Niéts

Daar hang je dan, over de vensterbank, als de volmaakte bloem:

perfect gelukkig en niet bewust dat je verwelken moet.

Je snoept een fluwelen abrikoosje op, zachter dan de billen van Marie-Antoinette.

Beneden, in de glanzende straat, hoor je stemmen klagen.

‘Het regent!’

Ah, het regent, en er is niéts…

Dagen die niets dienen; gekantklost voor een mijmering, geweven voor een mafje om halftwee.

Daarna een thee, en nog wat gapen, voor je naar buiten gaat, de koelte in, in je regenjas.

Een ‘lenteloomte’… Het klinkt als een roman; een feuilleton van achttienhonderd, gegoten in een linnen band. Goud op snee, en kwastjes.

De bomen bruisen beelden. Ik zie feeën in de wilg, heksen in de vlier. De wereld houdt zich rustig.

En er is… niéts.

Geen eigen groen.

Slechts kleine, zoete meiboomhofjes,

en krawierelig struweel,

schouwen en miauwen.

En dakgootduiven.

Hoekjes vol klimop.

Door het hoge raam leer je van de wereld houden.

Je ziet schaduw langs de lijsten lopen,

en daarachter, die diepe, diepe onweerslucht,

met haar dramatische schichten,

met haar zachtgedempte tinten.

Parelgrijs en saliegroen.

Het roze van frambozen.

Wollig wit, als een waaiertrotse tortelstaart…

Niet opgelet, inmiddels is het uitgeklaard.

Ont-luiken

Ik, stadsmens, die nooit echt in de natuur heeft geleefd, heb wel geleerd om naar de natuur te kíjken; tussen de bakstenen van de rijhuizen en de tuinmuren, de plaveien van het tuinpad, de terrastegels en de klinkers van de straten, want daar verstopt ze zich verlegen, de lente. De mezen en merels roepen haar porseleinachtig naar buiten, maar ze wil nog niet helemaal. Toch, eenmaal de maartse zon haar de hand reikt komt ze tevoorschijn in een zwierige bloemenjurk en verschijnen de krokussen, narcissen en viooltjes, zélfs in de donkerste oksels van stad.
Maart is de maand van oeroude godinnen. Deze week vierden we de dag van de vrouw. Laat ons ook aandacht hebben voor de kleine vrouwtjes, en hun kenmerkende fascinatie voor al het lieflijke dat hen betovert; bloesems, knoppen, kevers en kruid. Ze houden ervan, ze spreken er mee. Hekserij in poppenformaat. Een aangeboren liefde voor wat Einstein ‘the cosmic mind’ noemde…
Maart: de winterse lente. De maand waarin mijn grootvader minstens een paar mollen moet vangen, waarin gepoetst moet worden, de heg moet worden gesnoeid en spinnen naar binnen komen om naar klassieke muziek te luisteren. Dus zet eens La Primavera op, of iets van Grieg. Als het maar dat ont-luiken verklankt. Lap de ramen en gooi ze open, laat het nieuws voor wat het is en ga naar buiten. Praat met de bloemen, zeg hen iets liefs…

Kerremesse

In een paar scheve zinnen beschrijf ik het landschap van de Westhoek dat in bleke flitsen aan mij voorbijschiet en mij aan de welige boezem van mijn Ieperse grootmoeder doet denken. Ieper, kattestad, mijn tweede thuis.

Ik spoor langs de vruchtbare akkers, de glooiende heuvels, de vriendelijke, historische dorpjes en villafermettes tussen de knotwilgen. Land van beeldenstormers en boerenverstand. Hoppeland. Land van picon en potjesvlees. Land van eeuwig verdriet…

‘Bachten de kuupe’ moet de eerste lente altijd wat extra moeite doen om uit te blinken. Maar langs de bermen staan al wat hovaardige krokussen naar de zon te lonken. Dat is een goed teken. Ze zingen hun ‘gloria in excelsis deo’ als nonnetjes van een degelijk kloostermerk. En dan, tussen wat donkere cipressen, rijzen de zerken van een Engels Oorlogskerkhof op. Ik hoor de doodsreutels over de akkers weergalmen en ondertussen valt er wat ouderwetse regen uit de lucht. Dan weer een streep zon. ‘Kerremesse in d’helle’, zou grootmoeder hebben gezegd. Gloria in excelsis deo. Ach, wie kent de kunst van sterven. Krokussen, grootmoeders, soldaten; alles wat leeft lijkt gemaakt om te vergaan en kostbaar te worden. En plots vind ik het vreemd dat wij allemaal naar onsterfelijkheid verlangen in een universum dat geregeerd wordt door verval…

