Een schip tekent zich af tegen een loodgrijze hemel die het landschap overheerst. De menselijke wereld lijkt plots niet meer dan een voetnoot in de vloedlijn. De zee is opgebouwd uit horizontale lagen. Het is moeilijk om de grens tussen lucht en water te bepalen. Een ingetogen palet van leigrijs, gedempt groen en zilverachtig licht maakt het geheel rusteloos en verstild tegelijk. Er gebeurt ogenschijnlijk weinig, en toch voel je de dreiging van verandering. Er is storm op komst. Je weet het, maar het valt niet te beheersen. De herfstige snijwind breekt het opstuivende zeewater op in miljarden negatieve ionen. Je kreet het uit, als een strijder, zomaar, wandelt verder, alsof er niets is gebeurd en ook niet zal gebeuren. De storm is nog veraf, het water raakt je voeten niet. Nog niet. Toch weet je dat het zal gebeuren, maar het niet valt te beheersen. Onderweg vind je een paar mooie schelpen, blaaswier, flessendoppen, wrakhout. Je volgt een spoor van vriendelijke hondenpoten, loopt om kasteelruïnes heen, om hartjes in het zand, forever yours- beloftes. Alles, inclusief jijzelf, worden steeds vaker, steeds meer, geraakt door de dreiging van water en wolken. De eerste druppels vallen. De dijk lijkt steeds verder op te schuiven. Achter jou blaft de hond naar zijn baas, een stip. In het leigrijze landschap pinkelen de lampjes van de tearooms ver. Je volgt ze, als vele kleine vooravondsterren. Je voetsporen verdwijnen in het zand, lopen vol en verdwijnen. Je kunt het niet beheersen. Je laat niks van jezelf achter, je neemt alleen maar mee: wat schelpen, wat steentjes, en een handvol beheersbare woorden.

Geef een reactie