Het weer: geheel gesteld om te lijden, zoals men dat vroeger zei. En iedereen is op vakantie. Het betere achterblijfgevoel… Gelukkig zijn er nog van die ouderwetse brasseries die ons eraan herinneren dat het hier ook goed kan zijn. Van die tearooms met bruine lambriseringen, een beslagen spiegel erboven en een krant tussen een houten klem. Ik ga bij het raam zitten, aan zo’n typisch patiencetafeltje voor eenzame zielen, en bestel een wafel met krieken en een koffie Grand Marnier. Ik krijg er een in mooie laagjes, geserveerd in een glas op een voetje, met een grote stront slagroom en chocoladeschilfers erop. Dat is nu eens wat ik troost noem.Ik wil net mijn volgende cursiefje beginnen dromen wanneer er een stokoud vrouwtje komt binnengewaaid. Een mager, verrimpeld vrouwtje van niet meer dan een meter vijftig, met een loden jas en een paar Izegemse schoenen in maat 35. Het beeld van haar transparante regenkapje met witte bolletjes, en daaronder een grijze permanent, stemt me een tikkeltje weemoedig. Alsof het lot het wil, komt ze aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelt niet meer dan een glas plat water. ‘Gepensioneerden moeten op hun geld letten,’ zegt ze tegen de dienster. Dan wendt ze zich tot mij: ‘ik heb vandaag een vogel begraven die tegen de keukenruit was gevlogen.’ Ik antwoord met een smartelijke ‘oei’. ‘Ach, nee! Ik ben blij dat er vandaag eens iets gebeurt. Dan hebt ge nog eens iets te vertellen tegen de mensen.’ Haar man was recentelijk overleden. Ze gingen ieder jaar omstreeks deze periode naar Spa. Haar oude vingers glijden eens liefdevol langs het flesje water. En ze lacht. Want daar staat ze dan, bij de ingang van het Grand Hotel Des Bains…
Auteur: Sarah De Grauwe
Dryade
De straatlantaarn belicht een beetje spookachtig de kruinen van de platanen voor mijn raam. Ik zit op de bank en mijn neus piept boven een notaboekje uit. Waarover zal ik deze keer weer schrijven? Het regent. Waait. Zachte donderslagen. Buiten tekent het eeuwenoude schouwspel van ritselende bladeren en traag buigende takken zich af tegen het schijnsel van de stedelijke nacht. Het tafereel zit al lang in de mens, maar wekt nog steeds verwondering in me op. De kunst van het kijken; zo gemakkelijk afgeleerd, maar misschien wel mijn nobelste arbeid.
Ik heb ontzag voor de bomen, en poog er net zoals de grote schrijvers iets over te vertellen. Met een gestrekte mondhoek streel ik het lege blad papier dat, ironisch genoeg, ooit aan een boom toebehoorde. Ik probeer een gedicht: “Bomen; stille rebellen van de moderne tijd, non-conformisten in een wereld vol haast, angst, geweld, vertoon en beton.” Stop. Ik kijk weer naar buiten: de knoestige wortels van de platanen duwen nukkig de straatstenen omhoog en bewijzen daarmee dat de natuur niet op toestemming zit te wachten om geleefd te worden. Schoon.
De boom kent alleen de tegenwoordigheid. In tegenstelling tot wij mensen, die altijd onderweg zijn naar later, beter en meer. Wij kennen alleen de maakbaarheid, en hebben daarom zorgen. Een boom is misschien wel de beste metafoor voor de berusting: hij heeft er vertrouwen in dat hij zal groeien naar zijn voorbestemde vorm, en probeert zichzelf niet krampachtig te manifesteren in een gedicht. Ik zak onderuit, en dank de goede platanen voor hun eenvoudige wijsheid. Ik leg het notaboekje neer en sluit mijn ogen om naar de middernachtelijke stilte te luisteren. De dryade in mij is gelukkig…
Wabi sabi
De westerse wereld is geobsedeerd door symmetrie en ideale proporties. Dit schoonheidsideaal is gebaseerd op een hang naar perfectie en eeuwigheid. Japanse esthetiek, daarentegen, is gebaseerd op iets waar we in het westen zelfs geen woord voor hebben: wabi sabi; een concept dat refereert aan de schoonheid van het eindige, het imperfecte, het verweerde en de melancholie. Het draait dus niet rond het nieuwe, het jonge en het vlekkeloze, maar om een diep respect voor alles wat vergankelijk, fragiel, gebroken en bescheiden is.
Wabi sabi gelooft dat de dingen altijd mooier zijn als ze getuigen van een zeker verval en een uitgesproken individualiteit. Het principe komt rechtstreeks uit het boeddhisme, waarin wordt gezegd dat een mens zichzelf pas volledig kan kennen als hij de barsten in zijn ziel omarmt. In de 12de eeuw probeerden zenboeddhisten te mediteren volgens de imperfecte patronen van de natuur, en vonden zij de ultieme verheffing van de geest in de leegte en de eenvoud. Wabi betekent eigenlijk ‘de bitterzoete melancholie van het alleen-zijn (in de natuur)’, Sabi ‘het nobel worden doorheen de tijd’. Een barst, een deuk of verkleuring in een object door ouderdom is dus sabi. Hetzelfde principe geldt voor de vormen en constituties waarin de dingen aan ons verschijnen. Wabi sabi is dus niet die perfect ronde cirkel van de volle maan, maar de grillige schaduwzijde van een door wolken omsluierde halvemaan.
