Sugar Mountain

Neil Young is niet meer zo jong, en zijn stem kraakt meer dan ooit als een houten schommelstoel op een Canadese veranda waar de tijd is blijven stilstaan. Hij zingt, zoals hij dat altijd deed, een beetje scheef tegen de maat: iemand die liever struikelt dan de rechte lijn te volgen.

Laatst hoorde ik Sugar Mountain nog in de tweedehandswinkel. Gisteren live in Brussel: die flinterdunne stem, die nooit beter wordt en daarom precies goed blijft. “You can’t be twenty on Sugar Mountain…” zong hij, ofwel: je kunt blijven ronddwalen in gedachten, met kiezels in je zakken en het zand nog in je schoenen.

Neil schreef het lied op zijn negentiende verjaardag, toen hij besefte dat hij te oud werd voor de jeugdclub waar hij als jongen heen ging. Sugar Mountain werd een metafoor voor alles wat je moet achterlaten wanneer de ernst van het leven zich aandient: de eerste liefdes, de eindeloze avonden, de onschuldige hoop dat alles in het leven mogelijk is. Die berg is geen echte plek; het is een droomwereld die je met pijnscheuten ontgroeit.

Maar nu Neil Young ouder is dan de meeste bomen op dat denkbeeldige pad, lijkt hij die berg nooit écht verlaten te hebben. In zijn ogen fonkelen de kauwgomballen, de kampvuurrook, gemiste meisjes.

Ik geloof dat we allemaal een Sugar Mountain hebben; een plek waar het altijd net te laat is voor gisteren en net te vroeg voor morgen. Waar Neil Young, met strohaar, poncho en scheefzittende hoed, onverstoord blijft zingen over wat nooit helemaal verdwijnt…

Wonderboom

Ze kwamen, ze bleven – even

Ze verdwenen.

45 000 jaar geleden trok

een verloren tak van de vroege mens

het Europa van de ijstijd binnen.

Geen Neanderthalers,

En ook niet helemaal ‘wij’.

Even brandde hun afstamming fel –

ze maakten gereedschap,

stichtten gezinnen.  

Ze kruisten paden van verre verwanten

in uitgestrekte, bevroren gebieden.

Toen… Stilte.

Geen nakomelingen.

Geen erfenis in onze genen.

Alleen botten, gereedschap

en oud DNA blijven over –

gefluister van een vergeten volk

dat voor ons kwam.

Hun verhaal, ooit begraven in grotten,

wordt verteld door een man in het park.

Hij heeft geen naam.

Hij aanbidt de zon.

Hij maakt gereedschap.

Hij dwaalt rond,

woont in handgemaakte hutten.

Hij plukt eten uit de bomen,

dan eens uit een vuilnisbak.

Hij zegt dat niets zo heilig is

als het kind in de Wonderboom

De volmaakte mens.

Klaar om uit te sterven.

En hij weet het niet.

Niéts

Daar hang je dan, over de vensterbank, als de volmaakte bloem:

perfect gelukkig en niet bewust dat je verwelken moet.

Je snoept een fluwelen abrikoos op, zachter dan de billen van Marie-Antoinette.

Beneden, in de glanzende straat, hoor je stemmen klagen.

‘Het regent!’

Ah, het regent, en er is niéts…

Dagen die niets dienen; gekantklost voor een mijmering, geweven voor een mafje om halftwee.

Daarna een thee, en nog wat gapen, voor je naar buiten gaat, de koelte in, in je regenjas.

Een ‘lenteloomte’… Het klinkt als een roman; een feuilleton van achttienhonderd, gegoten in een linnen band. Goud op snee, en kwastjes.

De bomen bruisen beelden. Ik zie feeën in de wilg, heksen in de vlier. De wereld houdt zich rustig.

En er is… niéts.

Geen eigen groen.

Slechts kleine, zoete meiboomhofjes,

en krawierelig struweel,

schouwen en miauwen.

En dakgootduiven.

Hoekjes vol klimop.

Door het hoge raam leer je van de wereld houden.

