Ondertussen ontwikkelt zich in het kajakhotel zonder kajak een heel eigen sociologie. Men kruist elkaar enkele keren in de hal of op de trap, knikt voorzichtig in de eetzaal en na drie dagen zegt iemand onvermijdelijk: ‘Ah, nog Vlamingen.’
Onze buren aan de ontbijttafel blijken twee broers uit Deinze. Mijn oom antwoordt onmiddellijk dat wij ook ‘van daar’ komen, meerbepaald van Machelen aan de Leie. Hij zegt dat alsof we een eeuwenoud adellijk geslacht vertegenwoordigen.
De broers vertellen dat hun vader eigenaar was van de gekende speelgoedfabriek Nazaire Beeusaert in Deinze. In die tijd waren er heel wat speelgoedfabrikanten in de Leiestreek. In het Mudel is er zelfs een zaaltje aan gewijd.
‘Beeusaert?’ vraagt mijn oom kinnekrabbend. Maar daar heeft mémé (mijn overgrootmoeder) altijd gewerkt. Zij maakte daar speelgoedpaardjes…’ En hij voegt daaraan toe dat ze daar ook als dienstmaagd bij de familie had gewerkt.
De twee mannen kijken elkaar met hoge wenkbrauwen aan.
‘Toch Anna’ke niet? Anna’ke Dewaele?’
Het is alsof iemand de naam van een verloren tante heeft uitgesproken.
‘Oh, we zien haar daar nog staan met haar dikke brilglazekens, dat klein, braaf Anna’ke.’
En het verhaal wordt nog straffer: omdat mémé zo graag gezien werd door de familie had zij bij haar uitdiensttreding de bontjas van madam Beeusaert gekregen. Alleen was madam er het noodgeld – dat zij in de voering had genaaid – vergeten uit te halen.
Vorig jaar heb ik van mijn grootmoeder (de dochter van mémé) een aantal bontjassen geërfd…
Ik weet niet wat je vandaag met een pak oud Belgisch geld kunt aanvangen. Die heeft waarschijnlijk nog hooguit de waarde van een stapel gedroogde herfstbladeren. Maar het heeft me toch een onbetaalbaar stukje opgeleverd.