Ik denk dat we hier in het Westen, met onze bezetenheid voor alles wat blinkt en klinkt, veel kunnen leren van deze waardevolle filosofie. Want worden we vroeg of laat niet allemaal geconfronteerd met de vergankelijkheid, de eenzaamheid en de melancholie? Is het dus niet beter om schoonheid en charme te vinden in de rimpels van een oude vriend dan een duur maar zielloos object? Wabi sabi is een doordenkertje; maar eentje waar je vandaag nog mee kan beginnen. Ik laat me er deze zomer alvast door inspireren. Want ook het woord kan wabi sabi zijn…
Midzomer
Midzomer. Mijn heidense natuur zou me nu het liefst op een steigertje aan de rand van een bos zien liggen, of op een zonovergoten heuveltop met zicht op de horizon. Maar ik zit voor de betraande ramen van de winkel waar ik werk, en waar ik de seizoenen vooral vanachter de toonbank beleef. De stad is gekleed in een vreemde stilte. De lyriek ontbreekt een beetje, maar het is een goede plek om na te denken. Het was een moeilijk jaar voor mij; een van persoonlijk en collectief verdriet. In bepaalde levensseizoenen wordt men tegen de grenzen van zijn wezen gedrukt, en uiteindelijk ook tegen die van het verstand. Het was een uitdaging om de uitgestrektheid, de weelderigheid en de complexiteit van nieuwe levenservaringen te snoeien tot één enkel blad van eenvoudig inzicht: kies bewust voor vreugde. Kies voor vreugde in een wereld die zwaar is van redenen voor verdriet. Te midden van het puin van mislukte plannen en doorprikte dromen: kies voor vreugde. Het is een kwestie van aandacht te besteden aan wat Hermann Hesse ‘Die kleine Freude’ noemde; de dunne draden waarvan we zo vaak onze eigen reddingslijnen moeten weven. De midzomerhemel is grijs, maar weegt wat mij betreft zoveel als blauwe lucht. Zo weinig korrels geluk, gemeten tegen zoveel donker, en toch blijft de weegschaal in balans. Het leven is goed, want alles wat ik heb, is wat ik ben, en wat ik mezelf wil geven.
Schilderij: The overgrown pond – Vasily Dmitrivich Polenov (1880)
Umbra
Verdriet is de schaduw
die liefde werpt
op het licht van verlies
Hoe groter de liefde
Hoe groter de schaduw
We tasten in het duister
Op zoek naar scherpe randen
om ons aan vast te klampen
Zoveel van wie we zijn
-en wie we moeten worden-
krijgt vorm in die umbrale schijn
Moed
Dit vers wordt aan de moed gewijd;
een spleet tussen de klinkers
waar nederig en schier verlegen
wat gras, wat mos of kruid gedijt
Het tiert er welig, zonder storen
Onopvallend, onbemerkt
Langs een gevel, hek of kademuur
In een donker hoekje, stil verloren
Biggenkruid en paardenbloemen
Heermoes, weegbree, zevenblad
Bosjes, trosjes, sprieten, stengels
Distels, netels, boterbloemen
Toch, volgens velen staat het niet:
een nette stad hoort grauw te zijn
en niet door onkruid opgesmukt
maar met een ruk of schaar gewied
Toch al wat weerstand krijgt, dat bloeit
En daar ligt juist de ware moed:
dat het kruid zich niet laat temmen
en stoutmoedig verder groeit
En plein air
Ik struin wat doelloos langs de kaai, kijk omhoog en denk: dat zijn wolken met dagboekkwaliteiten. Het sombere grijs is van een intieme schoonheid, en doet me denken aan Gothic romans en Schotse kastelen. Het mag regenen wat het wil, er blijft toch altijd nog een beetje mysterie in de wolken plakken. Ik ga even op een bolder zitten, en neem een pen uit mijn zak. Op de een of andere manier voel ik me wat Constable vandaag. En dan ineens die zwaluwen erbij; alsof ze me zagen zitten. Ik schets wat ik zie: niet veel, maar net genoeg om een blaadje te vullen met enkele eenvoudige woorden die me vrolijk stemmen. En dat is uiteindelijk wat Constable ook deed: de natuur schilderen in al haar bescheiden schoonheid, zonder haar te romantiseren of iets te overdrijven, en daar in stilte van genieten. In 1821 -exact tweehonderd jaar geleden- zat hij dus op een kruk, ergens in het Engelse platteland, net zoals ik hier nu op die bolder zit. Ik voel een bijzondere verbinding die tijd en ruimte overstijgt, en een onbeschrijflijke dankbaarheid ten aanzien van de lieftallige eenzaamheid die mij tot zulke goede dingen in staat stelt. Want dromen is goed. En bovendien een hele prestatie, op zo’n grauwe dag als deze.En ja, het mag dan misschien een beetje klef zijn om iets over wolken te schrijven, want daar is immers al zoveel over gezegd, maar denk dan eens aan Joni Mitchell: er zijn twee kanten om naar de wolken te kijken… and somehow we still don’t know clouds at all… Ik pen de laatste zin op het blaadje neer, en lach tevreden voor me uit: geschilderd met woorden, ‘en plein air’. Wat verlangt deze schrijfster nog meer?