Je ziet schaduw langs de lijsten lopen,

en daarachter, die diepe, diepe onweerslucht,

met haar dramatische schichten,

met haar zachtgedempte tinten.

Parelgrijs en saliegroen.

Het roze van frambozen.

Wollig wit, als een waaiertrotse tortelstaart…

Niet opgelet, inmiddels is het uitgeklaard.

Deneuve

Het terras van Café Hopper is een voortreffelijk terras. Het bevindt zich op een brede, betrekkelijk windvrije hoek en kijkt uit over de Leopold de Waelplaats. Voorheen ‘de Volkspleuts’.

Geel-gestreepte luifels, Parijse tafeltjes, en rieten stoelen waarin de kont zich heerlijk wafelen kan. Een kannetje Pastis? Of liever een Dry Vermouth, zoals de oude sinjoora die er dagelijks haar aperitief gebruikt? De koffie slaat ze af, want die is er te slap. Of zoals ze zelf zegt: ‘ gelaaik de zaaik van boere mie.’

En het personeel? ‘Oeik giën oempestoempers.’

Maar ze zijn vriendelijk. Dat is al veel waard tegenwoordig.

Het is duidelijk dat ze voor de roering komt, voor de compagnie, voor het klapke – alles waar ze thuis niet genoeg van heeft. Over de bril heen kijkt ze naar de gekke stoet mensen, die eeuwig blijft passeren; naar het gedemocratiseerd publiek, lente na lente wat minder elegant, zelden nog chic getoiletteerd, zoals zij. Want daar zit ze dan, met haar wandelstok vol zilverfiligraan, met haar Guerlain, met haar Jean-Louis Scherrer.

Het haar zo hoog als suikerspin.

Met kammen al weerskanten.

Een Deneuve op retour.

Destijds deed zij Nice aan, Monte-Carlo, Den Haag en soms Sankt Vith. Daarom komt de sinjoora graag bij Hopper, omdat het haar aan toén doet denken. Die luifels, die tafels, dat oud-adellijk cachet, dat art déco. Nu resideert zij uitsluitend nog in Antwerpen. ‘Antwerp,’ verbetert ze, ‘want overal wordt nu Engels geklapt. Het nieuwe chic, medam.’

Ze keurt de silhouetten: de tweedehandse jassen, het rok-over-de-broek, het man-zo-vrouw-en-vrouw-zo-man, het goedkoop Chinees chiffon. Waar zijn de kanten kraagjes? De opgeperste pantalons? De gladgestreken hemden? De dassen en de perles-fines?

De winkels van weleer? Weg. De persiennes neergelaten, voorgoed. Ze wenkt de ober, bestelt nog een Vermouth.

‘De wolke hange liëg vandoag. ’t zal nog goan regene…’

Bloemenkransje, vreugdedansje

Het is midzomer en ik ben in Schengen, een plaatsje waar men zonder het te willen voortdurend van land wisselt.

Ik sta op een klif, tussen wijngaarden die loom tegen de helling leunen, en kijk uit op een stadje dat zich met middeleeuwse koppigheid aan het dal vastklampt. Beneden wordt het feest van Saint-Jean voorbereid; de zomerzonnewende, waarbij men, zoals het de mens betaamt, het onverklaarbare met rook en drank tegemoet treedt.

Vreugdevuren – hier ‘chavandes’ genoemd – staan op het punt ontstoken te worden. Straks worden er bloemen, kruiden en tarwe ingegooid. Waarom precies, weet niemand nog, maar het is goed dat het gebeurt.

Ter ere van goden die al duizenden zomers meegaan, zal er gecirkeldanst worden, en wijn worden gedronken. De volgende valt af te wachten.

Naakte maagden met bloemenkransen zijn vooralsnog afwezig. Ik heb in de verte iets wits zien bewegen, maar dat bleek een tafelkleed.

Niettemin is de avond jong.

Aan de andere kant van de berg viert men het ‘Spargelsilvester’; het afscheid van de laatste asperges, een groente die enkel met ceremonie te verdragen is. En ook de rabarber ondergaat zijn lot.

