Aurora

“Een vriendin is ziek, en ligt op de bank te slapen. Ze is een schilderij; het hoofd en de nek gestrekt, haar linkerhand elegant op haar middel gelegd, haar bleke voetjes naar binnen, over elkaar gekruist. Ze is tijdloos, maar ze weet het niet.

In de rechterhoek de televisie, zonder geluid; de lelijke oorlog, revoluties, omwentelingen. Mijn slapende vriendin lijkt buiten die wereld te bestaan. Aurora in haar toren, een wereld op zich; de ogen gesloten, hoort niet wat er gebeurt. Droomt ze van betere dagen? Een geheime extase? Het leven-dat-zou-kunnen-zijn?

Haar scharlaken sjaal contrasteert met het donkerblauw van de fluwelen divan. Nooit eerder heb ik het geweld zo mooi tegen de vrede zien contrasteren. Een stukje van haar hals is bloot gebleven. Wat zou er kunnen landen? Een kusje, misschien…

Ze slaapt onder de koorts, onder het ritmische geklop van haar hart, onder die pompende, zachtgroene ader, onder korte kreten van welbehagen, onder de tederblauwe blik, van iemand die het kleinste heeft gezien.

De winterse middag tikt verder de avond in. Ik maak thee in de keuken, aai de kat, maak ook een kop voor haar. Wanneer ik terugkom, is ze wakker, en zegt ze: ‘jij bent hier.” Ik knik en zet de mok neer, bedek haar met een deken, en “Ik kom nog wel eens terug…”

– Fragment uit een oud dagboek

Jerky

Herfstimpressies

“A lotta birch trees over here. Probably a lotta wild boars too… And bears…” zegt de man naast me, met een accent uit de cowboyfilms. Knikjes, die ontspruiten vanuit een oprecht vermoeden. We staren allebei door het beloken treinraam naar buiten; naar de leegstaande fabrieken, de oude spoorwegbeddingen, de ‘ugly Belgian houses’ en de herfstkleuren die precies nooit uit de mode gaan.

Hij komt helemaal uit Texas vandaan om België te zien. Dit magisch-droevige landschap, tussen Ciney en Arlon, vindt hij het mooiste dat hij tot nu toe gezien heeft omdat het hem aan Game of Thrones doet denken. Of aan Harry Potter, daar is hij nog niet aan uit.

Hij biedt me een ‘jerky’ aan; een dun, grijzig stokje vlees dat waarschijnlijk al heel lang dood is. Ik weiger beleefd, lieg dat ik vegetariër ben. We zwijgen een poosje en ik schil een mandarijntje. Terwijl we aan de berkenbossen voorbij scheuren, bestudeer ik hem in de reflectie van het raam: kalebas van een hoofd, waarop nog enkele dunne, grijze haren moedig rechtop blijven staan, als de ‘last survivors’ op een kaal, door de zon verschroeid slagveld. Kleine kraaloogjes, brede neus met stompe punt, de krullende mond van iemand die altijd honger heeft…

En plots daagt het me, dat ik in zijn beeltenis dat vriendelijke zwijn van Marcassous herken.

“Yep, a lotta wild boars over here,” herhaalt hij stellig met gekruiste armen. “Think I just saw one.”

Ik knik bevestigend naar dat spiegelbeeld, en met een ingehouden glimlach begin ik aan mijn stukje.

Alles wat je weet

De Kempen hebben mooie bossen, zei mij buurvrouw laatst. Volgens haar is de Belgische herfst nergens zo indrukwekkend als daar, in de streek rond Olen. Ik ken Olen enkel van horen zeggen, van ‘de pot van Olen’, al weet ik niet hoe die eruitziet. En het zal wel waar zijn van die Kempische bossen, maar dan denk ik: we moeten toch niet per se naar Olen om het gezellig te maken? Je kunt hier toch ook wat moeite doen? Al zijn we hopeloos ‘stads’; ook hiér is de herfst soms sprookjesboekenmooi.

