Boekenliefde

Je draait de bladzijden om en wordt beneveld door een zaligmakend gevoel. Ja, dit boek heeft je ‘te pakken’! Hoewel de auteur misschien al eeuwen dood is, heb je het gevoel dat dit werk speciaal voor jou geschreven werd. Alsof de schrijver de sleutels naar de geheime kamers van je ziel had, waar hij inspiratie kon opdoen voor zijn verhaal. Een verhaal met andere namen natuurlijk, maar zo ‘spot on’ geschreven dat het akelig herkenbaar wordt. We zouden zelfs kunnen stellen dat de auteur van dat boek ons beter lijkt te begrijpen dan de mensen in onze naaste omgeving. Want zelfs al gaat het ‘goed’ met ons, onder de oppervlakte van wat de anderen zien, zit er vaak een permafrost van eenzaamheid. En dat ene boek weet die eenzaamheid op de een of andere manier aan te voelen en zelfs te ontdooien.

Dat boek kan een bestseller zijn, maar evengoed een verstofte ontdekking die je vond op een lokale rommelmarkt. Hoe dan ook, een goed boek is een spiegel. Onze lievelingsboeken wijzen heel nauwkeurig de dingen aan die in ons dagelijks leven ontbreken of door anderen genegeerd worden. Het lijkt alsof deze boeken de essentie van onze natuur kennen; een essentie die door anderen miskend of mis begrepen wordt. Wat door onze omgeving als een zwakte wordt gezien, wordt door dat ene boek plots omgevormd tot een sterkte. Een sukkel wordt een held, een maatschappelijke mislukking wordt een persoonlijk succes.

Boeken transformeren ons schijnbaar falen in een ware overwinning. Onze sympathie gaat dan ook uit naar de verhalen die de dingen behandelen waarvan wij zelf vinden dat ze in het echte leven te veel in de schaduw blijven staan. Veelal gaat het om onze donkerste karaktereigenschappen, die plots met liefde, tederheid en begrip worden benaderd. Het boek zegt zachtjes: ik weet het, en is daarom de ideale vriend. Een stille aanwezige die al het grote en kleine lijden in ons aanvaardt, en onze meest vreemde eigenschappen een zeker bestaansrecht toebedeelt. Deze relatie van papier en inkt is misschien wel een van diepste liefdes die we in ons leven kunnen ervaren: onvoorwaardelijk en oneindig groot…

