Rare species

Wij hebben al twee jaar geen tv meer, en daar ben ik blij om. Geen zinloze ‘zapavondjes’ meer, alleen nog Netflix. Er wordt terug over het weer gepraat na het eten, en er worden ook meer boeken gelezen. Dat is mooi. Toch mis ik af en toe eens een goede natuurdocumentaire. Zo een met een zware, zwoele mannenstem op de achtergrond, die het paringsritueel van de wilde beesten plots zoveel interessanter maakt. Ja, dat zie ik graag. Ik vind het fascinerend om te zien hoe sommige wezens zich gedragen; hoe de Aziatische hoornaars hun nesten bouwen, hoe woestijnratten hun weerga zoeken in de dorre leemte of hoe mieren hun voedsel naar hun holletjes slepen. Nu, een bezoek aan mijn schoonmoeder is minstens even interessant als een aflevering uit de reeks Planet Earth III: rare species. David Attenborough voorziet mij in mijn hoofd altijd spontaan van passende commentaar. Ze had zichzelf laatst op een automatische stofzuiger van de Aldi getrakteerd. Naar eigen zeggen niet het beste model, maar hij zoog tenminste de kruimels op die zij tijdens het stofzuigen was vergeten. Ze had het telkens over ‘haar beest’ als ze het over de stofzuiger had. ‘Het beest’ was naar verluidt wel een behoorlijke sloeber, want het durfde wel eens onder de kasten te komen en bleef dan in al de draden hangen of at ongevraagd de schoenveters op. Daarom bakende ze eerst de hele woonkamer af met speelgoed van de kleinkinderen alvorens haar beest weer los te laten. Producten met Aldi-kwaliteit hebben blijkbaar nogal een eigen willetje, want na een vol kwartier in rondjes te hebben gedraaid wilde hij niet terug naar zijn kot, oftewel zijn ‘bees’. Bees? Oh ja, zijn base… In de hoekjes van de woonkamer wilde het beest ook niet komen. Die moest ze zelf doen. En soms werd het dol en moest ze hem achternahollen zodat hij niet van de trap zou donderen. Voetje naar voor, voetje naar achter, bukken en springen en draaien maar. De (Noten)kraker op pantoffels. Ach, de schoonmoeder: een soort die vooralsnog niet met uitsterven bedreigd wordt. Gelukkig maar, want wie zou er dan nog automatische stofzuigers kopen?

Het ongeleefde leven

Het ene pad zo breed, en helder,
het andere met mos bedekt,
recht naar voor, of sterk gekronkeld,
vrij van vrees, of toegedekt

Wij weten niet welk pad ons leidt
naar de kern van onze wilde dromen
Toch hunkeren wij mensen steeds
naar wat niet is, en nooit zal komen,

Zelden stuurt het noodlot ons
in de richting van de vrije Wil
op ’t eerste zicht maakt het niet uit
maar uiteindelijk al ’t verschil

Over de zin van ‘wat nooit was’,
heeft ieder mens ’t ooit wel gehad;
het ongeleefde leven,
dat niet genomen pad

Vroeger is…

Vroeger? Dat is schuren met bruine zeep

Dat is spelen tussen frisse was

Dat is gestoofde uien in de boter

Dat is koffie in een gebarsten tas

 

Vroeger? Dat is loeren door de vensters

Dat is beloven: voor het eten thuis

Dat is binnen zonder bellen

Dat is de grote kuis

 

Vroeger? Dat is kloppen bij de buurvrouw

Dat is een telefoon met snoer

Dat is groeten uit het deurgat

Dat is de lochting en de koer

 

Vroeger? Dat is wortels schillen op de krant

Dat is samen lakens vouwen

Dat is Artis zegels sparen

Dat is kaartenhuisjes bouwen

 

Vroeger? Dat is gluten en lactose

Dat is rijstpap met kaneel

Dat is taatjespap met karnemelk

Dat is van alles veel te veel

 

Vroeger? Dat is Els van Maria van Agnes

Dat is wiezen op café

Dat is ouderwetse brieven schrijven

Dat is buiten naar ‘t wc

 

Vroeger? Dat is vakantie in de tuin

Dat is drinken op de poef

Dat is volmaakt gelukkig zijn

Dat is soms miserie troef

 