Zeker ’s avonds, in een kamer waar je tweeënlijk alleen kunt zijn, met uitzicht op de uitgeluchte, stervende bomen, of een dito straat. Gordijnen dicht, wat kaarsenlicht. We kruipen er diep in weg, in de avond. We lezen, in Elschot, Baudelaire, in een bezielde stilte, of staren – lekker melancholisch – door het raam; naar een opwaaiende krant, een wandelaar, weggedoken in de kraag van een natte regenjas, oprukkende brandganzen. Een kop thee van wilde tijm. Verstoppertje spelen voor alles wat niet pluis is; voor het journaal, God, de oorlog.

En plots voel je je schuldig, omdat je het haast té gezellig hebt. Omdat er theetjes op de tafel staan, je het warm hebt, en slechts gebukt gaat onder relatieve zorgen. Omdat je daar, languit en veilig, over zoveel goede dingen droomt. Omdat de maan voor jou altijd -zo magisch klaar en koel- in de oneindigheid blinkt. Omdat je de keuze hebt om weg te kijken, jezelf af te sluiten. Omdat jij het hier zo goed hebt, en zij -daar ver- zo slecht. Omdat je, ondanks alles wat je over de wereld weet, nog steeds kunt lachen. Stilletjes weliswaar. Het is geen tijd van luid genieten, maar van minzaam appreciëren, wat jij hebt en die ander niet…

Tien jaar De Grauwe Gekheid!

Een lichte werkloosheid en vage verveling vullen de woonkamer. Buiten rilt de stad. Het een en ander kwaakt en ruist, lantaarnlicht valt moe naar binnen. Een melding: HOERA! Uw WordPress Blog ‘De Grauwe Gekheid’ bestaat 10 jaar. Tien jaar… En mijmerend blik ik op, naar die voorbijgevlogen jaren.

Toen ik met deze blog begon, had ik nooit kunnen vermoeden welke deuren hij voor me zou openen. Ik dacht: dit doe ik waarschijnlijk weer een jaar of twee, tot ik het beu ben. Nooit had ik kunnen denken dat hij zou uitgroeien tot een wezenlijk deel van mezelf; tot een houvast, tot een pleister op mijn levenswonden, tot een doel op zich. En nooit had ik me kunnen voorstellen hoe hij me in verbinding zou stellen met zovele anderen. Met u!

Ik houd er nog steeds erg van om cursiefjes te schrijven. Het leven vertellen, als een bitterzoet sprookje. Soms rauw, soms grappig, vaak allebei. Want de humor beweegt zich immers altijd in de nabijheid van de ernst; van de gewone alledaagsheid; van het ongenoegen, de verontwaardiging, het verdriet en de verveling. Zelfs van ziekte en van dood.

Ik ben geen groot schrijver, slechts een chroniqueur van onmisbare overbodigheden. Maar in dat archiveren van al die onbelangrijke kostbaarheden heb ik voor mezelf een nobel doel gevonden. Mijn schrijven is gaandeweg een levensopvatting geworden, waarbij ik probeer om met humor dit aardse bestaan wat draaglijker te maken. De waarachtige humor schaterlacht niet, grijnst niet, grimlacht niet. Integendeel, hij glimlacht je teder toe, omdat hij aanvaardt, begrijpt, relativeert en verzoent. En dàt wil ik blijven doen: teder glimlachen, naar al het grauwe en het gekke in de wereld. Naar u!

d’ Ouwe Egberts

Oude mensen zijn doorgaans dol op koffie. Een warm kopje Douwe Egberts, liefst met een grote Delacre-doos erbij. Hun fijne, rimpelige lippen drukken ze dan zachtjes tegen het gebloemd Chinees porselein aan, om met opgetrokken wenkbrauwen de eerste laag koffie weg te slurpen en een verrukte ‘aaah’ uit te kreten.

Ik kende in mijn jeugd maar één oud mens dat geen koffie lustte. Ik ben haar naam vergeten, maar het was iemand van de Ziekenzorg die regelmatig op ronde ging om het parochiaal maandblad uit te delen. Een Limburgse van Munsterbilzen, geloof ik. Enfin, koffie dat vond ze maar kolengruis.

Bij voorkeur dronk ze groene thee omdat die tsjokvol fytonutriënten zat die je leven aanzienlijk verlengden. Tweeëntachtig vond zij kennelijk nog niet oud genoeg. ‘Die thee is een levensverzekering,’ meende ze. ‘Een levensverzekering! Ik snap niet hoe die Chinese dynastieën met al hun groene thee ooit zijn kunnen uitsterven… Het is goed tegen vanalles en nog wat; hart- en vaatziekten, stress, beroertes, rimpels, artrose…’

Hoewel deze mevrouw een trouwe kerkgangster was, hield zij toch ook zeer van de ‘Oosterse wijsheden’. Voor haar raam stond zo’n dikke bronzen Boeddha en in haar kleren hing nog het gebrande cederhout van de avond voordien, waarop ze op een groot, handgecrocheerd kussen had neergezeten om niks anders te doen dan groene thee te slurpen. Ze vond het rustgevend, en eigenlijk ook spiritueel.

Voor haar mocht theedrinken dan ook op een meer rigoureus en filosofisch voetstuk worden geplaatst. Van het koken van het water, tot het voorzichtig nippen van de mok: een moment van verstilling dat gerust gepaard mocht gaan met wat plechtigheid en diepgang. En dat was heel wat anders, zo zei ze eens met gekrulde neus, dan het haastig opschenken van dat bitter kolengruis, van die koffie, waar iedereen zo verslingerd aan is maar zo zenuwachtig van wordt als een losgeslagen ‘koekerel’.

Dan riep ze nog iets over de bijnieren en cortisol, en over de benzine van de loonslavernij, om dan met hoog geheven vinger nog een rits andere contra’s op te sommen. Omdat wij geen thee in huis hadden, stelden wij voor om wat paardenbloemen uit de lochting te trekken en die in kokend water te doen. Maar ze weigerde, zei een keer stilletjes ‘oooom’ en nam nog een botersigaartje uit de koekendoos.

Künstler

Vandaag is er iets voorgevallen dat mij zeer getroffen heeft. In de Van Eyckstraat zat een man geknield op de grond tussen zijn spullen. Het was alsof er zonet een wervelwind door zijn huis was geraasd, die heel zijn hebben en houden naar buiten had geblazen.

Het leven had hem diepe rimpels gegeven, vooral rond zijn mond, en om de staalblauwe ogen waarmee hij wanhopig op zich heen keek. Hij klampte mij aan, stak zijn geaderde hand naar mij uit. Zwarte nagels. Ik stond slechts een meter van hem af, maar in werkelijkheid was die meter een hele afstand, die ik mentaal niet kon overbruggen. Hij gaf toe dat hij heroïne spoot en aan die rommel al zijn geld had uitgegeven. Hij besefte dat hij ‘ein Verlierer’ was, maar daarnaast was hij ook ‘Künstler’, iets wat hem toch nog eerbaar scheen…

Zijn tekeningen en schilderijen lagen – goeddeels kapotgeslagen – om hem heen. ‘Neemt u alstublieft dit werk aan,’ zei de man, terwijl hij een ongelukkig geschilderd portret van een oud, kaal ventje voor zich uithield. ‘Ik heb altijd de mensen geschilderd die mij geholpen hebben,’ legde hij uit. ‘Maar nu zit ik zonder modellen…’

De uithuiszetting had vroeg deze ochtend plaatsgegrepen, en hij wist nog niet waar hij vannacht zou slapen. In het slechtste geval om de hoek, in het doodlopende straatje, waar hij zijn matras had gedumpt. ‘Met een beetje geluk blijft het droog,’ glimlachte hij schamper. Een mentale afstand die ik niet kon overbruggen… Ik gaf hem enkele euro’s. Een aalmoes om mijn gemoedsrust mee af te kopen. ‘Ooit zal ik u schilderen.’ En hij meende het.

