gebruiken ze nog giftige inkt. Voor Kerk en Leven geldt hetzelfde.

Ga eventueel met bril en loep aan de slag. Overschouw nu minutieus iedere letter, van kop tot colofon, en noteer de woorden of zinnen die u interessant vindt. Schrijf ze in willekeurige volgorde neer. Puzzelen is voor later. Knippen en plakken mag, maar dat is een gedoe. Met een pen komt u al ver. Voor alle duidelijkheid: valsspelen is verboden. U moet zich houden aan wat u ziet. Geen paniek, het is niet moeilijk. U zal merken dat uw associatief vermogen meteen wordt aangesproken. Zo leiden “Vrouw vindt frikandel” en “Wie emancipeert de penis” in een mum van tijd tot een bijzonder boeiende stanze… De krant lezen was nooit zo spannend.

Ps: Was op tijd en stond uw handen. De Russen zijn nooit veraf…

Pss: ’t Pallieterke “Streekkrant voor mensen met een goed hart en een slecht karakter”. Ziet ge? Dat op zich is toch al een strofe waard?

Trance de vie

‘Ge moet niet over liefde schrijven

want gij kent er toch niks van…’

Zo sprak een oude man vandaag

die ik toevallig tegenkwam

‘Zesenveertig jaar…’ zo zuchtte hij verveeld,

‘ben ik blind en doof en stom…

En nochtans getrouwd uit liefde

maar ik vraag mij af waarom.

”Het huwelijk? Dat is een graf!’

Met opgeheven hand zei hij:

‘Ge blijft het best alleen, mijn kind,

Neem het aan van mij!’

En plots klonk er een belsignaal

Het was zijn telefoon

‘Jawel, mijn duifje, zo meteen…’,

sprak hij op zachte toon

‘Ik kom eraan, ben bijna thuis,

Ik weet het, ja, ge wacht erop…’

Quod erat demonstrandum.

En hij haalde kort zijn schouders op

De oude man, zo wijs en grijs,

nam afscheid met een gulle knik

maar wees mij met zijn vinger aan

en keek mij aan met scherpe blik

‘De liefde is een wandeling’,

dat riep hij mij nog stellig toe

‘Ge begint eraan met volle moed,

maar aan ‘t einde zijt ge moe.’

Le devin du village

Ik heb nog nooit zoveel tijd voor het raam doorgebracht. En ik besef dat ik de komende weken nog heel vaak voor dit raam zal zitten. In de verte zie ik de karmozijnen en amberkleurige kruinen van de bomen. Ze vertellen mij hoe mooi het kan zijn om dingen los te laten. Boven mij sluimeren Engelse wolken en in de verte vind ik een nevelige horizon, waartegen zich kartelend en piekend de stad aftekent. Daartussen stuiptrekt het leven – en god weet voor hoe lang -, maar ik geloof erin dat er grote hoop in kleine dingen schuilt. Die bomen, die wolken, die horizon; zelfs in grauwe tijden behouden sommige dingen hun kleur.

Op de radio speelt ‘Le devin du village’, een stuk dat gecomponeerd werd door Jean-Jacques Rousseau en voor het eerst werd opgevoerd in 1753 aan het hof van Fontainebleau. Later diende het als huwelijksstuk voor Louis Seize en Marie-Antoinette. Omdat visualisatie een krachtig medium is waar wij volgens grote smurf te weinig gebruik van maken, construeer ik in het grijs van de onweerslucht een balzaal van blinkend bladgoud en flonkerend kaarslicht. Ik zie de kroonluchters en de guirlandes, de hoepelrokken en de pruiken, en Rousseau die zegt dat onwetendheid nog nooit kwaad heeft gedaan. Wat zou ik dat graag willen geloven… Ik had een schriftje en een handvol goede ideeën naast me liggen, maar zolang het klaar is buiten mag de muziek mij haar verhaal vertellen. Ik zwijg, vlucht in die kleine, hoopvolle dingen, en dans in het kaarslicht van Fontainebleau. Meer heb ik vanavond echt niet nodig.