Kerst

Straks schuift ge uw voeten onder de feestdis en kijkt ge om u heen: een decor van lichtjes, slingers en sprankelende fluitjesglazen. Ge probeert de dingen door een kinderbril te bekijken, in de hoop de magie en het wonder van vage herinneringen te heroveren. Een beetje tevergeefs. Aan de overkant zit moeder, die alweer een jaartje ouder is. En ge denkt aan de mensen die er niet meer bij zijn en ge voelt een tedere ontoereikendheid. Om het leed wat te verzachten schenkt ge uzelf nog een glas in, en ge trekt u op aan vaders laatste Druivelaarsmoppen. Maar toch…“De mensen die in duisternis wandelden, hebben een groot licht gezien; degenen die in het land van de schaduw van de dood woonden, op hen is vandaag het licht geschenen.” Zo staat het in de Bijbel. En het is schoon, want het is waar. In al dat kerstlicht zien we eens temeer de duisternis; het gemis, de teleurstelling, het nimmer van de dingen. In dat besef heft ge echter dankbaar het glas en wenst ge elkaar uw allerbeste wensen. En de anderen lachen naar u weer, en knikken vol van blijdschap. De liefde van vandaag: een herinnering voor morgen.Niet tegenstaande alles: fijne kerst iedereen

Schilderij: Mystical Nativity- Sandro Botticelli (1501)

Maaltijdseks

Aan de overkant van mijn straat is er een overdekte boerenmarkt waar ik tegenwoordig graag mijn boodschappen doe. Het is een lust voor het oog om al die verschillende, veelal vergeten groenten in hun kribbetjes te zien liggen; koolrabi’s, aardperen, warmoes, savooien, kardoen… Het zijn mooie groenten met mooie namen. Maar let op, de smaak kan nogal tegenvallen. Deze maand stonden de rapen en de kolen in de aanbieding. Daar heb ik laatst eens ‘Russische soep’ of ‘shchi’ van gemaakt. Smaak en kleurmodaliteit waren hetzelfde: grauw. Iets dat aan de buitenwijken van Leningrad deed denken, of aan de moeilijkste dagen in de frontlinies achter de IJzer. Met wat kampernoelies erin viel het wel mee, maar als je iemand legaal wilt uithongeren: die soep is de manier.Een voordeel van die boerenmarkt is wel dat je er alles met maaltijdcheques kunt betalen. Nog zoiets dat mij aan de oorlog doet denken. Toen vonden ze ook van alles uit waar je zogezegd gratis recht op had. Maar goed, het voelt niet aan alsof je er écht voor betaalt. En dat brengt me bij de volgende amusante, edoch ietwat ongemakkelijke anekdote. Zo stond ik deze week aan de kassa met een hele kilo winterpenen. Van die grote, dikke waarvan je spontaan ‘ho-hooo!’ zegt. Zo groot dus.De Gentse kassier woog ze, deed ze in een doos en vroeg dan een beetje lispelend:‘Maaltijdseks?’‘Ooh ja!’ riep ik verrukt, het gratis-idee indachtig.En beiden blikten we die penen aan. De monkel op zijn gezicht liet niks aan de verbeelding over. Ik blijf voorlopig even weg. Er zit nog Russische soep in de diepvries. Véél!