Vroeger? Dat is al wat moeder zong

Dat is ik en ons en wij

Dat is nostalgisch zuchten

Want dat is gewoon… voorbij

 

 

 

 

 

 

 

Zondag

De meeste van mijn stukjes schrijf ik gewoonlijk op zondagavond na een bezoek aan mijn moeder en de bijbehorende slagroomtaart- indigestie. Het weekend zit er al op, maar aan maandagmorgen wordt er nog lang niet gedacht. Daar, tussen de heimwee naar het weekend en het nieuwe zeer van de aanstormende werkweek, nestel ik mij in de wollige warmte van de zetel om een cursiefje te schrijven over de gekke stoet des levens. En dan ben je blij dat er ineens een hooiwagen over de muur loopt, want verder gebeurt er helemaal geen hol op zondag. Nee, zondag, dat is gewoon blij zijn met eigen huis, de vriendschap van een boek, een ‘kakske op het gemakske’, zoals mijn broer altijd zegt, een dag zonder cijfers, zonder drukte, zonder twist, zonder gekte, een dag met weinig mensen, waarop er niet al te veel ‘gemenst’ wordt. Zondag, een dag die we er voorlopig nog gratis bijkrijgen. Nu goed, alles wordt geïndexeerd dus wellicht ook de zondagen, vooral als er straks verplicht geshopt moet worden. Maar voorlopig is het nog steeds zo’n dag waarop we zorgeloos de dons uit de dekens mogen vrijen, de knopen terug aan de jassen naaien en ons aan een recept wagen voor vergeten patisserie. Zondag, een dag die ruikt naar straffe koffie, een dag om verzen te schrijven over de herfst in de dakgoot en reeds lang vervlogen zomerzondagen. Nog maar twee muggenbeten… Jawel, de winter is in aantocht. Er wordt zelfs al over kerstavond gebabbeld; over wie, wat en waar, en over ‘naampjes trekken’. Maar zover zijn we gelukkig nog niet. Laat het eerst nog maar wat zondagavond zijn. Al de rest komt later wel…

Jean

Jean is mijn stiefvader. Of nee, mijn pluspapa, om het modern uit te drukken. Hij heeft zelf geen kinderen maar neemt zijn pluspaparol (wordt dat zo geschreven?!) bijzonder ernstig. Hij doet alles wat echte vaders doen, kan alles wat echte vaders kunnen; geeft mij gelijk wanneer mijn moeder mij ongelijk geeft, laat zijn baard staan tot hij op een tuinkabouter lijkt, keert meesterlijk een uitzichtloze situatie, leent mij zijn warmste wollen trui als ik ’s avonds laat nog terug naar huis moet fietsen, verzamelt nutteloze dingen, geeft commentaar op de nieuwscommentatoren en zorgt er actief voor dat zijn nageslacht (ik dus) later niks tekort zal komen. Dat laatste, daar is hij nogal fanatiek mee bezig; al ruim een kwarteeuw verzamelt en analyseert Jean namelijk de dagelijkse Lotto-uitslagen, in de hoop er een vast patroon in te ontwaren. De gevallen nummers tekent hij dan nauwkeurig op in een schriftje met ‘karookespapier’.
Jean dateert van voor het Excel-tijdperk en tekent zijn roosters en tabellen nog altijd het liefst met de hand. Een rij invoeren? Dat doe je met een lat, niet met een muisklik. De méést gevallen cijfers kleurt hij groen, de mínst gevallen cijfers rood. En elke maand volgt er een kort resumé van zijn bevindingen, zijn speculaties en nieuwe formules omtrent dé winnende combinatie, opgemaakt in zijn mooiste schoolmeestershandschrift en fijntjes omlijst met gele fluo. Zodoende heeft hij ondertussen een hele Billy-boekenkast vol met van die Lotto-schriftjes.
Deze week had Jean echter groot nieuws. Bijzónder groot nieuws zelfs: na meer dan vijfentwintig jaar had hij dan eindelijk de ultieme code gekraakt, het kansspel doorprikt, de Lotto-logica doorzien, kortom, een waar Eureka-moment beleefd. ‘Mijn kind,’ zo zei hij ernstig, met zijn leesbril op het puntje van zijn neus geschoven, ‘er is meer kans dat ik heilig verklaard wordt, dan dat ge ooit de Lotto wint…’ In die wetenschap heb ik me nu toch wel een lotje gekocht. Saint Jean de Gand, ik zie het écht nog gebeuren

75474211_522675828288668_6197913673877422080_n

Samhain

Oef!