Huizen worden versierd met berkentakken, alsof men de natuur met eigen middelen wil terugwinnen. Jasmijn en rozen worden in slingers geweven. Water wordt uit bronnen geschept.

Men vult kommen en voegt eraan toe: Sint-janskruid, kaasjeskruid, linde, hondsroos, citroenverbena, vlier, wijnruit en rozemarijn. Een soort kruidenbouillon voor de ziel, die morgen aan de dauw wordt toevertrouwd. Met dat heilige water zal men elkaar zegenen.

Of tenminste nat maken.

Ik pluk wat krieken uit een boom en maak een vreugdedansje.

Dat volstaat voor deze maagd.

Wens…

Als ik uit mijn raam kijk, zie ik de ruïnes van de Sint-Baafsabdij, omringd door een veld vol paardenbloemen. Ze bloeien uitbundig, alsof het hen geen moeite kost. Er is iets onschuldigs en optimistisch aan. Sommige mensen noemen het onkruid. Ik noem het poëzie.

Zonnen zijn het, gele bundels hoop. Weldra worden het manen; zachte, zilveren zaadkoppen die zich laten meenemen door de wind. Dan kun je een wens doen. Maar nu nog niet.

Mijn wens? Dat ik mijn overgrootmoeder Anna nog eens kon horen vertellen. Het liefst over het vrouwtje dat door Machelen trok, met een mand onder haar arm, en een langgerekt ‘salade de pissenliiiiit!’ Ik heb het nooit gegeten, maar de smaak van soberheid valt zelden tegen: paardenbloemen, kruiden, gebakken spek, stukjes gekookte eieren en een béétje olie voor de smeuïgheid.

Dat vrouwtje is waarschijnlijk al honderd jaar dood. En Machelen? Ook dat bestaat niet meer zoals het was. De boerenhuisjes zijn verdwenen, hebben plaats geruimd voor prefabwoningen. De ‘buiten’ is voorstad geworden. Het perfecte decor voor een David Lynch-film. Een keurig gazon en een wit hek dat niet alleen de hond binnenhoudt, maar ook elk ongemak. De ziel lijkt verdampt, opgegaan in de lucht, als paardenboempluisjes.

Ik kijk opnieuw naar het veld aan de overkant. De paardenbloemen zijn nog niet klaar om te verdwijnen. Nog even geen wens. Nog even vol in bloei. Maar wanneer het zover is, dan blaas ik me een eind weg en zeg ik: laat alles weer wat ‘vroeger’ worden.

Niéts

Daar hang je dan, over de vensterbank, als de volmaakte bloem:

perfect gelukkig en niet bewust dat je verwelken moet.

Je snoept een fluwelen abrikoosje op, zachter dan de billen van Marie-Antoinette.

Beneden, in de glanzende straat, hoor je stemmen klagen.

‘Het regent!’

Ah, het regent, en er is niéts…

Dagen die niets dienen; gekantklost voor een mijmering, geweven voor een mafje om halftwee.

Daarna een thee, en nog wat gapen, voor je naar buiten gaat, de koelte in, in je regenjas.

Een ‘lenteloomte’… Het klinkt als een roman; een feuilleton van achttienhonderd, gegoten in een linnen band. Goud op snee, en kwastjes.

De bomen bruisen beelden. Ik zie feeën in de wilg, heksen in de vlier. De wereld houdt zich rustig.

En er is… niéts.

Geen eigen groen.

Slechts kleine, zoete meiboomhofjes,

en krawierelig struweel,

schouwen en miauwen.

En dakgootduiven.

Hoekjes vol klimop.

Door het hoge raam leer je van de wereld houden.

Je ziet schaduw langs de lijsten lopen,

en daarachter, die diepe, diepe onweerslucht,

met haar dramatische schichten,

met haar zachtgedempte tinten.

Parelgrijs en saliegroen.

Het roze van frambozen.

Wollig wit, als een waaiertrotse tortelstaart…

Niet opgelet, inmiddels is het uitgeklaard.

