Negen jaar samen met mijn lief. Het is soms vreemd om te bedenken dat ik nog altijd niet zo oud ben als híj was toen we een relatie begonnen. Nu, ondanks het leeftijdsverschil zien we er bij benadering even oud uit. Iemand zei me eens dat mensen er goed blijven uitzien als ze tenminste maar goed slapen. Wel, een aantal jaar geleden kocht mijn weerga, op een avond na een lange boemeltocht, een kingsize bed en vier hoofdkussens (hij had toen misschien nog wilde plannen?!) in traagschuim. Het woord zegt het zelf; een soort mousse waar je in wegzinkt als in een grote, dikke boezem. Niet dat ik ooit al in een boezem ben weggezonken, maar zo stel ik het me althans voor. Feit is echter dat hij daar goed in slaapt en ik niet. Hij slaapt als een prins op rozen, en ik als de prinses op de erwt. Met andere woorden: mijn lief is mij dus in leeftijd aan het inhalen omwille van dat ellendige bed. Het was een groepsaankoop via Groupon, het systeem van de hoge getallen. Als er bijvoorbeeld duizend mensen dat bed kopen, reduceert men de prijs met 70%. Onlangs ging ik nog eens op die website kijken want we hebben dringend een nieuwe stofzuiger nodig. Die hadden ze. En dat bed natuurlijk ook nog. Maar vooral de schoonheidsproducten en de wellness-arrangementen stonden in de aanbieding: allerlei behandelingen, antirimpelserum, nachtcrèmes, antivermoeidheidsmaskers en pommades verrijkt met zowat alle vitamines van het alfabet. Dat hebben die daar goed bekeken, denk ik dan, want die rommel kunnen ze nu natuurlijk verpatsen aan al die oververmoeide wederhelften die zich destijds hebben laten overhalen om zo’n traagschuim-bed in huis te halen. Noem mij paranoïde maar ik zie toch een verband…
Auteur: Sarah De Grauwe
Imbolc
Voor de meeste mensen is dit een druilerige, troosteloze zondag zoals een ander. Maar van oudsher is het een dag van hernieuwde vreugde, hoop en een tikkeltje witte magie. De Kelten vierden rond deze tijd van het jaar Imbolc; het feest van nieuw leven, tussen de winter solstice en de lente equinox. Imbolc komt van het oud Ierse ‘i mbolg’ en betekent in het Gaelic letterlijk ‘in de buik’. De natuur is dus letterlijk en figuurlijk zwanger van nieuw leven, in blijde verwachting van de eerste bloemknoppen, vogelnestjes en warme lentezonnestralen die alles uit hun winterslaap doen ontwaken. Het is de dag waarop de oer-godin Brigid wordt gevierd, een godin die teruggaat tot de Mesopotamische beschaving en al eeuwenlang verband houdt met vruchtbaarheid, levenskracht, creativiteit, met name poëzie, en de helende kracht van de keuken. Het is een dag waarop men met het schaarse voedsel dat men aan het eind van de winter nog had iets bakte, zoals een vers brood of koeken, gedecoreerd met gedroogde vruchten, noten en suiker. Sommigen onder ons zullen zich misschien de jaarlijkse pannenkoekenbak herinneren op Maria Lichtmis, de Christelijke variant van Imbolc? Zie je, alles houdt verband met elkaar. Zo geven wij al generaties lang kennis door, kennis die vreugde en innerlijke rijkdom brengt. Wat kun jij doen om van deze grijze dag een magisch moment te maken? Brandt kaarsen, zet bloemen in huis, schrijf poëzie, of lees er wat, bak een taart om te delen met de mensen waarvan je houdt, houdt een lente-schoonmaak, ontdoe je van de dingen waar je geen nood meer aan hebt en begin opnieuw, vooral binnenin. Want het is zo fijn om je dagen te kruiden met dingen die net iets dieper gaan… toch?
Diamant
‘Hoera voor het jonge liefdespaar!’ werd er geroepen. