Oh-zo-rococo

Het schilderij van een mollige, naakte schoonheid, met een schelproze huid, trekt mijn aandacht. Het past perfect bij het weelderige interieur waarin het hangt. ‘Dat ben ik,’ zegt ze trots, ‘lang geleden, in de jaren 60, toen bloot niet uitgelegd moest worden.

Ze zit in een fauteuil waarin haar dierbare ‘mamaa’ nog is gestorven. Het meubel is overtrokken met een rijke, amberkleurige stof. Geel is haar lievelingskleur. Het fluit, zegt ze. Kleuren maken geluiden. Het Noorderlicht zingt. Schumann hoorde kleur, net zoals Liszt. Dat alles vertelt ze me terwijl ik naar haar schilderij blijf staren; naar de poederige billen, de chaise-longue, de kousen op de vloer, het boek waarin niet wordt gelezen. Haar wangen blozen, haar lippen staan iets uit elkaar. Ze kijkt de maker recht in de ogen terwijl hij haar adolescente schoonheid vastlegt voor de eeuwigheid. Hij fluistert iets dat ik niet kan horen. Een zachte lijnvoering… Het krijt breekt bij de lenden…

Ze staat op en haalt twee champagneglazen uit het dressoir. ‘Veuve Clicquot?’ vraag ik verrast. ‘Nee,’ werpt ze tegen, ‘Veuve Verschaffel. Is dat ook goed?’

Mevrouw Verschaffel is een boudoir met verwelkte rozen. Ze schenkt het glas in, biedt me een stoel aan naast een stapel ouderwetse jurken in klagende pastels. Zelf gemaakt. Op het dressoir staat haar parfumflesjesverzameling. Als ze alleen is, ruikt ze aan de leegte. Daarnaast wat Sèvres-porselein, antiek en kanten lapjes. Alles liegt, niks weerspiegelt de waarheid; het probeert zo hartstochtelijk de realiteit te vermijden dat het erdoor wordt opgeslokt.

Zugunruhe

Mijn moeder begrijpt niet dat er mensen bestaan die iets zien in de herfst, en er dan ook nog gedichten over schrijven die bulken van bewondering. Ze kan er niet bij. Rond deze tijd van het jaar staat ze met een gekrulde neus naar buiten te kijken alsof alles stinkt naar eekhoorntjes en paddenstoelen. ‘God,’ zei ze laatst, ‘ge hebt de software van de seizoenen weer eens verkeerd ingesteld, hé!’ Daarna keek ze op haar horloge, om dan zeer ernstig te verkondigen dat de dag nu even lang is als de nacht.

Ik heb mijn liefde voor de herfst dus niet van haar geërfd. Ik vind het eigenlijk de beste, mooiste, heerlijkste tijd; de tijd waarin de natuur het duidelijkst tot mij spreekt. In de herfst word je getrakteerd op een orgie van beelden, geuren en geluiden. De zon staat anders aan de hemel en werpt een mysterieus licht dat de naderende verandering voorspelt. De verstikkende hitte wordt verdreven door een koele bries. Ademhalen gaat plotseling gemakkelijker. Het gretige zweet in de straten verdampt. Je wil zo diep mogelijk inademen, om elk molecuul dat de wind met zich meedraagt in je op te nemen. De lucht is gekruid met de geur van verroeste bladeren en rood fruit.

De vermoeide eentonigheid van het diepgroen van september vervaagt en vlamt op in de scharlaken esdoorns, citroengele populieren en gouden hickories van oktober. Appelbomen kleuren vermiljoen, druiventrossen hangen zwaar. De boomgaarden bieden een laatste lokroep. De dagpauwogen verzamelen nectar voordat de winter hen insluit.

Het Duitse woord ‘zugunruhe’ beschrijft de seizoensgebonden migratie van de vogels. Willen migreren vanuit een onrustig enthousiasme… Het is herkenbaar. Ik lig languit op de bank te luisteren naar Five Leaves Left van Nick Drake. Tegen de gloed van de late septemberavond tekent zich de reislust van wat ganzen af. Ja, in deze dagen van vreugdevolle urgentie zou ik eeuwig willen blijven hangen, als een hele grote, angstaanjagende spin, om elk geluid te horen, en dromerig in de belofte van het eeuwig sterven te staren.

Schudden

Café Belmondo is een fijn estaminet in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Op het terras staan Parijse wicker-stoelen en koperen patiencetafeltjes. Ze geven wat ze beloven: in al haar bont pluimage komt de wereld er aan je voorbij. Je hoort er alle talen waaien en vergaapt je er aan de decadenten van onze eeuw die hun scrupules onder een pruik verbergen. Er is weinig wind.