Ont-luiken

Ik, stadsmens, die nooit echt in de natuur heeft geleefd, heb wel geleerd om naar de natuur te kíjken; tussen de bakstenen van de rijhuizen en de tuinmuren, de plaveien van het tuinpad, de terrastegels en de klinkers van de straten, want daar verstopt ze zich verlegen, de lente. De mezen en merels roepen haar porseleinachtig naar buiten, maar ze wil nog niet helemaal. Toch, eenmaal de maartse zon haar de hand reikt komt ze tevoorschijn in een zwierige bloemenjurk en verschijnen de krokussen, narcissen en viooltjes, zélfs in de donkerste oksels van stad.
Maart is de maand van oeroude godinnen. Deze week vierden we de dag van de vrouw. Laat ons ook aandacht hebben voor de kleine vrouwtjes, en hun kenmerkende fascinatie voor al het lieflijke dat hen betovert; bloesems, knoppen, kevers en kruid. Ze houden ervan, ze spreken er mee. Hekserij in poppenformaat. Een aangeboren liefde voor wat Einstein ‘the cosmic mind’ noemde…
Maart: de winterse lente. De maand waarin mijn grootvader minstens een paar mollen moet vangen, waarin gepoetst moet worden, de heg moet worden gesnoeid en spinnen naar binnen komen om naar klassieke muziek te luisteren. Dus zet eens La Primavera op, of iets van Grieg. Als het maar dat ont-luiken verklankt. Lap de ramen en gooi ze open, laat het nieuws voor wat het is en ga naar buiten. Praat met de bloemen, zeg hen iets liefs…

Kerremesse

In een paar scheve zinnen beschrijf ik het landschap van de Westhoek dat in bleke flitsen aan mij voorbijschiet en mij aan de welige boezem van mijn Ieperse grootmoeder doet denken. Ieper, kattestad, mijn tweede thuis.

Ik spoor langs de vruchtbare akkers, de glooiende heuvels, de vriendelijke, historische dorpjes en villafermettes tussen de knotwilgen. Land van beeldenstormers en boerenverstand. Hoppeland. Land van picon en potjesvlees. Land van eeuwig verdriet…

‘Bachten de kuupe’ moet de eerste lente altijd wat extra moeite doen om uit te blinken. Maar langs de bermen staan al wat hovaardige krokussen naar de zon te lonken. Dat is een goed teken. Ze zingen hun ‘gloria in excelsis deo’ als nonnetjes van een degelijk kloostermerk. En dan, tussen wat donkere cipressen, rijzen de zerken van een Engels Oorlogskerkhof op. Ik hoor de doodsreutels over de akkers weergalmen en ondertussen valt er wat ouderwetse regen uit de lucht. Dan weer een streep zon. ‘Kerremesse in d’helle’, zou grootmoeder hebben gezegd. Gloria in excelsis deo. Ach, wie kent de kunst van sterven. Krokussen, grootmoeders, soldaten; alles wat leeft lijkt gemaakt om te vergaan en kostbaar te worden. En plots vind ik het vreemd dat wij allemaal naar onsterfelijkheid verlangen in een universum dat geregeerd wordt door verval…

Die middag ga ik met mijn nicht naar de kermis, waar we aan een schietkraam elk vijftig ‘poetins’ neerknallen in ruil voor wat musketons en een pluche eenhoorn. (Mo tis ol gin oar snien, enni…)

Rozenkrans

Gegeven dat bijna elke cel in je lichaam

is veranderd sinds je een kind was,

Gegeven dat bijna al je waarden,

verlangens en ambities

nu anders zijn

Gegeven dat de mensen rondom jou

gekomen en gegaan zijn

Gegeven dat je innerlijk en uiterlijk

volledig bent getransformeerd,

is dat wat jou en het kind dat je was

tot dezelfde persoon maakt

niets meer dan de draad

van selectief geheugen

-een binneninverhaal-

dat de meest betekenisvolle kralen

aaneenrijgt tot de rozenkrans

die een persoonlijkheid is