Het schilderij van een mollige, naakte schoonheid, met een schelproze huid, trekt mijn aandacht. Het past perfect bij het weelderige interieur waarin het hangt. ‘Dat ben ik,’ zegt ze trots, ‘lang geleden, in de jaren 60, toen bloot niet uitgelegd moest worden.
Ze zit in een fauteuil waarin haar dierbare ‘mamaa’ nog is gestorven. Het meubel is overtrokken met een rijke, amberkleurige stof. Geel is haar lievelingskleur. Het fluit, zegt ze. Kleuren maken geluiden. Het Noorderlicht zingt. Schumann hoorde kleur, net zoals Liszt. Dat alles vertelt ze me terwijl ik naar haar schilderij blijf staren; naar de poederige billen, de chaise-longue, de kousen op de vloer, het boek waarin niet wordt gelezen. Haar wangen blozen, haar lippen staan iets uit elkaar. Ze kijkt de maker recht in de ogen terwijl hij haar adolescente schoonheid vastlegt voor de eeuwigheid. Hij fluistert iets dat ik niet kan horen. Een zachte lijnvoering… Het krijt breekt bij de lenden…
Ze staat op en haalt twee champagneglazen uit het dressoir. ‘Veuve Clicquot?’ vraag ik verrast. ‘Nee,’ werpt ze tegen, ‘Veuve Verschaffel. Is dat ook goed?’
Mevrouw Verschaffel is een boudoir met verwelkte rozen. Ze schenkt het glas in, biedt me een stoel aan naast een stapel ouderwetse jurken in klagende pastels. Zelf gemaakt. Op het dressoir staat haar parfumflesjesverzameling. Als ze alleen is, ruikt ze aan de leegte. Daarnaast wat Sèvres-porselein, antiek en kanten lapjes. Alles liegt, niks weerspiegelt de waarheid; het probeert zo hartstochtelijk de realiteit te vermijden dat het erdoor wordt opgeslokt.