Het is onze biologische bedrading

om te bestaan, en dan weer niet.

Het is onze psychologische bedrading

om ons leven te besteden aan wegrennen

uit de hedonistische tredmolen van prestatie.

Wegrennen, van de verontrustende wetenschap

dat de atomen om de schaduw van een Zelf

op een dag, in een kosmische oogwenk,

zullen ontbinden om terug te keren

naar de verre, afstandelijke sterren

Als we onszelf even tot rust brengen,

of door omstandigheden worden bedwelmd,

vangen we een glimp op van dit feit,

om meteen de blik weer af te wenden.

Het is een abstractie, een onbewezen stelling;

ga door met het bouwen van huizen, en ego’s,

het tekenen van dertigjarige hypotheken,

het verhandelen van vervalste munten,

het sluiten van huwelijkscontracten

het spelen op de beurs, beweren

En dan, op een dag, enkele zekerheidsscheuren

in het gebroken oppervlak van de gespleten lip,

de gespleten liefde, de bevende aardkorst,

in het langzaam brandende vuur van een geweld,

dat zich een weg baant over de hele wereld,

totdat hij oplaait in een gedeeld inferno;

in het koude bad van een terminale diagnose,

plotseling, op het bot, in het bloed,

tot we wakker worden in de werkelijkheid,

met een schreeuw, een gil, een hol halleluja

Magnolia, you sweet thing

Het hotel is van een ouderwetse gezelligheid en kijkt uit over een groot deel van de Avenue. Van het drukke verkeer is op de zesde verdieping niks te horen. Ik nip van een Darjeeling (wat blijkbaar ‘Oord der Bliksemflitsen’ betekent?!), en staar vanuit het grote bed naar de verre avondzon in de ramen van de wolkenkrabbers. Ondertussen zingt Jacques Brel een liedje dat klinkt als een fanfare uit het Vagevuur: “La mort m’ attend dans les lilas qu’un fossoyeur lancera sur moi pour mieux fleurir le temps qui passe. La mort m’ attend dans un grand lit…”

In het park aan de overkant staat een mooie magnolia die perfecte bloemen draagt. Ik weet niet veel over magnolia’s, maar wat ik wel weet is dat zijn vijfdaagse bloei een vreugdekreet met open mond is. In een week kan een heel leven om zijn as draaien; in een week eten zangvogels alle zaden op, en nachtvlinders de bladeren, tot er helemaal niets meer van over is. Ik weet ook dat het een van de oudste boomsoorten ter wereld is, en men op het Engelse platteland de blaadjes gebruikt om stoofschotels te kruiden. Boeddhistische monniken maakten er een tuingod van en plantten hem bij hun tempels als symbool van genezing en zuiverheid. Het is de boom die ooit het huwelijk van mijn ouders symboliseerde… Tot zover mijn kennis, en ik pen wat korte zinnen neer.

Tegenover het bed staat een spiegel, waarin een bleek gelaat met blozende wangen me aankijkt. De mascara is uitgelopen en ik lijk op een Harlekijn met zwart geschilderde tranen. Ik blik nog eens naar buiten, naar die boom met zijn kortstondige perfectie. Dan weer naar de spiegel. Wreedheid, afgetekend tegen een efemere schoonheid van rozig pastel. Een vriendelijke uitnodiging om geen enkel kostbaar levensmoment meer te verspillen, want alles draait tenslotte kort om zijn as. Mijn vriend komt naakt uit de badkamer en ik weet dat ik geluk heb. Brel wordt ingewisseld voor J.J. Cale en de gordijntjes gaan dicht. “Magnolia, you sweet thing… you’re driving me mad…”

Zorgzaam

En ik ontbrandde een kaars aan de voeten van het moederbeeld dat zorgzaam op mij neerkeek en alles leek te begrijpen zonder dat ik haar mijn gevoel van zelfhaat, middelmatigheid en overbodigheid hoefde uit te leggen.