Relatief…

‘Weet ge wat het voordeel van dít virus is? Dat ge er geen pillen voor moet pakken die ge niet met alcool moogt combineren.’Ik herkende hem aan zijn stem. Het was mijn oude buurman; een gepensioneerde schrijnwerker met wat zagemeel in de keel, bij wie ik als baby nog met blote billen op de canapé had gelegen. Maar hij herkende mij niet, zelfs niet aan mijn billen. De mannen aan de toog lachten even, dronken eens van hun glas, verzetten dan een voet of een steunbeen, en kruisten de armen eens andersom.Buiten regende het een miezerige, mistroostige regen. Zo van ik wil wel maar ik kan niet. En allemaal dachten zij hetzelfde: België is een schoon land, alleen spijtig dat ge het niet kunt overdekken. ‘Motregen…’ zei mijn buurman alsof het woord naar stront met zeepsop smaakte. ‘Het maakt er alles toch niet vrolijker op. Wij dachten dat het ging stoppen bij het ozongat van de spuitbussen, maar ik denk dat we het laatste nog niet hebben gezien.’Hij nam de krant op het tafeltje naast hem en begon erin te bladeren om er een aardige collectie moderne rampen uit te cureren: de pandemie, oorlogen, bomaanslagen, mutaties, isolatiekampen, het verdwijnen van bakkers, slagers en diersoorten, het smelten van de ijskappen en het stijgen van de zeespiegel. ‘Allé, het valt nog mee vandaag,’ zei hij. ‘De verkeersongevallen hebben ze voor het weekend gehouden. De anderen bewonderden mijn buurman zijn relativeringstalent. Het was fijn dat er nog mensen waren die positief durfden denken en daar nog argumenten voor vonden ook…

Nutswerken

De stad voert nutswerken uit. Een donkere put met een donkere man erin. Hij steekt de spade met bruut geweld in de grond alsof hij zijn eigen graf aan het delven is. Het vuil kruipt overal, zelfs onder zijn vel. Vanuit de schaduw blikt hij op naar de weke herfstzon. De goede daden aan het westelijk front zijn in zijn gezicht ontploft. Tussen zijn rimpels hangt desillusie en vermoeidheid. Toch, in zijn fluitconcert is nog wat moed te horen. Het is ironisch: doe hem een pak aan en hij lijkt een beetje op Sean Connery, maar in die fluogele werkkiel is hij niemand. Het veld van eer is verworden tot een stinkend moddergat. Maar de afdaling is essentieel. De hypotheek loopt, zijn kinderen willen studeren en zijn vrouw heeft nieuwe knieën nodig.De waardigheid van de arbeid… Er valt iets voor te zeggen. Ze zal niet weerkeren op de nobele manier zoals ze ooit aan ons werd gepresenteerd door moedige idealisten. Wie vandaag nog met spierkracht werkt, tot hij oud en grijs en krom is, is geen held meer maar een sukkelaar. Zo goedkoop dat zelfs machines zijn arbeid niet voor minder geld kunnen verrichten. Maar het lot heeft gesproken: er bestaat geen alternatief.Langs zijn kalende kruin passeert nu een glunder meisje met een stel mooie benen. ‘Men are toxic-’, zegt haar trui. Ze kijkt laatdunkend in de put, vermijdt de modder en steekt de straat over. Onze man fluit deze mooie benen wijselijk niet na, maar buigt zich nederig in het zwarte gat en spit naarstig verder, de knieën van zijn vrouw indachtig…

In Oostende

De trein vaart langs de vroege herfst

Polders, duinen, korenvelden…

In de verte piekt zo nu en dan

een hijskraan of een kerkje

In het station een va-et-vient

van begerige bezoekers

Sint Paulus beiert lustig en

de meeuwen hebben honger

Een haring op de Visserskaai

Genieten van de lelijkheid

van de zeedijk, bonte stoet,

dat bedlam vol stompzinnigheid

De dagtoerist is koning,

al de rest gefopt.

