Collage-poëzie

Een creatieve geest verveelt zich nooit. Vandaag op het programma: appelstrudels bakken en collage-poëzie. Ik zou u graag in dat plezier laten delen, maar helaas, tante Corona is al met de beste brokken weg. Verbeeldt u maar gewoon de geur van appels met kaneel en een ouderwets kopje koffie van verse bonen. Ge riekt het al, ik voel het…

Wat de collage-poëzie betreft: het is een interessante oefening die begint bij de aanschaf van een drietal kranten. Van de Jommekeskrant tot ’t Pallieterke: alles is mogelijk. Hoe breder u kiest, des te interessanter het wordt. Buitenlandse dagbladen zijn toegestaan, maar opgelet: in Rusland gebruiken ze nog giftige inkt. Voor Kerk en Leven geldt hetzelfde.

Ga eventueel met bril en loep aan de slag. Overschouw nu minutieus iedere letter, van kop tot colofon, en noteer de woorden of zinnen die u interessant vindt. Schrijf ze in willekeurige volgorde neer. Puzzelen is voor later. Knippen en plakken mag, maar dat is een gedoe. Met een pen komt u al ver. Voor alle duidelijkheid: valsspelen is verboden. U moet zich houden aan wat u ziet. Geen paniek, het is niet moeilijk. U zal merken dat uw associatief vermogen meteen wordt aangesproken. Zo leiden “Vrouw vindt frikandel” en “Wie emancipeert de penis” in een mum van tijd tot een bijzonder boeiende stanze… De krant lezen was nooit zo spannend.

Ps: Was op tijd en stond uw handen. De Russen zijn nooit veraf…

Pss: ’t Pallieterke “Streekkrant voor mensen met een goed hart en een slecht karakter”. Ziet ge? Dat op zich is toch al een strofe waard?

Trance de vie

‘Ge moet niet over liefde schrijven

want gij kent er toch niks van…’

Zo sprak een oude man vandaag

die ik toevallig tegenkwam

‘Zesenveertig jaar…’ zo zuchtte hij verveeld,

‘ben ik blind en doof en stom…

En nochtans getrouwd uit liefde

maar ik vraag mij af waarom.

”Het huwelijk? Dat is een graf!’

Met opgeheven hand zei hij:

‘Ge blijft het best alleen, mijn kind,

Neem het aan van mij!’

En plots klonk er een belsignaal

Het was zijn telefoon

‘Jawel, mijn duifje, zo meteen…’,

sprak hij op zachte toon

‘Ik kom eraan, ben bijna thuis,

Ik weet het, ja, ge wacht erop…’

Quod erat demonstrandum.

En hij haalde kort zijn schouders op

De oude man, zo wijs en grijs,

nam afscheid met een gulle knik

maar wees mij met zijn vinger aan

en keek mij aan met scherpe blik

‘De liefde is een wandeling’,

dat riep hij mij nog stellig toe

‘Ge begint eraan met volle moed,

maar aan ‘t einde zijt ge moe.’

Le devin du village

Ik heb nog nooit zoveel tijd voor het raam doorgebracht. En ik besef dat ik de komende weken nog heel vaak voor dit raam zal zitten. In de verte zie ik de karmozijnen en amberkleurige kruinen van de bomen. Ze vertellen mij hoe mooi het kan zijn om dingen los te laten. Boven mij sluimeren Engelse wolken en in de verte vind ik een nevelige horizon, waartegen zich kartelend en piekend de stad aftekent. Daartussen stuiptrekt het leven – en god weet voor hoe lang -, maar ik geloof erin dat er grote hoop in kleine dingen schuilt. Die bomen, die wolken, die horizon; zelfs in grauwe tijden behouden sommige dingen hun kleur.

Op de radio speelt ‘Le devin du village’, een stuk dat gecomponeerd werd door Jean-Jacques Rousseau en voor het eerst werd opgevoerd in 1753 aan het hof van Fontainebleau. Later diende het als huwelijksstuk voor Louis Seize en Marie-Antoinette. Omdat visualisatie een krachtig medium is waar wij volgens grote smurf te weinig gebruik van maken, construeer ik in het grijs van de onweerslucht een balzaal van blinkend bladgoud en flonkerend kaarslicht. Ik zie de kroonluchters en de guirlandes, de hoepelrokken en de pruiken, en Rousseau die zegt dat onwetendheid nog nooit kwaad heeft gedaan. Wat zou ik dat graag willen geloven… Ik had een schriftje en een handvol goede ideeën naast me liggen, maar zolang het klaar is buiten mag de muziek mij haar verhaal vertellen. Ik zwijg, vlucht in die kleine, hoopvolle dingen, en dans in het kaarslicht van Fontainebleau. Meer heb ik vanavond echt niet nodig.

Sporen

Misschien heeft u ook wel die twaalfrittenkaart van de NMBS aangevraagd omdat u, net zoals ik, treinreizen wel iets romantisch vindt. Nu, ik reis eigenlijk nooit per trein, maar net daarom verheugde ik mij erop.
Ah! Het Spoor, dat doet toch denken aan passages uit Russische romans en de film noir? Of aan de gare Saint-Lazare van de impressionisten. Een laatste kus op het perron voordat de trein met al zijn daverend geweld aan de horizon van een nostalgisch blikveld verdwijnt. De stoompluimen moet u er zelf maar bij verzinnen… 
Ja, er is iets weemoedigs in de razende vaart, in het scheuren door de mistige velden en het dromerig door de beloken raampjes staren, maar het staat vast dat het moderne treinreizen niks meer van doen heeft met de luxe en grandeur van weleer. De IC trein naar Antwerpen is beslist niet de Oriënt Express. Als u die dan toch ergens mee zou vergelijken, doe het dan met de trans-Siberische Spoorlijn; een kleine 60 kilometer voelt aan als de volle 9289. Hoewel ik er zeker van ben dat zij die van Moskou naar Vladivostok reden niet te klagen hadden over bilkrampen en kauwgum aan de schoenzolen. De coupés zijn tegenwoordig zodanig schamel uitgerust dat men zich in een lijkkoets waant. En uw reisgenoten zullen dat gevoel alleen maar versterken; moe gependeld zitten zij voorovergebogen; gemaskerd, de bleke ogen neergeslagen op dat ene scherm naar de buitenwereld, terwijl zij verveeld zitten te kauwen en daarmee het poëtische rolgeluid van de trein verstoren. De knotwilgen en de koeien slaan zij in de wind, net zoals de kraaienvlucht boven de akkers en het roodkleuren van de kornoeljes. Treinreizen is eenzaam zijn tussen de mensen. Gelukkig zijn er nog van die dweperige zielen die daar een stukje over schrijven, of alle romantiek zou verloren zijn. 
Dus: wat ooit het symbool van de Moderniteit was, is thans verworden tot verwaarloosde trekschuit. Twee beurten per maand, dat zijn er nog twee te veel. Ach, misschien lag het aan de verbinding. Heen en terug naar Appelterre… zou dat beter zijn?

