Er blijken een kajakhotels te bestaan waar kajakken ten strengste verboden is.
De rivier voert er namelijk geen rivier meer uit, maar ligt erbij als een gepensioneerde ambtenaar; aanwezig, maar zonder enige neiging tot activiteit. De hotelier wijst naar zijn kalender en deelt mee dat het al zesenveertig dagen niet heeft geregend. Aucune goutte. Hij zegt het met de waardigheid van iemand die persoonlijk bij de wolken verslag is gaan nemen.
Wij blijven monter. “Dan gaan we wel wat pootjebaden.”
Hij schudt langzaam het hoofd. Ook dat is uitgesloten. Te veel algen, wieren en (hier verlaagt hij zijn stem) ander klein venijn. Men zou er iets van kunnen krijgen. Wat precies zegt hij niet, maar de toon maakt duidelijk dat het niet iets is waarvoor men een ansichtkaart naar huis schrijft.
Goed, dan wandelen we, maar ook dat blijkt al snel een overschat begrip. Het bos is grotendeels afgesloten wegens brandgevaar. Men mag nog net een wandeling maken die zo kort is dat men zich onderweg nauwelijks de moeite getroost de veters aan te snoeren.
Na dit heroïsche kwartiertje installeren wij ons ‘au bord de l’eau’ met een boek. Lezen is, voorlopig althans, nog niét verboden.
Maar de natuur heeft een hekel aan lezende mensen. Nauwelijks zijn de eerste bladzijden omgeslagen of daar meldt zich het klein venijn: de muggen, wespen en horzels, de steek- en strontvliegen, en een indrukwekkende verzameling insecten waarvan zelfs de Franse naam de gruwelijkheid ervan niet compenseert.
Juist wanneer wij nog proberen waardigheid uit te stralen, schuift ergens boven ons een raam open. Een Antwerpenaar steekt zijn hoofd naar buiten alsof hij een vesting verdedigt.
“Oeppasse veur tekenbeten!”
Hij spreekt uit ervaring. Dat hoort men onmiddellijk. Er zijn waarschuwingen die een mens gewoon ter harte neemt.
Vanaf dat ogenblik begint alles te krawierelen. Men voelt bewegingen op plaatsen waar biologisch gezien onmogelijk iets kan bewegen. Elke plooi van het vel lijkt plots bewoond. Men inspecteert de enkels met een ernst die doorgaans is voorbehouden aan douaniers.
We klappen de boeken dicht en trekken ons terug in de lobby. Daar is het koel en er staan grote flessen Bru op tafel. Er vliegen geen wespen, geen horzels, en voor zover wij kunnen nagaan ook geen teken.
Ah! Zie daar de ware luxe van een kajakhotel zonder kajaks: niet de natuur beleven, maar er vol pension kunnen aan ontsnappen.