De Assels

De Assels

Ik ontzie me de wandeling maar laat de eerste kilometer zonder veel morren onder mijn voetstappen wegglijden. Mijn zintuigen prikkelen mij wakker: de kou snijdt, de sneeuw smaakt bitterzoet, en ik wen maar moeizaam aan de stilte. Hoewel ik ook hier, zoals overal in Vlaanderen, ergens in de verte auto’s hoor razen. Aan de geur van de boerenbuiten wen je echter nooit. “Stank is goed voor d’ èrsens,” beweerde mijn grootvader altijd. Dat beweerde hij vooral nadat hij spruiten had gegeten. Maar toch, dat melancholisch beeld over mijn grootvader past wel bij de wandeling.
De gespierde boerenpaarden wasemen in dikke, wollige dampwolken al de kracht uit hun lijf. Het hoofd gedurig in de wolken…. Wat moet het fijn zijn om een boerenpaard te wezen.
De weide gesluierd met rijp, de oude knotwilgen als stoere, gebalde vuisten het landschap doorborend, de oude boerenhoven de tijd trotserend, de heesters kreunend onder ijskristal, haast sensueel krullend in de lage middagzon, alsof ze door een warme hand worden gestreeld en terstond ontdooien. Had ik schilderstalent gehad, dan was ik hier met mijn ezel neergestreken. Waarmee ik een andere ezel dan dat lief van mij bedoel.
Aan het veerpont wacht men ongeduldig om de oversteek te maken naar Afsnee, naar de brasserie, voor die dubbele pannenkoek waar men al heel de middag naar verlangt. Voor velen het hoogtepunt van de middag. Eens te water gelaten, wordt iedereen plots sympathiek. Onderweg geen woord, maar op het veer zwaait men de arm uit de kom naar onbekende passanten. De bootsman zet zijn pet op en denkt er het zijne van.
In het dunne sneeuwtapijt staat te lezen hoeveel de mensen van de Assels houden. Honderden voetsporen doorrijgen het smetteloos wit van de wandelpaden. Kleine voetstappen zigzaggen van links naar rechts, gedurig door verwondering van de wegels weggelokt. De grote in rechte pas vooruit, recht op die pannenkoek af. En hier en daar een hondenpoot, maar dat spoor moet je nooit volgen…
En voor ik het weet glijden ook die andere vijf kilometer onder de benen door. Ik zie alvast de toren van de abdij terug boven de Leie uitkronen, boven de broedplaatsen van de brandganzen die zich gezellig langs de oevers nestelen. Een jongetje loopt naar zijn vader met een groot, glimmend stuk ijs dat hij uit de bevroren grond heeft losgewrikt. ‘Kijk, papa, een diamant!’ Het lijkt me nog leuker om een kind te zijn dan een boerenpaard.
Aan het begin van het einde knikken de knieschijven en knort de maag, prikken de ogen van de ondergaande, koperblakende zon en jeukt mijn nek van de natte wol. Maar er is voldoening. Mijn hoogtepunt? Na dit alles, moeilijk te zeggen. En er zit nog een boule de Berlin in mijn rugzak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s