De Halloween-gekte is voorbij. Geen gemaskerde ettertjes meer die me op een onkatholiek uur van MIJN snoepgoed komen beroven, geen kitscherige horrorfilms meer die me ’s nachts voor ogen schemeren, en geen Halloweenparty-foto’s meer van vriendinnen die nog eens voor ‘sexy heksje’ poseren of met een zelfgemaakt kostuum een Tim Burton-figuurtje verkrachten.
Nu, zo’n vreselijke zemelaar ben ik ook weer niet. Er was ooit zelfs een tijd, toen ik nog een zoekende tiener was, dat ik dweepte met de hele new age-beweging. Geen Halloween dress-up, maar dodelijke ernst; Keltische mythologie, wicca, sabbats, seances, occulte, etc. Enfin, u snapt het plaatje wel. Ik droeg lange zwarte gewaden, paarse stressen in mijn haar en had een abonnement op de boeken van Vivienne Crowley, zoals daar waren ‘Natuurmagie en hekserij’ en ‘Het neopaganisme’. Op Samhain maakte ik dan, net zoals die boeken mij voorschreven, een ‘maancirkel’ die mij dichter bij de dodenwereld en het transcendentale moest brengen. Een maancirkel? Jawel, een grote cirkel van theelichtjes die dan één voor één, op rituele wijze, gedoofd moesten worden onder de geur van een brandend bosje rozemarijn en bezwerende keelgezangen. Thuis dacht men wel eens dat ik een toeval kreeg, maar toen ze mij daar zagen zitten, tussen de magische kristallen en de wierook, en met rode henna-klei in mijn haar, wisten ze wel dat er helemaal niks aan de hand was…
Ik hield toen van zo’n rituelen, en eerlijk gezegd hou ik er stiekem nog steeds van. Ik vind het jammer dat er tegenwoordig niks nog heilig is, of nog heilig mag zijn. De magie is verdampt. Volwassenen horen niet met dergelijke onzin bezig te zijn. Kaarsen en rozemarijn branden, dat is iets voor zweefteven en esoterische losers. En ik denk ook niet dat mijn man het zou appreciëren moesten er plots wicca-altaartjes in zijn modernistisch interieur verschijnen.
Maar tijdens het druilerige, grijze Allerheiligenweekend zouden die vaak zalvende rituelen de hele boel toch flink wat opvrolijken. Van de traditionele pannenkoekenbak op 1 november is immers ook al lang geen sprake meer… En aangezien al mijn dierbare overledenen gecremeerd zijn, is er ook geen graf om bijvoorbeeld eens een frisse ruiker bloemen op neer te leggen, of geen zerk om liefdevol te onderhouden. Kortom, er is haast niks meer dat we kunnen doen om onze dierbaren in deze fysieke wereld nog een beetje verder te verzorgen of te eren, buiten het melancholisch zitten staren naar een ingelijst portret op de kast. Maar ik… ik maak dit weekend in mijn hoofd nog steeds maancirkels. Voor hen. En ze flonkeren en schijnen warm, rond het graf van mijn mooiste herinneringen.

Kortsluiting

Ik sta hier, en hij staat daar
Slechts gescheiden door de straat
Maar nooit wordt hij mijn blik gewaar
als hij dromend voor het venster staat

De jazzplaat klinkt, de buurman swingt
Een wijntje op de vensterbank…
Ik zie hoe zacht de jongen zingt
op mijn eigen breedbeeld zonder klank

Hij draagt een hemd, van wit katoen,
zijn hand glijdt langs de fijne knopen
En al is ’t mij niet om hém te doen,
voor schoonheid gaat een mens niet lopen

Ik bewonder stil… zijn marmervel,
zijn slanke, ranke lichaamsbouw,
uit steen gehouwen, lijkt het wel,
met een donsje zacht als ochtenddauw

Maar nog voor ik beter kijken kan,
naar zijn naakte lijf in ’t schemerlicht,
gaat de lamp aan bij de jongeman
en doet zijn lief snel de gordijntjes dicht

