Wolf

‘Vroeger kwam hier bus 6 langs,’ zei hij in een exotisch Frans vanuit het bushokje. ‘Nu wacht ik op een bus waarvan ik zelfs niet weet waar hij naartoe rijdt. Zo slijt ik tegenwoordig de meeste middagen, op de bus, onderweg naar nergens en weer terug.’

‘Woont u in de buurt?’

‘Hiér, in een van die serviceflats. Ik wil niet klagen, maar zo pas is er weer iemand gestorven. Geen vriend, hoor. Gewoon, een vriendelijk gezicht dat ik zo nu en dan eens tegenkwam in de lift. Hij woonde op het achtste. De vriendelijke gezichten… Ze zijn schaars tegenwoordig. Nee, die man en ik praatten eigenlijk nooit met elkaar. Alleen die Vlaamse ‘knik’, weet u wel. Mond in de spleet, kin naar binnen. Nu, het toeval wil dat hij nog niet zo lang geleden toch eens een gesprekje met me had aangeknoopt. Eerst vroeg hij iets over de syndicus, daarna hoe ik wilde sterven, en uit beleefdheid vroeg ik het daarop aan hem. Trots en alleen, zei hij, als een wolf op hoge heuvel, die over het bos kijkt waarin hij zijn hele leven heeft gewoond. Hij vertrouwde mij toe dat hij niemand zou missen, met uitzondering van de cactus die de afgelopen tien jaar naast hem op de vensterbank had gestaan. Ook dat hij tegen de begrafenisindustrie was en daarom niet in een kist wilde begraven worden, maar dat ze hem in de slaapzak moesten leggen waarmee hij in zijn jonge jaren de wereld was rondgereisd. Geen bloemen, want allergisch aan stuifmeel. En als er een dienst zou gehouden worden dan moest het simpel en vrolijk, met – hij had geen schroom om het te zeggen – schlagermuziek. Geen formele toespreken, en al zéker geen ‘gezanten van God’…’

‘En?’

‘Ja, zo is het gegaan. Min of meer toch. Ik heb me laten vertellen dat hij gestorven is voor het raam, met zicht op de glinsterende stad. Op tafel een afscheidsbriefje waarop geschreven stond: GEEN COMMENTAAR.’

Bus 16 kwam aangereden, pufte voor het bushokje de deuren open. De man stapte in. Ik groette hem met Vlaamse knik, en ging weer verder.

Duel

Mijn moeder heeft een pijnlijke jeugd gekend die diepe sporen heeft nagelaten. Sporen die, in plaats van te vervagen met de tijd, haar leven tot op de dag van vandaag vormgeven. Al jarenlang achtervolgt haar pijn haar als een onzichtbare schaduw. Toch heeft ze altijd één krachtig wapen gehad: woorden. Schrijven was voor haar altijd een manier om te overleven. Als kind gebruikte ze woorden als een schild tegen zij die haar niet begrepen, niet geloofden. Gedichten, verhalen, zelfs brieven: een uitlaatklep voor gevoelens die niet uitgesproken konden worden. Het schrijven gaf haar een gevoel van controle in een wereld die sterk onrechtvaardig was.

Al liet iedereen haar in de steek, haar talent liet haar niet los.