Persephone

Een gele kwikstaart schiet voorbij

Een vlinder wiekt de zomer uit

Het eerste blad valt van de eik

De buurman blikt nors door de ruit

Niks fraais te zien, de regen plengt

de leeggelopen Scheldekaaien

In de lucht hangt al wat vroege herfst

en cirkelt een moord boze kraaien

Ach, sterven klinkt toch zoveel mooier

met rommelende donderslagen

Het stormen heeft iets primordiaals

De natuur stelt zich geen levensvragen

Het huurcontract werd opgezegd

De oogstmaand valt onder de zeis

En vele tinten treurnis kleuren

de stad: mijn hel, mijn paradijs

Tijdreisje

Het weer: geheel gesteld om te lijden, zoals men dat vroeger zei. En iedereen is op vakantie. Het betere achterblijfgevoel… Gelukkig zijn er nog van die ouderwetse brasseries die ons eraan herinneren dat het hier ook goed kan zijn. Van die tearooms met bruine lambriseringen, een beslagen spiegel erboven en een krant tussen een houten klem. Ik ga bij het raam zitten, aan zo’n typisch patiencetafeltje voor eenzame zielen, en bestel een wafel met krieken en een koffie Grand Marnier. Ik krijg er een in mooie laagjes, geserveerd in een glas op een voetje, met een grote stront slagroom en chocoladeschilfers erop. Dat is nu eens wat ik troost noem.Ik wil net mijn volgende cursiefje beginnen dromen wanneer er een stokoud vrouwtje komt binnengewaaid. Een mager, verrimpeld vrouwtje van niet meer dan een meter vijftig, met een loden jas en een paar Izegemse schoenen in maat 35. Het beeld van haar transparante regenkapje met witte bolletjes, en daaronder een grijze permanent, stemt me een tikkeltje weemoedig. Alsof het lot het wil, komt ze aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelt niet meer dan een glas plat water. ‘Gepensioneerden moeten op hun geld letten,’ zegt ze tegen de dienster. Dan wendt ze zich tot mij: ‘ik heb vandaag een vogel begraven die tegen de keukenruit was gevlogen.’ Ik antwoord met een smartelijke ‘oei’. ‘Ach, nee! Ik ben blij dat er vandaag eens iets gebeurt. Dan hebt ge nog eens iets te vertellen tegen de mensen.’ Haar man was recentelijk overleden. Ze gingen ieder jaar omstreeks deze periode naar Spa. Haar oude vingers glijden eens liefdevol langs het flesje water. En ze lacht. Want daar staat ze dan, bij de ingang van het Grand Hotel Des Bains…

Dryade

De straatlantaarn belicht een beetje spookachtig de kruinen van de platanen voor mijn raam. Ik zit op de bank en mijn neus piept boven een notaboekje uit. Waarover zal ik deze keer weer schrijven? Het regent. Waait. Zachte donderslagen. Buiten tekent het eeuwenoude schouwspel van ritselende bladeren en traag buigende takken zich af tegen het schijnsel van de stedelijke nacht. Het tafereel zit al lang in de mens, maar wekt nog steeds verwondering in me op. De kunst van het kijken; zo gemakkelijk afgeleerd, maar misschien wel mijn nobelste arbeid.

Ik heb ontzag voor de bomen, en poog er net zoals de grote schrijvers iets over te vertellen. Met een gestrekte mondhoek streel ik het lege blad papier dat, ironisch genoeg, ooit aan een boom toebehoorde. Ik probeer een gedicht: “Bomen; stille rebellen van de moderne tijd, non-conformisten in een wereld vol haast, angst, geweld, vertoon en beton.” Stop. Ik kijk weer naar buiten: de knoestige wortels van de platanen duwen nukkig de straatstenen omhoog en bewijzen daarmee dat de natuur niet op toestemming zit te wachten om geleefd te worden. Schoon.

De boom kent alleen de tegenwoordigheid. In tegenstelling tot wij mensen, die altijd onderweg zijn naar later, beter en meer. Wij kennen alleen de maakbaarheid, en hebben daarom zorgen. Een boom is misschien wel de beste metafoor voor de berusting: hij heeft er vertrouwen in dat hij zal groeien naar zijn voorbestemde vorm, en probeert zichzelf niet krampachtig te manifesteren in een gedicht. Ik zak onderuit, en dank de goede platanen voor hun eenvoudige wijsheid. Ik leg het notaboekje neer en sluit mijn ogen om naar de middernachtelijke stilte te luisteren. De dryade in mij is gelukkig…

Wabi sabi

De westerse wereld is geobsedeerd door symmetrie en ideale proporties. Dit schoonheidsideaal is gebaseerd op een hang naar perfectie en eeuwigheid. Japanse esthetiek, daarentegen, is gebaseerd op iets waar we in het westen zelfs geen woord voor hebben: wabi sabi; een concept dat refereert aan de schoonheid van het eindige, het imperfecte, het verweerde en de melancholie. Het draait dus niet rond het nieuwe, het jonge en het vlekkeloze, maar om een diep respect voor alles wat vergankelijk, fragiel, gebroken en bescheiden is.

Wabi sabi gelooft dat de dingen altijd mooier zijn als ze getuigen van een zeker verval en een uitgesproken individualiteit. Het principe komt rechtstreeks uit het boeddhisme, waarin wordt gezegd dat een mens zichzelf pas volledig kan kennen als hij de barsten in zijn ziel omarmt. In de 12de eeuw probeerden zenboeddhisten te mediteren volgens de imperfecte patronen van de natuur, en vonden zij de ultieme verheffing van de geest in de leegte en de eenvoud. Wabi betekent eigenlijk ‘de bitterzoete melancholie van het alleen-zijn (in de natuur)’, Sabi ‘het nobel worden doorheen de tijd’. Een barst, een deuk of verkleuring in een object door ouderdom is dus sabi. Hetzelfde principe geldt voor de vormen en constituties waarin de dingen aan ons verschijnen. Wabi sabi is dus niet die perfect ronde cirkel van de volle maan, maar de grillige schaduwzijde van een door wolken omsluierde halvemaan.