Sombere gedachten worden weggeroerd door een kop zwarte koffie waarin de wolken weerspiegelen. Ik snoep wat granaatappelpitjes op. Bezuinigingen. Binnenkort ben ik werkloos… Hoeveel bedraagt een werkloosheidsuitkering? Wat zal ik hierna gaan doen? Moet ik naar Antwerpen verhuizen? Opnieuw gaan studeren? Lachen? Huilen? Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dat ik mijn winkeltje heel erg zal missen. Mijn tweede thuis. Bij momenten mijn eerste. De rustige routine, de gezellige zekerheden, onverwachte bezoekjes, de verhalen van klanten, de verhalen óver klanten, de zon van rechts naar links zien draaien, het leven aanschouwen door een blinkende etalage. Het is mooi geweest.

De serveerster vraagt of ik nog een koffie wil. Ik schud van nee. Dadelijk is er de afscheidsborrel van mijn uitgeverij in de Zwarte Panter. De herfst, een tijd van grote transities. Alles wordt melancholisch zonder reden. In de Zwaluwstraat wonen alleen duiven. Ze wassen zich in de schilferige dakgoten. ‘Shake it off,’ zingt Taylor Swift door een telefoon. De duiven hebben het gehoord en schudden nu zorgeloos hun veren. Laten we dat dan ook maar doen.

Onbeantwoordbaar

Je vraag is onbeantwoordbaar.

Je wilt weten hoe te leven?

Je leeft zoals je leven kunt.

Want er is geen enkel voorschrift

– voor geen enkel individu –

dat het juiste zou moeten zijn.

Als dat is wat je zoekt, of wilt,

dan word je best gelovig. Maar

als je je eigen weg wilt gaan,

doe het dan onvoorgeschreven.

Laat het dan vanzelf ontspinnen.

Ook de kosmos is niks meer dan

een eindeloos experiment.

Het heelal breidt uit zonder plan.

De ene voet voor de ander.

Dat is met stip het beste pad.

Het leidt gewoon waarheen het gaat.

Doe iets met een betekenis;

met een betekenis voor jou,

uit de vrije pols geschilderd:

een landschap zonder horizon.

Under the wild sky…

Er zijn momenten nodig in het leven waarop er niets gebeurt en de ziel zich kan uitstrekken. Op twee minuten was het beslist: we zouden samen naar Aquitanië gaan, meer bepaald naar Sainte-Colombe-de-Villeneuve; een plaatsje waar hoegenaamd niets hoeft te gebeuren.

Enkele dagen later lagen we onder de statige ceders die hun verkoelende schaduw werpen over het zeventiende-eeuwse landhuis ‘Lamothe’ en haar gîtes. Mijn compagnonne de route en ik deelden de grote kamer ‘Lisette’ (toevallig of niet de naam van mijn grootmoeder).

Nooit eerder had ik gezelschap gevonden dat zo gezellig was als het veilige, eigen gezelschap dat men de eenzaamheid noemt. Gezelschap, zelfs met de beste, kan al gauw vermoeiend zijn, maar dit gezelschap was het niet, omdat wij de liefde voor de stilte deelden, en samen alleen konden zijn.

Na het avondeten trokken we de heuvels in om het landschap te verkennen; de wijngaarden, de weiden met de korenschoven, de velden met lange rijen notelaars en pruimenbomen. De pruneaux d’Agen hangen er als verleidelijke paarse eieren aan de takken. Maar vers zijn ze zuur. Je moet ze gedroogd eten, met een goed glas bordeaux erbij.

We waren niet gewoon aan zoveel ruimte om ons heen en strekten voortdurend onze armen, alsof wij niet konden geloven aan de onmetelijke afstand tussen onszelf en de horizon. Al onze zintuigen spitsten zich; iets dat de stad ons voortdurend verhindert omdat er te veel stoorzenders zijn.

Nergens zag ik een mooiere zonsondergang dan hier. Eentje die touroperators maar wat graag zouden patenteren. De gloeiende bal zakt glimlachend neer tussen de veldbloemen. In het dal luiden klokken. Een vleermuis zwikt voorbij in het rozige schemerlicht.