In het psychiatrisch ziekenhuis waar mijn moeder nu verblijft, wordt haar schrijven niet alleen gewaardeerd, maar gebruikt als medicijn. Het is verbazingwekkend om te zien hoe iets wat in de ogen van velen slechts ‘hobby’ of ‘tijdverdrijf’ is, werkelijk helend werkt. De gedichten die uit haar pen komen, zijn geen vluchtige krabbels, maar krachtige manifestaties van haar ziel. Het ziekenhuis heeft dit begrepen: kunst is geen luxe, geen voorrecht van een elite, maar een universele genezer. Psychiatrische patiënten worden vaak teruggedrongen tot hun diagnoses, hun onvermogen om te functioneren in een wereld die weinig ruimte biedt voor kwetsbaarheid. Maar wat als we hun kunst, hun schrijven, hun muziek, hun schilderijen erkennen als waardevolle giften waar we iets van kunnen leren? Het PZ Dr. Guislain heeft deze visie omarmd. Het biedt niet alleen zorg, maar ook een platform voor creativiteit. Ik wil hen dan ook bedanken voor hun werk, hun respect voor de kracht van kunst en voor hun steun aan mijn moeder. Dankzij hen kan zij zich uiten, zichzelf weer vinden, het gesprek met haar demonen aangaan via poëzie. De schoonheid van haar woorden kan nu anderen raken, haar stem wordt gehoord. In plaats van haar te definiëren door een psychiatrische diagnose, erkent men haar als een kunstenaar, een schrijver. In de komende maanden zal ik enkele van haar gedichten met jullie delen. Ze zijn niet alleen een stukje van haar geschiedenis, maar ook een stukje van onze gezamenlijke zoektocht naar dat wat het leven de moeite maakt.

Kortom: misschien kunnen we allemaal leren om verder te kijken dan de beperkingen die we aan mensen toeschrijven, om hun talenten te zien, in plaats van alleen hun ziekte. Kunst is voor iedereen. Voor iedereen die het zoekt en nodig heeft. Mijn moeder heeft dat altijd geweten. Via haar DNA werd de liefde voor woorden en de kracht van verhalen doorgegeven. Ik schrijf, en ik herken de sporen van mijn moeders stem in alles wat ik doe. Haar stem leeft in mij, spreekt door mij heen; een erfenis die zowel pijn als schoonheid in zich draagt…

Y2K

Het is 1999. Ons leven is de perfecte coming of age movie; een cultklassieker met toegewijde aanhangers. We vinden indigo de mooiste kleur van de regenboog en kauwen op snoepjes met viooltjessmaak. Het kindersprookje is een Tim Burton film geworden: plots is alles zilver, zwart en paars. We zien eruit al Lilith en Eva: speels, ondeugend, een beetje duister, een beetje Lolita Lempicka… We dragen crop tops, fluweel, chokers en platformschoenen. Cherry cola is ons nieuwe ‘drink-me’-drankje en we worden steeds groter. De wetten van de realiteit worden in geheime dagboeken herschreven met glinsterende, magische inkt. Sleutel om de hals. We verduisteren onze getransformeerde kamers en verdiepen ons in tienermagazines: “The milleniumbug is real” en “Zoenen doe je zo”. Cocteau Twins op de achtergrond. We lezen stukjes uit ‘De volgelingen van Satan’, roepen geesten op met kaarsen en vlechten vlinders in ons haar. We vouwen voorspelbloemen, schrijven gedichten en bellen met de Droomtelefoon. Alles ruikt naar bubbelgum en glitter body spray. Niets wijst erop dat we later met een diep verlangen op deze scène zullen terugkijken. Het is 1999. Een slaappartijtje. En we lachen naar de nacht, als Kolderkatten.

Oh-zo-rococo

Het schilderij van een mollige, naakte schoonheid, met een schelproze huid, trekt mijn aandacht. Het past perfect bij het weelderige interieur waarin het hangt. ‘Dat ben ik,’ zegt ze trots, ‘lang geleden, in de jaren 60, toen bloot niet uitgelegd moest worden.

Ze zit in een fauteuil waarin haar dierbare ‘mamaa’ nog is gestorven. Het meubel is overtrokken met een rijke, amberkleurige stof. Geel is haar lievelingskleur. Het fluit, zegt ze. Kleuren maken geluiden. Het Noorderlicht zingt. Schumann hoorde kleur, net zoals Liszt. Dat alles vertelt ze me terwijl ik naar haar schilderij blijf staren; naar de poederige billen, de chaise-longue, de kousen op de vloer, het boek waarin niet wordt gelezen. Haar wangen blozen, haar lippen staan iets uit elkaar. Ze kijkt de maker recht in de ogen terwijl hij haar adolescente schoonheid vastlegt voor de eeuwigheid. Hij fluistert iets dat ik niet kan horen. Een zachte lijnvoering… Het krijt breekt bij de lenden…

Ze staat op en haalt twee champagneglazen uit het dressoir. ‘Veuve Clicquot?’ vraag ik verrast. ‘Nee,’ werpt ze tegen, ‘Veuve Verschaffel. Is dat ook goed?’