Amateur

Een klant van mij vond het zeer verwonderlijk dat ‘een winkeljuffrouw’ -zonder noemenswaardige diploma’s- ook boeken kan schrijven. En dan nog wel geschiedkundige. Toen ik haar vroeg welk genre boeken zij dan van mij verwacht had, hield haar profijtige mondje het woord ‘stationsromannetjes’ netjes binnen, en uit beleefdheid las ze toch maar eens de achterflap. Met argwaan weliswaar, want hoe kan het in godsnaam bestaan dat iemand die sokken en truien verkoopt ook degelijk intellectueel werk kan verrichten? ‘Maar u kan toch wel veel beter dan… dít?’, voegde ze er (alluderend op mijn job) nog aan toe. Ik wist niet of ik dat als een compliment of een belediging moest beschouwen, maar het maakte in se niet uit. Uiteindelijk heeft ze het boek gekocht, en ik hoop dat ze na het lezen ervan iets minder vooroordelen overhoudt ten aanzien van simpele ‘winkeljuffrouwen’.

Wat ik daarover wil zeggen is echter het volgende: mensen met een passie doen soms beter dan mensen met een diploma. En dat omdat de leek, de amateur, de gepassioneerde niet schrijft, onderzoekt, maakt of creëert vanuit een moeten, maar vanuit een mógen. Hij doet iets, niet omdat een universiteit, een bedrijf of enig ander hem daartoe de opdracht heeft gegeven, maar omdat een intrinsieke stem hem hiertoe beweegt. Jacques Brel zei: ‘Le talent, ça n’existe pas. Le talent, c’est d’avoir envie de faire quelque chose.’ De zin om iets te doen, daarover gaat het. Bovendien kijkt de amateur met onbezoedelde ogen naar zijn werk, en niet door de academische bril, door dewelke men vaak alleen maar regeltjes en dogma’s ziet. Het is de spontaniteit die de liefhebber soms op onbewandelde paden brengt. Kijk maar naar Einstein, of van Gogh.

De leek, voor wiens werk de neus al snel wordt opgetrokken, kan toch een echte specialist inzake zijn. Want hij telt de uren niet af, hij telt ze net óp. Vol trots zegt hij dat hij al honderdzeventig uren aan zijn modelvliegtuig heeft gebouwd, zich al drie decennia over het leven van Napoleon buigt, of al sinds zijn jeugd de geschiedenis van de Nederlandse taal bestudeert. En dan mag hij overdag nog worsten draaien, brieven bezorgen of muren metsen; de amateur heeft iets waaraan het de ‘professional’ misschien ontbreekt: vrijheid. De vrijheid om iets tot in de kern te exploreren, zonder dat er prestaties, projectgeld of prestige mee gemoeid is.

In de donkere garage, de stoffige zolderkamer of in het schemerlicht van een oude lamp werkt de amateur als met een dierlijk instinct aan zijn project; aan een schilderij, een muziek- of kledingstuk, een roman, een wiskundige formule, een dichtbundel of een studie over diepzeevissen. En dat énkel en alleen omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en niet ‘omdat hij ervoor gestudeerd heeft’.

Nieuwbouw

Daar wordt een gebouw begraven.

De rouwstoet is reeds op de been;

draagt al wat gebroken staven,

restanten uit de muren heen

Een park met laagbouw moet er nu…

Gargantua wordt neergehaald.

Een man onder een paraplu

heeft er al zijn plaats betaald:

‘Dáár komt het dan,’ zo zegt hij trots,

en houdt zijn vinger voor zich uit,

totdat een graafmachine plots

het startschot van de sloop inluidt.

Het oud cement breekt koppig af:

er barst, er brokkelt, bulkt, er kraakt.

Het gruis stort neder in het graf,

dat voor de reus werd klaargemaakt.

Na vijftig jaar valt een icoon.

Een schaduw rolt met grof geweld.

En mooi of niet, het is toch triest

dat het ter aarde werd besteld.

De rupsen laden snel en noest:

zo klinkt het treurdicht, het verhaal,

van een gebouw dat sterven moest

in stof en scherven, roest metaal.