Die middag ga ik met mijn nicht naar de kermis, waar we aan een schietkraam elk vijftig ‘poetins’ neerknallen in ruil voor wat musketons en een pluche eenhoorn. (Mo tis ol gin oar snien, enni…)

Rozenkrans

Gegeven dat bijna elke cel in je lichaam

is veranderd sinds je een kind was,

Gegeven dat bijna al je waarden,

verlangens en ambities

nu anders zijn

Gegeven dat de mensen rondom jou

gekomen en gegaan zijn

Gegeven dat je innerlijk en uiterlijk

volledig bent getransformeerd,

is dat wat jou en het kind dat je was

tot dezelfde persoon maakt

niets meer dan de draad

van selectief geheugen

-een binneninverhaal-

dat de meest betekenisvolle kralen

aaneenrijgt tot de rozenkrans

die een persoonlijkheid is

Wolf

‘Vroeger kwam hier bus 6 langs,’ zei hij in een exotisch Frans vanuit het bushokje. ‘Nu wacht ik op een bus waarvan ik zelfs niet weet waar hij naartoe rijdt. Zo slijt ik tegenwoordig de meeste middagen, op de bus, onderweg naar nergens en weer terug.’

‘Woont u in de buurt?’

‘Hiér, in een van die serviceflats. Ik wil niet klagen, maar zo pas is er weer iemand gestorven. Geen vriend, hoor. Gewoon, een vriendelijk gezicht dat ik zo nu en dan eens tegenkwam in de lift. Hij woonde op het achtste. De vriendelijke gezichten… Ze zijn schaars tegenwoordig. Nee, die man en ik praatten eigenlijk nooit met elkaar. Alleen die Vlaamse ‘knik’, weet u wel. Mond in de spleet, kin naar binnen. Nu, het toeval wil dat hij nog niet zo lang geleden toch eens een gesprekje met me had aangeknoopt. Eerst vroeg hij iets over de syndicus, daarna hoe ik wilde sterven, en uit beleefdheid vroeg ik het daarop aan hem. Trots en alleen, zei hij, als een wolf op hoge heuvel, die over het bos kijkt waarin hij zijn hele leven heeft gewoond. Hij vertrouwde mij toe dat hij niemand zou missen, met uitzondering van de cactus die de afgelopen tien jaar naast hem op de vensterbank had gestaan. Ook dat hij tegen de begrafenisindustrie was en daarom niet in een kist wilde begraven worden, maar dat ze hem in de slaapzak moesten leggen waarmee hij in zijn jonge jaren de wereld was rondgereisd. Geen bloemen, want allergisch aan stuifmeel. En als er een dienst zou gehouden worden dan moest het simpel en vrolijk, met – hij had geen schroom om het te zeggen – schlagermuziek. Geen formele toespreken, en al zéker geen ‘gezanten van God’…’

‘En?’

‘Ja, zo is het gegaan. Min of meer toch. Ik heb me laten vertellen dat hij gestorven is voor het raam, met zicht op de glinsterende stad. Op tafel een afscheidsbriefje waarop geschreven stond: GEEN COMMENTAAR.’

Bus 16 kwam aangereden, pufte voor het bushokje de deuren open. De man stapte in. Ik groette hem met Vlaamse knik, en ging weer verder.

Duel

Mijn moeder heeft een pijnlijke jeugd gekend die diepe sporen heeft nagelaten. Sporen die, in plaats van te vervagen met de tijd, haar leven tot op de dag van vandaag vormgeven. Al jarenlang achtervolgt haar pijn haar als een onzichtbare schaduw. Toch heeft ze altijd één krachtig wapen gehad: woorden. Schrijven was voor haar altijd een manier om te overleven. Als kind gebruikte ze woorden als een schild tegen zij die haar niet begrepen, niet geloofden. Gedichten, verhalen, zelfs brieven: een uitlaatklep voor gevoelens die niet uitgesproken konden worden. Het schrijven gaf haar een gevoel van controle in een wereld die sterk onrechtvaardig was.

Al liet iedereen haar in de steek, haar talent liet haar niet los.