Mevrouw Verschaffel is een boudoir met verwelkte rozen. Ze schenkt het glas in, biedt me een stoel aan naast een stapel ouderwetse jurken in klagende pastels. Zelf gemaakt. Op het dressoir staat haar parfumflesjesverzameling. Als ze alleen is, ruikt ze aan de leegte. Daarnaast wat Sèvres-porselein, antiek en kanten lapjes. Alles liegt, niks weerspiegelt de waarheid; het probeert zo hartstochtelijk de realiteit te vermijden dat het erdoor wordt opgeslokt.

Zugunruhe

Mijn moeder begrijpt niet dat er mensen bestaan die iets zien in de herfst, en er dan ook nog gedichten over schrijven die bulken van bewondering. Ze kan er niet bij. Rond deze tijd van het jaar staat ze met een gekrulde neus naar buiten te kijken alsof alles stinkt naar eekhoorntjes en paddenstoelen. ‘God,’ zei ze laatst, ‘ge hebt de software van de seizoenen weer eens verkeerd ingesteld, hé!’ Daarna keek ze op haar horloge, om dan zeer ernstig te verkondigen dat de dag nu even lang is als de nacht.

Ik heb mijn liefde voor de herfst dus niet van haar geërfd. Ik vind het eigenlijk de beste, mooiste, heerlijkste tijd; de tijd waarin de natuur het duidelijkst tot mij spreekt. In de herfst word je getrakteerd op een orgie van beelden, geuren en geluiden. De zon staat anders aan de hemel en werpt een mysterieus licht dat de naderende verandering voorspelt. De verstikkende hitte wordt verdreven door een koele bries. Ademhalen gaat plotseling gemakkelijker. Het gretige zweet in de straten verdampt. Je wil zo diep mogelijk inademen, om elk molecuul dat de wind met zich meedraagt in je op te nemen. De lucht is gekruid met de geur van verroeste bladeren en rood fruit.

De vermoeide eentonigheid van het diepgroen van september vervaagt en vlamt op in de scharlaken esdoorns, citroengele populieren en gouden hickories van oktober. Appelbomen kleuren vermiljoen, druiventrossen hangen zwaar. De boomgaarden bieden een laatste lokroep. De dagpauwogen verzamelen nectar voordat de winter hen insluit.

Het Duitse woord ‘zugunruhe’ beschrijft de seizoensgebonden migratie van de vogels. Willen migreren vanuit een onrustig enthousiasme… Het is herkenbaar. Ik lig languit op de bank te luisteren naar Five Leaves Left van Nick Drake. Tegen de gloed van de late septemberavond tekent zich de reislust van wat ganzen af. Ja, in deze dagen van vreugdevolle urgentie zou ik eeuwig willen blijven hangen, als een hele grote, angstaanjagende spin, om elk geluid te horen, en dromerig in de belofte van het eeuwig sterven te staren.

Schudden

Café Belmondo is een fijn estaminet in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Op het terras staan Parijse wicker-stoelen en koperen patiencetafeltjes. Ze geven wat ze beloven: in al haar bont pluimage komt de wereld er aan je voorbij. Je hoort er alle talen waaien en vergaapt je er aan de decadenten van onze eeuw die hun scrupules onder een pruik verbergen. Er is weinig wind.

Sombere gedachten worden weggeroerd door een kop zwarte koffie waarin de wolken weerspiegelen. Ik snoep wat granaatappelpitjes op. Bezuinigingen. Binnenkort ben ik werkloos… Hoeveel bedraagt een werkloosheidsuitkering? Wat zal ik hierna gaan doen? Moet ik naar Antwerpen verhuizen? Opnieuw gaan studeren? Lachen? Huilen? Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dat ik mijn winkeltje heel erg zal missen. Mijn tweede thuis. Bij momenten mijn eerste. De rustige routine, de gezellige zekerheden, onverwachte bezoekjes, de verhalen van klanten, de verhalen óver klanten, de zon van rechts naar links zien draaien, het leven aanschouwen door een blinkende etalage. Het is mooi geweest.