Spook

Ik loop eens langs het huis van vrienden, die nu bij God in Frankrijk wonen. Het ziet er nog hetzelfde uit, en toch voelt het heel anders. Alsof het herbezield werd; herbestemd, getransformeerd. De wisteria is niet gesnoeid, de ramen lang niet meer gelapt. Ik schaduw in de vuile ruiten, en denk nog eens aan ‘toen’.

Hier ben ik zo vaak thuis geweest, aangemeld of onverwachts. Ik hoor nog schel de klingelbel, het ploppen van de kurken, het klinken van de glazen, moppen na de moezelwijn. Ik heb er ooit gedanst, in lange, wijde hoepeljurken, met pruiken op, en maskers om. Madame de Pompadour van Gent. Quadrille Française, Duke of kent. Ik ruik nog de mahoniekasten, de katten en het huisparfum; cederhout en Opium. Boulettes Liégeoises. En zie nog de portretten; dames, kanten kragen, baronnen met sigaren. Het theeservies, dessert in zicht. Een wanli-schaal, pralines. Een schaterlach-met-tranen. De anti-chambre, schaars verlicht.

De tijd walst traag aan mij voorbij… Scènes uit het au-delà; als troebele passages, beelden uit mijn levensfilm. Hier woonde onze vriendschap, en in die vriendschap blijf ik thuis. Ik kan erover schrijven, maar dààr schrijf ik nooit meer. Want dààr schrijft iemand anders nu; een man die kortgeleden zijn haar nog kort liet knippen, als goede vader waakt, en zeker nu en dan, een rokende baron ziet spoken, door de gang…

Groentje

LET OP: bevat ironie

Een groene jongen zei onlangs tegen mij dat hij het allesbehalve ecologisch vond om ‘s zomers met het vliegtuig op reis te gaan. Met een eensgezinde knik beaamde ik dat en zei dat ik ook tot het najaar wachtte om nog eens naar Italië te vliegen. Tot de klimaatopwarming een beetje was overgewaaid en de prijzen weer gedaald. Na een oncomfortabele stilte vroeg hij me naar mijn meest memorabele zomer, die ongetwijfeld die in Madeira was, waar ik iedere dag van die hele grote satés aan het spit had gegeten. En geroosterde tonijnmoten, maar dat zei ik niet, want zo’n groene jongen mag je natuurlijk niet te veel tegen de borst stuiten.

Maar het was dus dié zomer, in Ponta do Sol, waar ik met vrienden een huisje in de heuvels had gehuurd. Beneden scheen de zon in de oceaan, terwijl het boven, in de bananenplantages, vaak stroboscopisch onweerde. En overal bloemen. Zo’n eilandgevoel, dat kun je niet uitleggen. Je wordt er door alle natuurelementen omgeven; zee, wind, watervallen, rotsen… Het ‘één te zijn met alles’, dat is fantastisch; een wandeling door de mistige bergen, of door het laatst overgebleven laurissilvawoud; een levend, ademend overblijfsel uit het verre verleden van onze aarde. De geur van laurier in de ijle avondlucht. Boomkikkers, gekko’s en schildpadden die stiekem wegkruipen. Het ‘plejaaa’ van wilde pauwen in de verte. En dan die vissershaventjes, waar knoestige werkhanden het eten bereiden; de espetada’s en de carne de vinho, de albacore en de lapas. En achteraf nog een bolo, met rauwe berghoning, die door diezelfde werkhanden geslingerd wordt.

De groene jongen antwoordde dat hij zijn meest memorabele zomer in Berlijn had doorgebracht. Hij was er verdorie naartoe gefiétst. Wel met de trein teruggekomen, maar toch… In Kreuzberg, dicht bij alle bekende clubs, had hij logies gevonden in een zero-waste hotel met zicht over de hele metropool. En hij had natuurlijk heel erg vegan gegeten. En ook gedronken, want op iedere hoek van de straat kun je er haverlattes krijgen. Daar kon ik natuurlijk niks tegen inbrengen. Ik was niet groen en zou het volgens hem nooit worden…