Ik denk dat we hier in het Westen, met onze bezetenheid voor alles wat blinkt en klinkt, veel kunnen leren van deze waardevolle filosofie. Want worden we vroeg of laat niet allemaal geconfronteerd met de vergankelijkheid, de eenzaamheid en de melancholie? Is het dus niet beter om schoonheid en charme te vinden in de rimpels van een oude vriend dan een duur maar zielloos object? Wabi sabi is een doordenkertje; maar eentje waar je vandaag nog mee kan beginnen. Ik laat me er deze zomer alvast door inspireren. Want ook het woord kan wabi sabi zijn…

Midzomer

Midzomer. Mijn heidense natuur zou me nu het liefst op een steigertje aan de rand van een bos zien liggen, of op een zonovergoten heuveltop met zicht op de horizon. Maar ik zit voor de betraande ramen van de winkel waar ik werk, en waar ik de seizoenen vooral vanachter de toonbank beleef. De stad is gekleed in een vreemde stilte. De lyriek ontbreekt een beetje, maar het is een goede plek om na te denken. Het was een moeilijk jaar voor mij; een van persoonlijk en collectief verdriet. In bepaalde levensseizoenen wordt men tegen de grenzen van zijn wezen gedrukt, en uiteindelijk ook tegen die van het verstand. Het was een uitdaging om de uitgestrektheid, de weelderigheid en de complexiteit van nieuwe levenservaringen te snoeien tot één enkel blad van eenvoudig inzicht: kies bewust voor vreugde. Kies voor vreugde in een wereld die zwaar is van redenen voor verdriet. Te midden van het puin van mislukte plannen en doorprikte dromen: kies voor vreugde. Het is een kwestie van aandacht te besteden aan wat Hermann Hesse ‘Die kleine Freude’ noemde; de dunne draden waarvan we zo vaak onze eigen reddingslijnen moeten weven. De midzomerhemel is grijs, maar weegt wat mij betreft zoveel als blauwe lucht. Zo weinig korrels geluk, gemeten tegen zoveel donker, en toch blijft de weegschaal in balans. Het leven is goed, want alles wat ik heb, is wat ik ben, en wat ik mezelf wil geven.

Schilderij: The overgrown pond – Vasily Dmitrivich Polenov (1880)

Umbra

Verdriet is de schaduw

die liefde werpt

op het licht van verlies

Hoe groter de liefde

Hoe groter de schaduw

We tasten in het duister

Op zoek naar scherpe randen

om ons aan vast te klampen

Zoveel van wie we zijn

-en wie we moeten worden-

krijgt vorm in die umbrale schijn

Moed

Dit vers wordt aan de moed gewijd;

een spleet tussen de klinkers

waar nederig en schier verlegen

wat gras, wat mos of kruid gedijt

Het tiert er welig, zonder storen

Onopvallend, onbemerkt

Langs een gevel, hek of kademuur

In een donker hoekje, stil verloren

Biggenkruid en paardenbloemen

Heermoes, weegbree, zevenblad

Bosjes, trosjes, sprieten, stengels

Distels, netels, boterbloemen

Toch, volgens velen staat het niet:

een nette stad hoort grauw te zijn

en niet door onkruid opgesmukt

maar met een ruk of schaar gewied

Toch al wat weerstand krijgt, dat bloeit

En daar ligt juist de ware moed:

dat het kruid zich niet laat temmen

en stoutmoedig verder groeit

En plein air

Ik struin wat doelloos langs de kaai, kijk omhoog en denk: dat zijn wolken met dagboekkwaliteiten. Het sombere grijs is van een intieme schoonheid, en doet me denken aan Gothic romans en Schotse kastelen. Het mag regenen wat het wil, er blijft toch altijd nog een beetje mysterie in de wolken plakken. Ik ga even op een bolder zitten, en neem een pen uit mijn zak. Op de een of andere manier voel ik me wat Constable vandaag. En dan ineens die zwaluwen erbij; alsof ze me zagen zitten. Ik schets wat ik zie: niet veel, maar net genoeg om een blaadje te vullen met enkele eenvoudige woorden die me vrolijk stemmen. En dat is uiteindelijk wat Constable ook deed: de natuur schilderen in al haar bescheiden schoonheid, zonder haar te romantiseren of iets te overdrijven, en daar in stilte van genieten. In 1821 -exact tweehonderd jaar geleden- zat hij dus op een kruk, ergens in het Engelse platteland, net zoals ik hier nu op die bolder zit. Ik voel een bijzondere verbinding die tijd en ruimte overstijgt, en een onbeschrijflijke dankbaarheid ten aanzien van de lieftallige eenzaamheid die mij tot zulke goede dingen in staat stelt. Want dromen is goed. En bovendien een hele prestatie, op zo’n grauwe dag als deze.En ja, het mag dan misschien een beetje klef zijn om iets over wolken te schrijven, want daar is immers al zoveel over gezegd, maar denk dan eens aan Joni Mitchell: er zijn twee kanten om naar de wolken te kijken… and somehow we still don’t know clouds at all… Ik pen de laatste zin op het blaadje neer, en lach tevreden voor me uit: geschilderd met woorden, ‘en plein air’. Wat verlangt deze schrijfster nog meer?

Requiem

Soms komen ze binnen met de smoes ‘dat de hond hallo wilde zeggen’ of ‘dat ze geheel toevallig in de buurt waren’. Maar eenzaamheid kent geen toeval. En dan schaffen ze zich uit schuldgevoel en fatsoen een paar goedkope sokken aan, kwestie van het beoogde praatje toch maar af te kopen. Zo ging het ook met die ene oude dame, die een paar bonte sokken afrekende en me vroeg om er een pakje van te maken. Een cadeautje voor zichzelf, want ze had het naar eigen zeggen verdiend. Zoals mensen wel vaker doen, slaakte ze een zucht om de conversatie te starten. ‘Jaja…’ Ze was die ochtend nog eens naar een ouderwetse ‘begraving’ geweest. Geen crematie, maar een begrafenis zoals het hoorde: eerst de kerk, dan de grond in. Ondanks de covid-maatregelen had men er toch nog iets moois van gemaakt; de bloemen waren verzorgd en de pastoor had levendig gesproken. Iedereen was netjes in het zwart gekomen, en ze hadden tijdens de condoleance-file het Requiem Aeternam gespeeld. De dood presenteerde volgens haar nog altijd een beetje chiquer in het Latijn. Ik knikte minzaam en wond een lintje om haar pakje. ‘Elske was pas zesentachtig…’ zuchtte ze toen. ‘Dat is net zo oud als ik.’ Het was allemaal snel gegaan met die kwaaie ziekte waarvan ze de naam niet uitsprak. Maar ze troostte zich met het feit dat ze Elske nog was gaan groeten in het mortuarium, en het mens daar beter voor de dag was gekomen dan ze in jaren had gedaan. Om de sfeer niet te verpesten, liet ik persoonlijke anekdotiek achterwege en zei dat de sokken van zeer goede kwaliteit waren. Bamboe: praktisch onverslijtbaar. Haar mond sloeg in een bedenkelijke kronkel. ‘Wel, dan is de kans klein dat u mij hier nog terugziet, want veel tijd om de dingen te verslijten heb ik blijkbaar niet meer.’ Een klantenkaart hoefde niet. Ze nam het tasje aan, wenste mij nog een prettige dag en stiefelde naar de deur. Op kousenvoeten naar het Paradijs, en haar knieën kraakten al haar requiem.