Itamambuca

Itamabuca, waar ligt dat? vroeg hij op parlementaire toon.

Zo ver dat het de moeite niet is om het op te zoeken, zei ze.

Hij krulde zijn neus met een blik van ’t is te duur en te omslachtig.

Cordoba dan? Dat is minder ver.

Nee, niet Cordoba. Daar is het zo warm dat je er in je schamele schamelheid moet rondlopen om het uit te houden.

De Lofoten? Dat ligt in het Noorden…

Ze knikte zuinig, maar zei dat ze het niet voor die diepgevroren Noren had, en al zeker niet voor gepekelde vis. Want ’t eten moet toch lekker zijn? Tenminste lekkerder dan thuis.

Bohemen? Dat is niet te warm en niet koud, en het eten is er lekker en goedkoop.

Maar er lopen wel beren rond in de bossen. En Bohemers, die geen Engels spreken.

In de Provence pakt de lavendel je momenteel op de adem, en in Normandië snijdt de wind je de keel af. Nergens zouden de sterren harder blinken dan in de Pyreneeën, maar dan slaap je toch al…

En zo ging het maar verder met de Vlaamse overdrijvingen, tot het laatste beetje zon schrijbeen op de velden zat die ze vanuit hun tuin vol vlinderstruiken konden zien.

Allee dan, misschien nog eens een uitstap naar de plantentuin van Meise, om de reuzenwaterlelies te zien. Hoewel ook zij een vijver vol plompeblaren hadden, met kikkers, en lelies waarin net geen elfjes dansten.

Ze tikten de Boheemse glazen, gevuld met Provençaalse wijn, stopten elkaar een stukje Normandische kaas in de mond en besloten dan een mens eigenlijk niet meer nodig heeft dan een stoel, een boom, wat schaduw, en iemand naast zich om graag te zien.

Plaats een reactie