In het psychiatrisch ziekenhuis waar mijn moeder nu verblijft, wordt haar schrijven niet alleen gewaardeerd, maar gebruikt als medicijn. Het is verbazingwekkend om te zien hoe iets wat in de ogen van velen slechts ‘hobby’ of ‘tijdverdrijf’ is, werkelijk helend werkt. De gedichten die uit haar pen komen, zijn geen vluchtige krabbels, maar krachtige manifestaties van haar ziel. Het ziekenhuis heeft dit begrepen: kunst is geen luxe, geen voorrecht van een elite, maar een universele genezer. Psychiatrische patiënten worden vaak teruggedrongen tot hun diagnoses, hun onvermogen om te functioneren in een wereld die weinig ruimte biedt voor kwetsbaarheid. Maar wat als we hun kunst, hun schrijven, hun muziek, hun schilderijen erkennen als waardevolle giften waar we iets van kunnen leren? Het PZ Dr. Guislain heeft deze visie omarmd. Het biedt niet alleen zorg, maar ook een platform voor creativiteit. Ik wil hen dan ook bedanken voor hun werk, hun respect voor de kracht van kunst en voor hun steun aan mijn moeder. Dankzij hen kan zij zich uiten, zichzelf weer vinden, het gesprek met haar demonen aangaan via poëzie. De schoonheid van haar woorden kan nu anderen raken, haar stem wordt gehoord. In plaats van haar te definiëren door een psychiatrische diagnose, erkent men haar als een kunstenaar, een schrijver. In de komende maanden zal ik enkele van haar gedichten met jullie delen. Ze zijn niet alleen een stukje van haar geschiedenis, maar ook een stukje van onze gezamenlijke zoektocht naar dat wat het leven de moeite maakt.

Kortom: misschien kunnen we allemaal leren om verder te kijken dan de beperkingen die we aan mensen toeschrijven, om hun talenten te zien, in plaats van alleen hun ziekte. Kunst is voor iedereen. Voor iedereen die het zoekt en nodig heeft. Mijn moeder heeft dat altijd geweten. Via haar DNA werd de liefde voor woorden en de kracht van verhalen doorgegeven. Ik schrijf, en ik herken de sporen van mijn moeders stem in alles wat ik doe. Haar stem leeft in mij, spreekt door mij heen; een erfenis die zowel pijn als schoonheid in zich draagt…

Y2K

Het is 1999. Ons leven is de perfecte coming of age movie; een cultklassieker met toegewijde aanhangers. We vinden indigo de mooiste kleur van de regenboog en kauwen op snoepjes met viooltjessmaak. Het kindersprookje is een Tim Burton film geworden: plots is alles zilver, zwart en paars. We zien eruit al Lilith en Eva: speels, ondeugend, een beetje duister, een beetje Lolita Lempicka… We dragen crop tops, fluweel, chokers en platformschoenen. Cherry cola is ons nieuwe ‘drink-me’-drankje en we worden steeds groter. De wetten van de realiteit worden in geheime dagboeken herschreven met glinsterende, magische inkt. Sleutel om de hals. We verduisteren onze getransformeerde kamers en verdiepen ons in tienermagazines: “The milleniumbug is real” en “Zoenen doe je zo”. Cocteau Twins op de achtergrond. We lezen stukjes uit ‘De volgelingen van Satan’, roepen geesten op met kaarsen en vlechten vlinders in ons haar. We vouwen voorspelbloemen, schrijven gedichten en bellen met de Droomtelefoon. Alles ruikt naar bubbelgum en glitter body spray. Niets wijst erop dat we later met een diep verlangen op deze scène zullen terugkijken. Het is 1999. Een slaappartijtje. En we lachen naar de nacht, als Kolderkatten.

Oh-zo-rococo

Het schilderij van een mollige, naakte schoonheid, met een schelproze huid, trekt mijn aandacht. Het past perfect bij het weelderige interieur waarin het hangt. ‘Dat ben ik,’ zegt ze trots, ‘lang geleden, in de jaren 60, toen bloot niet uitgelegd moest worden.

Ze zit in een fauteuil waarin haar dierbare ‘mamaa’ nog is gestorven. Het meubel is overtrokken met een rijke, amberkleurige stof. Geel is haar lievelingskleur. Het fluit, zegt ze. Kleuren maken geluiden. Het Noorderlicht zingt. Schumann hoorde kleur, net zoals Liszt. Dat alles vertelt ze me terwijl ik naar haar schilderij blijf staren; naar de poederige billen, de chaise-longue, de kousen op de vloer, het boek waarin niet wordt gelezen. Haar wangen blozen, haar lippen staan iets uit elkaar. Ze kijkt de maker recht in de ogen terwijl hij haar adolescente schoonheid vastlegt voor de eeuwigheid. Hij fluistert iets dat ik niet kan horen. Een zachte lijnvoering… Het krijt breekt bij de lenden…

Ze staat op en haalt twee champagneglazen uit het dressoir. ‘Veuve Clicquot?’ vraag ik verrast. ‘Nee,’ werpt ze tegen, ‘Veuve Verschaffel. Is dat ook goed?’