Zomerliefstraat

Een mens krijgt soms van die ongemotiveerde ingevingen. Zo werd mij gisteren ingegeven om naar een klein, maar mooi bospark aan de rand van de stad te rijden. De ingang van het park bestaat uit een elegante gaanderij, omzoomd door knoestige eiken en breed uitwaaierende kastanjes. In de verte hoorde ik al de krakende wielen van een naderende dilligence… Knekkedeng-knekkedeng! Ach nee, was het maar waar, slechts een onkies gezelschap dat mij door de opspattende drab voorbijschiet op veel te luidruchtige snorfietsen. Op de bankjes zaten vrijende bakvissen en verbitterde oude mannen; de malcontente kop scheef in de verschoten kraag verzonken, de armen streng over de bierbuik gekruist. Ze zwegen. Met mijn ogen groette ik gemuilkorfde mensen met blaffende honden. Een wandeling door het park was toch niet hetzelfde zonder die gul nodende glimlach van een toevallige passant. Maar op een open plek, bij een dode boom, greep dan toch een ontmoeting met een ontmaskerde man plaats. Het was een man met een middeleeuws gestalte, een boerenbreugelse glimlach (beter dat dan niks) en een plastic zak in de hand. ‘Waar ik geweest ben, zult gij niks meer vinden’, zei hij terwijl hij mij met enige hovaardigheid zijn kastanjes liet zien (niet zinnebeeldig!) En dan zei hij iets dat mij toch nog enige tijd zal bijblijven: ‘Bomen zijn kathedralen, de natuur onze enige waarheid. Er is dit jaar niet veel uit de lucht gevallen, maar ge moet altijd rapen wat er te rapen valt.’ Toen overviel mij een innig gevoel van dankbaarheid voor mensen zoals deze onwelriekende, tandenloze kastanjeraper. Er zijn er nóg die geen goesting meer hebben, maar ondanks alles toch maar voortdoen. ‘Denk eens aan de liefde of zo’, vulde hij op goelijke toon aan, en lichtte dan zijn pet op om mij met opkrullende mondhoeken ‘nog een goeie zondag’ toe te wensen. ‘Bonne continuation…’ En hij verdween met zijn tas tussen de heesters. Ik deed de gebruikelijke rondgang langs de vijver, de paviljoentjes en het kasteel. Eenmaal de poort voorbij, kwam ik uit in de straat met de meest poëtische naam aller Gentse stratennamen: de Zomerliefstraat. Zomerlieven? Zo had ik er maar twee, bedacht ik mij. De een lijkt tegenwoordig op Jules Deelder. Ingevingen? De nadruk ligt toch ontegensprekelijk op het géven: een zoete herinnering, een smakelijke glimlach, een handvol kastanjes. De eerste herfst was gul…

Circus

Ik herinner mij dat er in het sterven van de zomer altijd een circus neerstreek in Sint-Amandsberg. Malter waarschijnlijk… En ik herinner mij ook nog de bedwelmende dualiteit die dat circus in mij teweegbracht; die van de illusie. Als kind was ik daar al gevoelig voor. Want net zoals in theaters, nachtclubs en cabarets zit er achter de glamour van een circus altijd een zekere eenzaamheid en melancholie verscholen. Aan de ene kant is er die vrolijke levendigheid van de rood-wit gestreepte tent, de bont uitgedoste jongleurs en acrobaten, de breed lachende clowns en lieftallige koorddanseressen in tutu’s. Maar aan de andere kant is er de grijze realiteit die valt nadat de schijnwerpers en het applaus van het publiek zijn uitgedoofd, nadat de tribunes zijn leeggelopen, de dieren weer in hun kooien werden opgesloten en de artiesten uitgeput naar hun trailers terugkeren. De tristesse ligt in het feit dat deze mensen de illusie van de vrolijkheid verkopen. Maar wat blijft er uiteindelijk over? 
De dualiteit tussen glitter en grauwheid, tranen en glimlachen, extase en verdriet; is dat niet de schoonste afspiegeling van onze eigen werkelijkheid? Hangen wij niet voortdurend zelf de clown uit, die het beste van zichzelf geeft, om ’s avonds de valse lach weer van het gezicht te vegen? Zijn wij niet de koorddansers, die ten faveure van het publiek boven de afgrond balanceren? Hangen wij niet dagelijks de felgekleurde circusposters op tegen ons eigen, vaak bleke bestaan? The show must go on. Maar voor wie en voor wat? Toulouse-Lautrec, Seurat en Renoir hadden het in ieder geval goed begrepen: het leven is een schouwspel, een groot circus vol mooie maar vaak grauwe tegenstrijdigheden. 