Helden

Vandaag werd er volgens mij nog niet gespijbeld voor het klimaat. Ik kan het weten want ik passeer maar liefst zeven scholen onderweg naar het werk. De meeste jongeren stonden braafjes aan de schoolpoort, met boeken in gerecycleerd kaftpapier, biologisch afbreekbare boterhammen en een brooddoos die ook dienst doet als pennenzak. Less is more bij die kinderen. Maar verder moet je er niet teveel van verwachten, van die klimaatjongeren. Bij Panos hoorde ik namelijk wie er wérkelijk aan een beter klimaat bouwt. Het zal u misschien verrassen maar het zijn voornamelijk onze mannen die op dat vlak aan het langste eind trekken. En dat doen ze als wij niet thuis zijn; stilletjes en geniepig, met de gordijntjes dicht en hun broek op hun enkels. Geen geitenwollensokken, geen slogans, geen poeha. De twee jongens maakten er niet eens zo’n geheim van: “voor iedere honderd views plant Pornhub een boom…” Toeval of niet, nadien bestelden ze elk een worstenbroodje… En maar pochen dat ze afgelopen weekend al een heel bos bij elkaar hadden gekeken. Seksfilms redden dus het regenwoud. Althans dat denk ik, want ze zeiden er niet bij wáár men die bomen precies gaat planten. Maar als ik de kerels mocht geloven, dan wordt de Sahara in een mum van tijd omgevormd tot een tropisch paradijs. Fantastisch, toch? Hoewel, met honderd miljoen views per dag komt de bewoonbare oppervlakte van de aardkluit toch behoorlijk in het gedrang. Maar de soep wordt natuurlijk nooit zo heet gegeten als ze geserveerd wordt. Ik kan u vertellen dat er tot nu toe ‘nog maar’ 12 079 bomen werden geplant. Dat is ongeveer zoveel als de Belgische Ardennen. Daar kan nog dus nog wel wat bij. Moest u dus nog geen plannen hebben voor vanavond: www. Porn… (ach, u kent ongetwijfeld het adres)

Klim-op

‘Vorwarts, Manfred, noch zehn stufen!’ kreet een vrouw terwijl ze haar man als een oude, versleten muilezel naar boven ment. Ik zie mijzelf over veertig jaar… Weliswaar in de beklagenswaardige rol van Manfred; uitgerust met bruine steunkousen, orthopedische sandalen, Nordic Walking sticks, een insulinepomp en een voorraad puffers in de rugzak, en onder lichte dwang aangespoord om de klim te wagen naar het hoogste punt van het Manderscheid-kasteel. Het spek, de karbonade en de ‘zwiebelkartoffeln’ van deze middag liggen nog op de maag maar worden puffend en zwetend weggeboerd. Nog slechts tien treden, herhaalt ze; tien treden tot het ultieme panorama, tot de overtuiging dat zij nog steeds even fit en sportief zijn als twintig jaar geleden. De ‘aaahs!’ en ‘ooohs!’ weerklinken dan ook luid over het dal als het Duitse stel uiteindelijk, na een hele reeks bijna-dood-ervaringen, over de muren van het donjon naar beneden kijkt. Het (letterlijk) adembenemende uitzicht was de ellende waard! Het weidse panorama met haar bruisende bronnetjes en kabbelende stroompjes, en de bewuste klim vol zomerse ‘genietingen’ worden druk vastgelegd ‘om aan de kleinkinderen te laten zien’. Ze vragen of wij met hen op de foto willen maar wij verstaan helaas geen Duits. Althans niet wanneer het ons niet past. In de verte, op een helling tussen de sparren, meent Manfred met zijn gigantische verrekijker een wild zwijn te hebben gespot… of is het weer een vlek op een van zijn ‘verdammte’ brilglazen? Hij twijfelt. Hoe dan ook, dringend tijd om terug naar beneden te gaan. Van wilde everzwijnen krijgt een mens honger!

Nachtwolk

Het verlangen en de hunkering

de lust, de wens, de zin, de zucht

schijnt boven onze hoofden:

tot zij dooft zoals de avondlucht

 

In de schemer van de liefde

breekt het licht in scherpe stukken

de begeerte lijkt verloren…

Wat ooit kon, kan niet meer lukken

 

Maar barrels van de hartstocht,

de stofwind van herinnering

stuift immer op met wilde drift

en landt op zoete mijmering

 

De schoonheid van wat was

en de mildheid van gemis:

de lichtende nachtwolk schijnt

nog even door de duisternis