Wie meer wil, moet de stad in

En bezoekt misschien het Manuscript

of jazzbar Lafayette

met haar bohemiens en dronkaards,

schooiers, schippers, kunstenaars

De schim van Marvin Gaye

Een meisje met een wipneus

Een vrouw met blauwe sjaal

Daar hoog wolkt wat weemoedigheid

zoals de laatste reis

van een moe gevaren oorlogsschip

Nog gauw een korte wandeling

langs die ouwe gaanderijen

waar de zee altijd verschijnt

als een marine van pastel

De koetsen zijn verdwenen

Ook geen grote hoeden meer

Slechts wansmaak en satire

in de schemer van een rode zon

Tiktok, hiphop, baseballpetjes

en elektro-sigaretten

Een windstoot en een duizeling…

De nacht valt in de haven

De laatste boot vaart uit

naar het grijze Fort Napoleon

De carrousel draait nog een rondje

voor de paardjes weer gaan slapen

De maskers worden afgezet

en Oostende ruist weer rustig voort

zoals de Noordzee haar heeft voorgeleefd

Le coquelicot

Ik maak de deur van mijn winkeltje open en veeg wat melaatse bladeren bij elkaar. De bomen houden weer uitverkoop. In de lucht wat kleverige wolkensluiers. Herfst… het klinkt een beetje Oostblok-achtig, maar komt van het Germaanse woord ‘harbista’, harvest, oogsttijd dus. Ik oogst wat peuken en plastiek, die enkele minuten later worden weggeblazen door een poëtische windvlaag.

In de straat dampt al wat weemoed, en leunend op mijn keerborstel luister ik naar de klagerige klanken van de lome ochtend. Puffende vrachtwagens, rammelende laadkleppen met europaletten. Straks is het aan mij. Ach, kon ik maar geld verdienen met dagdromen. Want alleen daarin heb ik carrière gemaakt. Met wel dertig jaar anciënniteit…

Ik veeg nog een streep hondenpoep van de stoep terwijl ik droom over een weekendje Parijs. Een klein hotel met een smeedijzeren balkon in de Rue des Martyrs, met een schrijftafel voor een raam dat uitkijkt over een paar jonge eiken en een draaiende paardencarrousel. Erik Satie. Zijden onderbroeken. Alle dagen uiensoep, met lange rekkers gesmolten kaas. Een glas Byrrh in de guinguettes. Het Parc Turlure. Een boek van Colette…Een veegwagen komt voorbij en schuurt mijn dromen weg. De eerste klant staat al voor de deur. “Je lijkt wat op dat meisje van van Dongen, zo met dat rode mutsje op. Een beetje Parisienne.” Zo’n beetje, ja. Dat heeft ze goed gezien.

Abyss

De lippen van het water

vroegen meermaals om een kus

En de lucht om een omhelzing

Het balkon, de abyss

En je sprong

Om het water te kussen

Om de lucht te omhelzen

Om een allerlaatste keer

te verdwijnen in de tuin waarin

jouw wilde bloemen groeien

Hoe zalig moest het zijn

om alle pijn ineens te voelen

– en dan nooit meer

En je sprong

Zo vaak

Veel dieper dan de dood

Veel verder dan het leven, ja

Je sprong in iets dat vredig was

Waar kwade stemmen zwegen

Geen water meer, geen lucht

Alleen nog maar die leegte

om te vullen met iets Nieuws

Boekenliefde

Je draait de bladzijden om en wordt beneveld door een zaligmakend gevoel. Ja, dit boek heeft je ‘te pakken’! Hoewel de auteur misschien al eeuwen dood is, heb je het gevoel dat dit werk speciaal voor jou geschreven werd. Alsof de schrijver de sleutels naar de geheime kamers van je ziel had, waar hij inspiratie kon opdoen voor zijn verhaal. Een verhaal met andere namen natuurlijk, maar zo ‘spot on’ geschreven dat het akelig herkenbaar wordt. We zouden zelfs kunnen stellen dat de auteur van dat boek ons beter lijkt te begrijpen dan de mensen in onze naaste omgeving. Want zelfs al gaat het ‘goed’ met ons, onder de oppervlakte van wat de anderen zien, zit er vaak een permafrost van eenzaamheid. En dat ene boek weet die eenzaamheid op de een of andere manier aan te voelen en zelfs te ontdooien.

Dat boek kan een bestseller zijn, maar evengoed een verstofte ontdekking die je vond op een lokale rommelmarkt. Hoe dan ook, een goed boek is een spiegel. Onze lievelingsboeken wijzen heel nauwkeurig de dingen aan die in ons dagelijks leven ontbreken of door anderen genegeerd worden. Het lijkt alsof deze boeken de essentie van onze natuur kennen; een essentie die door anderen miskend of mis begrepen wordt. Wat door onze omgeving als een zwakte wordt gezien, wordt door dat ene boek plots omgevormd tot een sterkte. Een sukkel wordt een held, een maatschappelijke mislukking wordt een persoonlijk succes.

Boeken transformeren ons schijnbaar falen in een ware overwinning. Onze sympathie gaat dan ook uit naar de verhalen die de dingen behandelen waarvan wij zelf vinden dat ze in het echte leven te veel in de schaduw blijven staan. Veelal gaat het om onze donkerste karaktereigenschappen, die plots met liefde, tederheid en begrip worden benaderd. Het boek zegt zachtjes: ik weet het, en is daarom de ideale vriend. Een stille aanwezige die al het grote en kleine lijden in ons aanvaardt, en onze meest vreemde eigenschappen een zeker bestaansrecht toebedeelt. Deze relatie van papier en inkt is misschien wel een van diepste liefdes die we in ons leven kunnen ervaren: onvoorwaardelijk en oneindig groot…

Persephone

Een gele kwikstaart schiet voorbij

Een vlinder wiekt de zomer uit

Het eerste blad valt van de eik

De buurman blikt nors door de ruit

Niks fraais te zien, de regen plengt

de leeggelopen Scheldekaaien

In de lucht hangt al wat vroege herfst

en cirkelt een moord boze kraaien

Ach, sterven klinkt toch zoveel mooier

met rommelende donderslagen

Het stormen heeft iets primordiaals

De natuur stelt zich geen levensvragen

Het huurcontract werd opgezegd

De oogstmaand valt onder de zeis

En vele tinten treurnis kleuren

de stad: mijn hel, mijn paradijs

Tijdreisje

Het weer: geheel gesteld om te lijden, zoals men dat vroeger zei. En iedereen is op vakantie. Het betere achterblijfgevoel… Gelukkig zijn er nog van die ouderwetse brasseries die ons eraan herinneren dat het hier ook goed kan zijn. Van die tearooms met bruine lambriseringen, een beslagen spiegel erboven en een krant tussen een houten klem. Ik ga bij het raam zitten, aan zo’n typisch patiencetafeltje voor eenzame zielen, en bestel een wafel met krieken en een koffie Grand Marnier. Ik krijg er een in mooie laagjes, geserveerd in een glas op een voetje, met een grote stront slagroom en chocoladeschilfers erop. Dat is nu eens wat ik troost noem.Ik wil net mijn volgende cursiefje beginnen dromen wanneer er een stokoud vrouwtje komt binnengewaaid. Een mager, verrimpeld vrouwtje van niet meer dan een meter vijftig, met een loden jas en een paar Izegemse schoenen in maat 35. Het beeld van haar transparante regenkapje met witte bolletjes, en daaronder een grijze permanent, stemt me een tikkeltje weemoedig. Alsof het lot het wil, komt ze aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelt niet meer dan een glas plat water. ‘Gepensioneerden moeten op hun geld letten,’ zegt ze tegen de dienster. Dan wendt ze zich tot mij: ‘ik heb vandaag een vogel begraven die tegen de keukenruit was gevlogen.’ Ik antwoord met een smartelijke ‘oei’. ‘Ach, nee! Ik ben blij dat er vandaag eens iets gebeurt. Dan hebt ge nog eens iets te vertellen tegen de mensen.’ Haar man was recentelijk overleden. Ze gingen ieder jaar omstreeks deze periode naar Spa. Haar oude vingers glijden eens liefdevol langs het flesje water. En ze lacht. Want daar staat ze dan, bij de ingang van het Grand Hotel Des Bains…