Stairway to heaven

De ladder staat al bij de muur;
de treden glimmen breed en fel

De eerste stap wordt gauw gezet,
een derde volgt de tweede snel 

Zo klimmen wij gestaag omhoog,
door vele firmamenten heen

Op de ladder van de hartstocht weegt
het hart vol lieve lust alleen

En zoals het klopt, beklimmen wij
tree per tree het steile pad 

dat eindigt in de hemel maar 
weinig tot geen richting had 

Want eens wij dan daarboven zijn
en die laatste trede halen 

is het een kunst niet al te vlug
in de hemel te verdwalen

Zo eindigt vaak de zware klim: 
we wagen ons weer op de treden 

en banen ons teleurgesteld 
de weg terug naar beneden

(Schilderij: The cloud-1896)

Sonnet van zee en zorgen

De nacht strijkt neer over de zee
en spreekt tot mij, die zinken wil
Zo bodemdiep, zo zorgeloos 
Zo onomkeerbaar graag en stil 

Zinken, zinken, traag omlaag 
Tot het niets de kleine wereld vult;
alles wat ik ken of weet 
in eeuwenlange slaap gehuld 

Zinken. Tot ver onder de waterlijn; 
ver onder de klare dingen die 
ik wil en toch niet kunnen zijn 

En zo drijf ik verder, zonder zinken
Zeil ik verder op de zee die vraagt  
niet in het duister te verdrinken…

(Schilderij: Ivan Aivazovsky – The Black Sea at night)

Summer’s end

Mijn zomer duurde tot eergisteren, tot op het moment dat het opeens begon te regenen in het kronkelstraatje waar ik een boek zat te lezen. Pijpenstelen en oude wijven. Het was zo’n regen als die van Karel van de Woestijne; plenzend en nietsontziend, waar je niet alleen drijfnat maar ook een beetje melancholisch van wordt. Precies of er in de wolken van die lange, weke draden worden gesponnen die in ragfijne slierten naar beneden worden gelaten. Kortom, een regen die de mensen aan verloren liefde en poëtische zelfmoord doet denken. Ja, de zomer was voorbij. Het water stond tot over mijn schoenzolen en steeg op tot onder mijn oksels. Ik weet niet welke grappenmaker het woord regenjas heeft uitgevonden, maar die moet toch eens goed gelachen hebben de eerste keer. Ik schudde het ongemak uit de voering en ging in de portiek van een gesloten restaurantje schuilen. ‘Casa de las tapas’… Alsof de Spaanse zon daar achter die deur zat te wachten. De straat was verlaten en vulde zich met de doffe nevel van opstuivende druppels. Ik hield mijn boek beschuttend onder mijn regen-jas en keek er lijdzaam op toe hoe de bladzijden gestaag met donkere vlekken verweekten. Na enkele minuten ging ik gehurkt op de drempel zitten en voelde mij daardoor een beetje zoals het meisje met de zwavelstokjes, of Ciske de rat; eenzaam en noodlottig, de kilte verbeidend. Ik zag Engelse steden en Victoriaanse armoe. Er gleed een dikke, koude druppel over mijn rug en ik begroef mijn hoofd in de krul van mijn arm. De zomer leek plots een lang vervlogen droom, haar warmte een reeds lang vergeten gevoel. Want de zomer is altijd een beetje zoals goede seks: met een uitgebreid voorspel, maar een veel te korte climax… Toch?

Zwarte regenbogen

Soms zou men willen vluchten
naar de toekomst of ‘t verleden,
naar een plaats die vrij is van
de zorgen van het heden

Naar een tijd die beter klonk;
netjes in de toon
Toen het levenswater rustig was
en geluk nog heel gewoon

Toen de stemmen in het hoofd
ons niet met kommer kwelden,
zongen in de zomer
en geen grote vragen stelden

Toen het onweer nog niet dreigend
in een loden hemel stond,
de donderslagen nog niet schalden,
men boven zich het zonlicht vond

Maar dan zouden we het onweer missen;
de bliksems van het wilde hart
Er zijn geen zwarte regenbogen
maar vele kleuren tussen
heil en smart

Schilderij: Zdzislaw Jásinski – The storm