Vanaf de heuvel werpen we nog een laatste blik op het landschap dat doet denken aan de schilderijen van van Gogh. Of aan die van Modigliani, die in zijn carrière maar vier landschappen schilderde. Hij schilderde ze aan het einde van de eerste oorlog, in Zuid-Frankrijk, waar hij naartoe was gevlucht omdat het drukke Parijs hem ziek maakte. In het landschap rond Lamothe zitten alle Modigliani-kwaliteiten vervat; iets lyrisch, stils, melancholisch, contemplatiefs, langgerekts, sprookjesachtigs, etherisch. De cipressen, de mediterrane huizen met rode daken, geschilderd in een beperkt kleurenpalet van diepgroen en oranjerood.

Mijn compagnonne fladdert naar de heuvelrand en draait zich naar me om. Ze draagt een lange, zwarte jurk. Een langgerekte muze van Modigliani. Elegant, als de pijnbomen met hun hogen slanke stammen. Na een stille sterrennacht, waarin niet de minste krekel de rust verstoord, volgt de mistige ochtend waarin honingeters zingen.

Men zegt altijd dat een mens maar één keer leeft. Dat is niet juist. Hij sterft maar één keer en leeft iedere dag. Dankbaar voor deze onvergetelijke ervaring ‘under the wild sky’. Lamothe, van oudsher een stopplaats langs de camino de Santiago, door de Gentse ‘grande dame’ Sophie tot pleisterplek gemaakt waar men in alle rust en schoonheid kan afdalen in het allerdiepste Zelf…

Kauai-o’O

Tussen krakend kreupelhout,
gebladerte en struikgewas,
zocht ik druk naar duizendpoten
en ander kruipsel dat er was

Op de toppen van Hawaï
dronk ik nectar uit de bloemen –
het drankje van de Eeuwigheid,
dat de oude Goden roemen

En in mijn holle boom vond ik
een schuilplaats tussen twijgen,
waar de muggen, varkens, ratten
mij niet zouden kunnen krijgen

Na de koude toorn van Iniki
viel een kruis over mijn soort;
in het Alakaimoerasbos
werd ons finaal duet gehoord

Ik, eindling, zong een laatste keer
mijn eeuwenoude lied – alleen –
voor het vrouwtje dat niet kwam
en voorgoed van hier verdween

Vanuit een etalagekast,
in een hoek van een museum,
fluit ook ik, kauai-o’ O,
nu een stil en droef Te Deum

Miele

Weermannen zijn politiekers: veel beloven en weinig waarmaken. Vorige week gaven ze nog een lief lentezonnetje en milde temperaturen, weer ‘om de was buiten te laten drogen’. Vandaag denk ik eraan om aan mijn jaarlijks Allerheiligenstukje te beginnen. Normaal gezien schrijf ik dat ergens eind oktober, op het Campo Santo, in de sfeer van een negentiende-eeuwse dood; van een lange, zwarte rouwmis, met bleke deernes die flauwvallen bij een rijkelijk geornamenteerd graf, terwijl een grijze, verrimpelde pastoor met een monastiek gezicht een armzalige tuberculoselijder ter aarde besteld. En oude vrouwtjes, met levervlekken in het aangezicht, en monden als snijbranders, snotterend de aardse beproevingen verbijtend…

Terwijl de regen met dikke, opgehitste strepen uit het donkere zwerk striemt, en paraplu’s tegenwinds opklawieren, bedenk ik mij dat het weer eigenlijk geheel in lijn ligt met de verkiezingsuitslagen: het maakt reclame voor Vlaanderen. Die horizontale wind, dat grijs uit één stuk, dat stil verlatene en kil-klammige dat doet verlangen naar wortelstamppot met een in de mosterd gebraden hespenknook: het moet in de canon.

Sombere gedachten bij de centrale verwarming; stilaan de nationale sport. Ik sluit mijn ogen en luister eventjes naar het vertrouwde geluid van door plassen scheurende banden en piepende ruitenwissers. In de verte een radiootje waaruit een lied over nutteloos verdriet klinkt. Aan het raam komt iemand voorbij die met een snotterige verkoudheid rustig stroomafwaarts wandelt, met het rioolwater mee…

De mistroostigheid bloeit tegenwoordig in elk seizoen en het is beslist geen weer om de was buiten te hangen. Eerder om een droogkast-uit-de-solden te kopen. Een hele goeie Miele, die nog jaren meegaat.