De serveerster vraagt of ik nog een koffie wil. Ik schud van nee. Dadelijk is er de afscheidsborrel van mijn uitgeverij in de Zwarte Panter. De herfst, een tijd van grote transities. Alles wordt melancholisch zonder reden. In de Zwaluwstraat wonen alleen duiven. Ze wassen zich in de schilferige dakgoten. ‘Shake it off,’ zingt Taylor Swift door een telefoon. De duiven hebben het gehoord en schudden nu zorgeloos hun veren. Laten we dat dan ook maar doen.

Onbeantwoordbaar

Je vraag is onbeantwoordbaar.

Je wilt weten hoe te leven?

Je leeft zoals je leven kunt.

Want er is geen enkel voorschrift

– voor geen enkel individu –

dat het juiste zou moeten zijn.

Als dat is wat je zoekt, of wilt,

dan word je best gelovig. Maar

als je je eigen weg wilt gaan,

doe het dan onvoorgeschreven.

Laat het dan vanzelf ontspinnen.

Ook de kosmos is niks meer dan

een eindeloos experiment.

Het heelal breidt uit zonder plan.

De ene voet voor de ander.

Dat is met stip het beste pad.

Het leidt gewoon waarheen het gaat.

Doe iets met een betekenis;

met een betekenis voor jou,

uit de vrije pols geschilderd:

een landschap zonder horizon.

Under the wild sky…

Er zijn momenten nodig in het leven waarop er niets gebeurt en de ziel zich kan uitstrekken. Op twee minuten was het beslist: we zouden samen naar Aquitanië gaan, meer bepaald naar Sainte-Colombe-de-Villeneuve; een plaatsje waar hoegenaamd niets hoeft te gebeuren.

Enkele dagen later lagen we onder de statige ceders die hun verkoelende schaduw werpen over het zeventiende-eeuwse landhuis ‘Lamothe’ en haar gîtes. Mijn compagnonne de route en ik deelden de grote kamer ‘Lisette’ (toevallig of niet de naam van mijn grootmoeder).

Nooit eerder had ik gezelschap gevonden dat zo gezellig was als het veilige, eigen gezelschap dat men de eenzaamheid noemt. Gezelschap, zelfs met de beste, kan al gauw vermoeiend zijn, maar dit gezelschap was het niet, omdat wij de liefde voor de stilte deelden, en samen alleen konden zijn.

Na het avondeten trokken we de heuvels in om het landschap te verkennen; de wijngaarden, de weiden met de korenschoven, de velden met lange rijen notelaars en pruimenbomen. De pruneaux d’Agen hangen er als verleidelijke paarse eieren aan de takken. Maar vers zijn ze zuur. Je moet ze gedroogd eten, met een goed glas bordeaux erbij.

We waren niet gewoon aan zoveel ruimte om ons heen en strekten voortdurend onze armen, alsof wij niet konden geloven aan de onmetelijke afstand tussen onszelf en de horizon. Al onze zintuigen spitsten zich; iets dat de stad ons voortdurend verhindert omdat er te veel stoorzenders zijn.

Nergens zag ik een mooiere zonsondergang dan hier. Eentje die touroperators maar wat graag zouden patenteren. De gloeiende bal zakt glimlachend neer tussen de veldbloemen. In het dal luiden klokken. Een vleermuis zwikt voorbij in het rozige schemerlicht.

Vanaf de heuvel werpen we nog een laatste blik op het landschap dat doet denken aan de schilderijen van van Gogh. Of aan die van Modigliani, die in zijn carrière maar vier landschappen schilderde. Hij schilderde ze aan het einde van de eerste oorlog, in Zuid-Frankrijk, waar hij naartoe was gevlucht omdat het drukke Parijs hem ziek maakte. In het landschap rond Lamothe zitten alle Modigliani-kwaliteiten vervat; iets lyrisch, stils, melancholisch, contemplatiefs, langgerekts, sprookjesachtigs, etherisch. De cipressen, de mediterrane huizen met rode daken, geschilderd in een beperkt kleurenpalet van diepgroen en oranjerood.