Mevrouw Verschaffel is een boudoir met verwelkte rozen. Ze schenkt het glas in, biedt me een stoel aan naast een stapel ouderwetse jurken in klagende pastels. Zelf gemaakt. Op het dressoir staat haar parfumflesjesverzameling. Als ze alleen is, ruikt ze aan de leegte. Daarnaast wat Sèvres-porselein, antiek en kanten lapjes. Alles liegt, niks weerspiegelt de waarheid; het probeert zo hartstochtelijk de realiteit te vermijden dat het erdoor wordt opgeslokt.

Zugunruhe

Mijn moeder begrijpt niet dat er mensen bestaan die iets zien in de herfst, en er dan ook nog gedichten over schrijven die bulken van bewondering. Ze kan er niet bij. Rond deze tijd van het jaar staat ze met een gekrulde neus naar buiten te kijken alsof alles stinkt naar eekhoorntjes en paddenstoelen. ‘God,’ zei ze laatst, ‘ge hebt de software van de seizoenen weer eens verkeerd ingesteld, hé!’ Daarna keek ze op haar horloge, om dan zeer ernstig te verkondigen dat de dag nu even lang is als de nacht.

Ik heb mijn liefde voor de herfst dus niet van haar geërfd. Ik vind het eigenlijk de beste, mooiste, heerlijkste tijd; de tijd waarin de natuur het duidelijkst tot mij spreekt. In de herfst word je getrakteerd op een orgie van beelden, geuren en geluiden. De zon staat anders aan de hemel en werpt een mysterieus licht dat de naderende verandering voorspelt. De verstikkende hitte wordt verdreven door een koele bries. Ademhalen gaat plotseling gemakkelijker. Het gretige zweet in de straten verdampt. Je wil zo diep mogelijk inademen, om elk molecuul dat de wind met zich meedraagt in je op te nemen. De lucht is gekruid met de geur van verroeste bladeren en rood fruit.

De vermoeide eentonigheid van het diepgroen van september vervaagt en vlamt op in de scharlaken esdoorns, citroengele populieren en gouden hickories van oktober. Appelbomen kleuren vermiljoen, druiventrossen hangen zwaar. De boomgaarden bieden een laatste lokroep. De dagpauwogen verzamelen nectar voordat de winter hen insluit.

Het Duitse woord ‘zugunruhe’ beschrijft de seizoensgebonden migratie van de vogels. Willen migreren vanuit een onrustig enthousiasme… Het is herkenbaar. Ik lig languit op de bank te luisteren naar Five Leaves Left van Nick Drake. Tegen de gloed van de late septemberavond tekent zich de reislust van wat ganzen af. Ja, in deze dagen van vreugdevolle urgentie zou ik eeuwig willen blijven hangen, als een hele grote, angstaanjagende spin, om elk geluid te horen, en dromerig in de belofte van het eeuwig sterven te staren.

Schudden

Café Belmondo is een fijn estaminet in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Op het terras staan Parijse wicker-stoelen en koperen patiencetafeltjes. Ze geven wat ze beloven: in al haar bont pluimage komt de wereld er aan je voorbij. Je hoort er alle talen waaien en vergaapt je er aan de decadenten van onze eeuw die hun scrupules onder een pruik verbergen. Er is weinig wind.

Sombere gedachten worden weggeroerd door een kop zwarte koffie waarin de wolken weerspiegelen. Ik snoep wat granaatappelpitjes op. Bezuinigingen. Binnenkort ben ik werkloos… Hoeveel bedraagt een werkloosheidsuitkering? Wat zal ik hierna gaan doen? Moet ik naar Antwerpen verhuizen? Opnieuw gaan studeren? Lachen? Huilen? Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dat ik mijn winkeltje heel erg zal missen. Mijn tweede thuis. Bij momenten mijn eerste. De rustige routine, de gezellige zekerheden, onverwachte bezoekjes, de verhalen van klanten, de verhalen óver klanten, de zon van rechts naar links zien draaien, het leven aanschouwen door een blinkende etalage. Het is mooi geweest.

De serveerster vraagt of ik nog een koffie wil. Ik schud van nee. Dadelijk is er de afscheidsborrel van mijn uitgeverij in de Zwarte Panter. De herfst, een tijd van grote transities. Alles wordt melancholisch zonder reden. In de Zwaluwstraat wonen alleen duiven. Ze wassen zich in de schilferige dakgoten. ‘Shake it off,’ zingt Taylor Swift door een telefoon. De duiven hebben het gehoord en schudden nu zorgeloos hun veren. Laten we dat dan ook maar doen.