Requiem
Soms komen ze binnen met de smoes ‘dat de hond hallo wilde zeggen’ of ‘dat ze geheel toevallig in de buurt waren’. Maar eenzaamheid kent geen toeval. En dan schaffen ze zich uit schuldgevoel en fatsoen een paar goedkope sokken aan, kwestie van het beoogde praatje toch maar af te kopen. Zo ging het ook met die ene oude dame, die een paar bonte sokken afrekende en me vroeg om er een pakje van te maken. Een cadeautje voor zichzelf, want ze had het naar eigen zeggen verdiend. Zoals mensen wel vaker doen, slaakte ze een zucht om de conversatie te starten. ‘Jaja…’ Ze was die ochtend nog eens naar een ouderwetse ‘begraving’ geweest. Geen crematie, maar een begrafenis zoals het hoorde: eerst de kerk, dan de grond in. Ondanks de covid-maatregelen had men er toch nog iets moois van gemaakt; de bloemen waren verzorgd en de pastoor had levendig gesproken. Iedereen was netjes in het zwart gekomen, en ze hadden tijdens de condoleance-file het Requiem Aeternam gespeeld. De dood presenteerde volgens haar nog altijd een beetje chiquer in het Latijn. Ik knikte minzaam en wond een lintje om haar pakje. ‘Elske was pas zesentachtig…’ zuchtte ze toen. ‘Dat is net zo oud als ik.’ Het was allemaal snel gegaan met die kwaaie ziekte waarvan ze de naam niet uitsprak. Maar ze troostte zich met het feit dat ze Elske nog was gaan groeten in het mortuarium, en het mens daar beter voor de dag was gekomen dan ze in jaren had gedaan. Om de sfeer niet te verpesten, liet ik persoonlijke anekdotiek achterwege en zei dat de sokken van zeer goede kwaliteit waren. Bamboe: praktisch onverslijtbaar. Haar mond sloeg in een bedenkelijke kronkel. ‘Wel, dan is de kans klein dat u mij hier nog terugziet, want veel tijd om de dingen te verslijten heb ik blijkbaar niet meer.’ Een klantenkaart hoefde niet. Ze nam het tasje aan, wenste mij nog een prettige dag en stiefelde naar de deur. Op kousenvoeten naar het Paradijs, en haar knieën kraakten al haar requiem.
Walpurgisnacht
Beltane, Walpurgisnacht; volgens natuurgodsdiensten het begin van de zomer. Op de avond van 30 april, net na zonsondergang, trokken jonge stellen het bos in om de liefde te bedrijven en zo de vruchtbaarheid in het bos te brengen. Daarna werden de Bel-vuren aangestoken om de gelijknamige god van het licht en de genezing te vieren. Toeval of niet, vandaag slaap ik voor de eerste keer in mijn nieuw appartement. Ik vind dat idee van licht en genezing wel toepasselijk. Mijn brandverzekering is net betaald, maar het vreugdevuur zal zich in dit geval beperken tot een theelichtje. De maan flonkert alvast mooi in de Visserijvaart, die ik zie vanop mijn kleine balkon. Volgens aloude volksverhalen zweven er vannacht heksen door de lucht. Ik zweef een beetje mee, en hoor niks anders dan mijn eigen, lichtjes zenuwachtige ademhaling. Wat zal dit nieuwe avontuur me brengen? Zal ik hier graag wonen? Zal ik hier gelukkig zijn? Wat gaat deze plek met me doen? Mijn buurman heet Joost, en die zal het misschien weten, maar voorlopig heb ik er het raden naar. Casanova verhuisde naar verluidt bijna honderd keer. Bij mij is het (slechts) de negende keer. Negen. Is dat geen heilig getal? Ik heb er een goed gevoel over… Zoveel magie in de lucht, dat kan gewoon geen toeval zijn.
Stille kracht
De eigenlijke taak
van de liefde en van taal
is eigenlijk niets meer
dan het eindeloos vernieuwen
van alles wat versleten klinkt
Ik-hou-van-u is dus niet meer
dan een felbegeerd contract;
een transactie van gemak
een eis van wederkerigheid
de vreemde interactie
van Ik en U, maar weinig Wij
die grenzeloos vernieuwt
in de taal van de limieten
Een smal kanaal van liefde
als de scheur in de muur
van Pyramus en Thisbe
Laat stilte daarom minnen zijn
en woorden al de rest…