Fossiel

Net als hout

wordt steen gewaardeerd

omwille van zijn individualiteit

Grote, eenzame keien:

pronkstukken in een Japanse tuin –

De eigenaardige kleur,

vorm en textuur van elk ervan

draagt bij aan de sfeer van het landschap

Platte, onregelmatig gevormde stenen;

gebruikt om te bestraten,

als fundament, als wandelpad,

of als oprit van een huis

Te banaal om te beschrijven

En toch…

Geschrobd en besproeid met water,

glanzend in de vroege ochtendzon,

of gloeiend in het licht

van een wiegende lantaarn

wordt steen weer deel van ons,

bewoners van de Grote Steen –

gedreven door de kosmische oceaan

van pure ruimtetijd;

een planeet die grotendeels

tot wereld werd gemaakt

door zijn rotsachtigheid

Steen gaf ons bergen en bruggen,

en werkbladen in de keuken,

het eerste Prometheïsche vuur

dat de beschaving aanwakkerde

Een rots is een reliekschrijn;

het open oppervlak van een kloof

waarvan de omzoomde lagen

evolutionaire tijdperken blootleggen

Het fossiel dat op het strand wordt ontstoft

en de angstaanjagende waarheid belichaamt

dat we allemaal potentiële fossielen zijn

met de levendige grofheid

van vroegere vormen van bestaan

in onze allerkleinste deeltjes

Spass muss sein!

De Duitse toerist had voor vertrek allicht heel wat vakantiegenoegens voor ogen: bieren proeven in Brugge, wandelen op het strand van Oostende, Ensor zien, en in Brussel – zo had hij gehoord – was er iets interessants te doen rond het Belgisch surrealisme. Spass muss sein!

Maar van dat alles was tot nu toe nog niks in huis gekomen, want zijn vrouw wilde maar één ding doen; datgene wat zij altijd en overal deed, zowel binnen als buiten de vertrouwde landsgrenzen: der Einkaufsbummel, of dat wat hier vroeger winkelen noemde, en nu shoppen.

‘Etalages bekijken, mevrouw, daaruit bestaan mijn vakanties. Ik heb al meer etalages gezien dan musea, meer kleren dan kunstwerken. Alle respect voor de creativiteit van de middenstander, maar het gaat me te ver! Bij élke etalage blijft ze staan. En wijzen naar hier, en wijzen naar daar, terwijl ik bestendig enkele lengtes voorop lig, wachtend tot ze is uitgewezen en bijgebeend. Maar let op: eens je zelf een etalage hebt gevonden, die jouw interesse heeft gewekt, – een met boeken, bijvoorbeeld, of met van die ouderwetse rookwaren, zakmessen, e-readers, kazen van de streek, of degelijke pantoffels – is ze de eerste om te zeggen dat we die dingen ‘bij ons’ voor minstens een derde van de prijs kunnen kopen en dat de winkel in kwestie duidelijk een toeristenval is.’

Dus tsjokte de man maar volgzaam ‘mit seiner Gertraudchen mit’. Gertraud wist maar al te goed dat ze zijn geduld op de proef stelde, maar als hij het nog een winkel of vijftien volhield, zou ze hem trakteren op een wafel. En met een half winkelrek op de arm, verzocht ze hem braafjes op het bankje te wachten, en in zijn reisgids aan te duiden wat hij verder nog allemaal in België wilde zien…

Streuvel’s heuvels

Hij stelde zich de toekomst voor als een heerlijke warende: alles dichtgegroeid met velerlei soorten sierheesters en tronken, de stammen van de zilverberken ‘blekkerend’ tegen een donkere achterwand van groen, en over het middenplein hoogstammige waaibomen, met ruisend bladergewelf waartussen een woning gescholen en gedoken zou zitten als een nest in het groen… En meteen was de naam gevonden waarmee Stijn Streuvels zijn nieuwe woning zou dopen: het Lijsternest.

Achter deze statige witte villa strekt zich een glooiend landschap uit; een zee van jong, mals gras, doorregen met kluitige stukken land waarover kieviten scheren. In de verte, het idyllische zicht van een molen op een heuveltje. Langs het kronkelende wandelpad komen de personages van Stijn Streuvels tot leven. Er is niet veel nodig om boer Louis en boerin Barbele met paard en kar over de veldwegels te zien hobbelen, een hand te zien opsteken vanuit de vlaschaard of vanop het erf voor dat eenzame boerenhof; ze schuifelen je met de spade of een melkkan tegemoet.

In de bermen steekt de inkarnaatklaver zijn rood-roze bloemen omhoog. Daarnaast, tussen het fluitekruid, wat stinkende gouwen, ‘kolleblommen’ en klaprozen. Dromerig slingert men zich een weg door deze bucolica, tot Tiegem, dat op een redelijke hoogte ligt. Daar, in de verte, ligt de Kwaremont. Links en rechts de toren van een lief kerkje… En in de perengaard zoemt de lente in haar beste zondagse kleren.