En ik herinnerde mij de gebeden die ik zo lang geleden als kind had geleerd van zij die mij onvoorwaardelijk liefhadden en mij zoveel levensmogelijkheden hadden toegedicht, die altijd trots op mij waren, zich bezorgd afvroegen of ik wel genoeg gegeten en geslapen had en na iedere maaltijd mijn mondhoeken voor me afveegden: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade. De heer is met u. Gezegend zijt Gij boven alle vrouwen…’

Achter mijn oogleden brandde een stil verdriet, want allemaal waren zij dood, terwijl het verlangen om gekoesterd te worden als weleer nooit zo groot was als nu. ‘Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, arme zondaars…’

Andermaal riep ik het beeld aan, met het gebed waarin dat diepe verlangen naar omhelzing, bemoediging en geruststelling vervat zat; het verlangen weer dat zuivere kind te zijn, dat hulpeloos de armen uitstrekte naar zij die mij beschermde, mij teder over het hoofd streek, mij welwillend aankeek en alleen maar heel erg rustig ‘natuurlijk…’ zei.

Zelfs toen ze de stad verliet

bleef de stad in haar gebrand

omdat beiden, vrouw en stad

dezelfde ziel bezaten

Zoals een middernachtblues

een ballade, maskerade

Somnambule, Beltrán-blauw

en absintgroene tinten

op een blinde façade

Ogen groot en zwart geschminkt

Bodemloze kanalen

Als stille elegieën

Groteske fantasieën

Colombina op de scène

Pantomime, Harlekijnen

huilen tranen in het water

en verdwijnen in de mist

Reflecties op de huizen

en tussen de plavuizen

nog confetti van de stoet

met roet dat zilver glinstert

Melodieën van gitaren

Sterren, dichters, volksverhalen

Commedia dell’ arte

Een vergeten carnaval

van een oude femme fatale

boten varen rimpels uit

en krinkelen herinnering

op haar Gentse Grand Canal

Draadjes

Als ik aan een persoon denk die ik al heel lang niet meer heb gezien, kan ik er mijn hand om verwedden dat die persoon binnen de 48 uur iets van zich laat horen. Niet dat ik aan paranormale zaken geloof, maar omdat het fenomeen zich zo vaak voordoet, en hier ogenschijnlijk de Wet van de Grote Getallen geldt, kan men bijna niet anders dan aannemen dat er een soort buitenzintuiglijke overdracht van informatie tussen organismen bestaat. Akkoord, die hele theorie klinkt misschien als iets voor mensen die wat te veel homeopathische thee hebben gedronken, maar toch…

Laatst las ik ergens dat bomen communiceren via ondergrondse schimmeldraden die met hun wortels zijn verbonden. Mycorrhizale netwerken noemt men dat. Wie weet is dat bij ons niet anders en hangen wij allemaal aaneen met onzichtbare ‘draadjes’ die gevoelens en gedachten van de ene persoon naar de andere transporteren… Het is een fascinerend idee.

Hoe dan ook: het is mooi om in een wereld – die gedomineerd wordt door kennis en informatie – nog een beetje aan de dingen te kunnen twijfelen. Mysterie, ik denk dat we dat nodig hebben. In deze tijden van individualisme en vervreemding zijn we dat intuïtieve aanvoelen aan het verliezen en dat is jammer. Want het is misschien wel de kern van liefde: elkaar aanvoelen. Mijn vriendin Anouk (aan wie ik dus eergisteren nog heb gedacht) belde net dat ze vanmiddag langskomt met cinnamon rolls. Toeval of telepathie? Toch goed aangevoeld, die rolls…

Bubbelgum

Ik weet niet wat ik de laatste dagen heb. Pijn is het eigenlijk niet, maar ik heb zoiets over mij, precies alsof men mij tussen het martelrad gevouwen heeft. Een uitgekauwde bubbelgum. Zeer aan de gewrichten, voor niets geen goesting hebben, en moe, moe dat ik ben!

‘Het zou toch geen griep zijn zeker?’ vroeg mijn moeder ongerust aan de telefoon. Maar omdat griep doorgaans niet veel met de gewrichten te maken heeft, was ze nogal snel gerustgesteld. Het is gewoon de winter, met al dat onbehaaglijk vocht en die kouwe nattigheid. Ja, een winterloomte, die zich in het kleinste vezeltje van het lijf lijkt te willen nestelen. Dat moet het zijn.

Die loomte belet het mij bovendien van te schrijven. Ik ben aan een nieuwe roman bezig, maar het wil precies niet vlotten. En ook de cursiefjes blijven uit. Het is te zeggen, gisterenavond was ik aan een stukje over sneeuw begonnen omdat men sneeuw had aangekondigd op het weerbericht. En dan wil je natuurlijk voorbereid zijn. Maar als de sneeuw al smelt nog voor je het laatste woord erover geschreven hebt, wat is het nut er dan eigenlijk nog van? Volgens mij heeft men de sneeuw voorgoed afgeschaft, maar houdt men ons gewoon graag nog één hoopvolle illusie voor.

Deze middag heb ik dus maar een beetje onbestemd op de sofa liggen lummelen. Tot men op de radio nog eens ‘Dies irae, dies illa’ speelde; dat stuk van Mozart, waarvan ik me altijd afvraag wie ernaar kan luisteren zonder stiekem iets in zichzelf of daarbuiten te willen vernielen. Zo’n heerlijk pathetisch stuk dat het zelfmedelijden nog wat meer aanwakkert. Precies wat ik nodig had vandaag. Enfin, straks ga ik naar de dokter. Hopelijk heeft die iets in huis om mij wat nieuwe levenslust in te blazen, want de multivitaminen zijn ook niet meer wat ze ooit waren. Net zoals die sneeuw!

Relatief

‘Geluk is de afwezigheid van ongeluk’, zei iemand onlangs op café. Zij die errond zaten knikten ernstig en namen een slok bier die plots nog beter leek te smaken dan de vorige. Het klinkt misschien niet zo bijzonder, maar optimisme hoeft niet per se origineel te zijn. Ik zou zelf ook geen betere anticrisiszin kunnen bedenken. ‘Geluk is de afwezigheid van ongeluk.’ Geef toe, dat zou toch gemakkelijk iets van een oude Griek kunnen zijn? Of van een nog veel oudere Chinees. Maar het kwam gewoon van iemand die Bèr heette. Enfin, zo zag hij er toch uit.

Dat zinnetje komt een stukjesschrijver natuurlijk mooi van pas aan het begin van het nieuwe jaar. Want als de ministers, en zelfs de koning, niks opbeurend weten te bedenken voor 2023 moet jij het doen. Maar dan mogen er ondertussen natuurlijk geen ongelukken gebeuren, of dat hele stukje is om zeep.

En wat raadt ge: er werden mij deze week al maar liefst zeven ongelukken toegestuurd. Prior dan nog wel. Drie overlijdensberichten, drie monsterfacturen en een aanmaning.

Nu, dat mooie zinnetje heeft nog altijd zijn waarde, want een mens kan in vergelijking met die doodsbrieven natuurlijk niet gelukkiger zijn met zijn facturen. ‘Och, als het dát maar is’, denkt ge terwijl ge uw eindejaarspremie integraal naar Engie versluist. Ik laat er een spreuktegel van maken… Iemand interesse?

Kalenderwinters II

Zo’n kou die aan de ribben blijft plakken, dat heb ik graag. Ik schreef al eens over mijn kalenderwinters in Machelen-aan-de-Leie, maar de stad hoeft er eigenlijk niet voor onder te doen. Wie de kerstmarkt vermijdt, en in de plaats daarvan een wandeling maakt langs de verlaten grachten, de uitgeluchte bomen en de in zichzelf gekeerde straatjes, zal moeten toegeven dat de stedelijke winter even mooi kan zijn als die op het platteland. Maar let op, ook hier moet je er op gekleed zijn.