Mijn compagnonne fladdert naar de heuvelrand en draait zich naar me om. Ze draagt een lange, zwarte jurk. Een langgerekte muze van Modigliani. Elegant, als de pijnbomen met hun hogen slanke stammen. Na een stille sterrennacht, waarin niet de minste krekel de rust verstoord, volgt de mistige ochtend waarin honingeters zingen.

Men zegt altijd dat een mens maar één keer leeft. Dat is niet juist. Hij sterft maar één keer en leeft iedere dag. Dankbaar voor deze onvergetelijke ervaring ‘under the wild sky’. Lamothe, van oudsher een stopplaats langs de camino de Santiago, door de Gentse ‘grande dame’ Sophie tot pleisterplek gemaakt waar men in alle rust en schoonheid kan afdalen in het allerdiepste Zelf…

Kauai-o’O

Tussen krakend kreupelhout,
gebladerte en struikgewas,
zocht ik druk naar duizendpoten
en ander kruipsel dat er was

Op de toppen van Hawaï
dronk ik nectar uit de bloemen –
het drankje van de Eeuwigheid,
dat de oude Goden roemen

En in mijn holle boom vond ik
een schuilplaats tussen twijgen,
waar de muggen, varkens, ratten
mij niet zouden kunnen krijgen

Na de koude toorn van Iniki
viel een kruis over mijn soort;
in het Alakaimoerasbos
werd ons finaal duet gehoord

Ik, eindling, zong een laatste keer
mijn eeuwenoude lied – alleen –
voor het vrouwtje dat niet kwam
en voorgoed van hier verdween

Vanuit een etalagekast,
in een hoek van een museum,
fluit ook ik, kauai-o’ O,
nu een stil en droef Te Deum

Miele

Weermannen zijn politiekers: veel beloven en weinig waarmaken. Vorige week gaven ze nog een lief lentezonnetje en milde temperaturen, weer ‘om de was buiten te laten drogen’. Vandaag denk ik eraan om aan mijn jaarlijks Allerheiligenstukje te beginnen. Normaal gezien schrijf ik dat ergens eind oktober, op het Campo Santo, in de sfeer van een negentiende-eeuwse dood; van een lange, zwarte rouwmis, met bleke deernes die flauwvallen bij een rijkelijk geornamenteerd graf, terwijl een grijze, verrimpelde pastoor met een monastiek gezicht een armzalige tuberculoselijder ter aarde besteld. En oude vrouwtjes, met levervlekken in het aangezicht, en monden als snijbranders, snotterend de aardse beproevingen verbijtend…

Terwijl de regen met dikke, opgehitste strepen uit het donkere zwerk striemt, en paraplu’s tegenwinds opklawieren, bedenk ik mij dat het weer eigenlijk geheel in lijn ligt met de verkiezingsuitslagen: het maakt reclame voor Vlaanderen. Die horizontale wind, dat grijs uit één stuk, dat stil verlatene en kil-klammige dat doet verlangen naar wortelstamppot met een in de mosterd gebraden hespenknook: het moet in de canon.

Sombere gedachten bij de centrale verwarming; stilaan de nationale sport. Ik sluit mijn ogen en luister eventjes naar het vertrouwde geluid van door plassen scheurende banden en piepende ruitenwissers. In de verte een radiootje waaruit een lied over nutteloos verdriet klinkt. Aan het raam komt iemand voorbij die met een snotterige verkoudheid rustig stroomafwaarts wandelt, met het rioolwater mee…

De mistroostigheid bloeit tegenwoordig in elk seizoen en het is beslist geen weer om de was buiten te hangen. Eerder om een droogkast-uit-de-solden te kopen. Een hele goeie Miele, die nog jaren meegaat.