Vorige week kocht ik een nieuwe muts, die volgens de verkoopster minstens drie soorten wol bevatte die gemaakt was van minstens evenveel beesten, waaronder Mongoolse jak en Chinese Kasjmirgeit. Je hebt zo van die boetiekjes waar ze je buiten de kleren ook een heel mooie uitleg verkopen…

Hoe dan ook, onder de wollige warmte van mijn nieuwe muts trok ik de stad in om het beste uit die korte, donkere middag te halen. De daken onder de rijp, ijsbloemen op de autoruiten, eksters op de begijnhofmuren en een laatste peer die zich krampachtig aan de tak van zijn boom vasthield voordat hij door diezelfde eksters werd opgegeten; allemaal dingen die mij de slotfacturen en alle andere besognes der mensheid weer even deden vergeten. Dingen waar Guido Gezelle vast jaloers op zou geweest zijn. De kunst van het kijken ben ik ondanks de kou en de donkerte nog steeds niet verleerd. En had ik er zelf een goed gedicht over kunnen schrijven, dan had ik dat vast gedaan, maar het is natuurlijk weer zo’n ouderwets stukje proza geworden… Wat anders?

Schilderij: ’Effet de neige’ – Gustave Caillebotte

Buiten

Als ik buiten in de wereld ben, waar het verdriet niet zo erg opvalt, waar reclame wordt gemaakt voor dure slagroomtaarten, voor prei, savooi en boerenworst, en telefoonabonnementen, waar zorgeloze koeien staan te grazen in de ochtendmist, waar mensen staan te kijken voor verlichte etalages, koffies drinken op terras, alsof er nooit wat aan de hand was, als ik de schemer van de avond zie, die de gordijnen van de steden sluit, de pendelaars in auto’s, die met een bonus weer naar huis toe gaan, naar de televisie, naar het zeven-uur-journaal, naar een up-to-date verslag, van duizend verse rampen, met duizend verse doden, die een vader en een moeder hebben, die op hun beurt duizend doden sterven, dan rest mij slechts te zwijgen, om God te laten spreken, maar dan nog zegt hij niks…

(Foto: Dirk Roose)

Après nous le déluge

De vrouw van de toekomst, meer bepaald van het jaar 3000, is een gedrocht met een bochel, een klauwhand, een derde ooglid en een blutshoofd met een bedroevend kleine schedelpan. En dat alles ten gevolge van een overmatige blootstelling aan technologie, en levens die zich generaties lang in bureaustoelen hebben afgespeeld in plaats van in de goeie, ouderwetse buitenlucht. Gedragsfuturologen hebben er geen goed oog in…

Ik voel het al wat trekken tussen de schouders en klap de laptop dicht. Tijd voor een wandeling.

Met een beetje moeite vind ik een lap groen die zich tegenwoordig al een bos mag noemen. Maar je hoort me niet klagen; er staan mooie paddenstoelen (duidelijk bewoond) en enkele bomen die hard hun best doen om hun bladeren te verliezen. Nog een goede maand en het is nieuwjaar… Vroeger duurden de jaren nog twaalf volle maanden, tegenwoordig -zo lijkt het wel- slechts een paar weken. Haast de moeite niet om eraan te beginnen. En gelijk dat het lente is, zit er in de vogel(kijk)hut een koppeltje te vrijen; vlinders in de buik die tot tegen hun zwevende ribben fladderen, de liefde al behoorlijk buiten adem gezoend. Ondertussen worden er selfies gemaakt. “Hoed u voor de klauwhand!” placht ik nog te roepen, maar ik zwijg. Foert, après nous le déluge.

Naast de hut staan Maartse viooltjes en onder de plompeblaren hoor ik kikkers kwaken. De zon schijnt week maar warm. Ik ga op een bankje zitten en droom over versleten novembers onder een deken van Mongoolse yakwol, sintels van de haard, een paar Schotse pantoffels aan de voeten en een dik boek in de taal van het romantisch verdriet. De geur van de oven en een quatre quart met échte boter… Dàt is november. Ik, vrouw van de toekomst? Ho-ho! Vergeet het maar!

(Getty images, Zuperia)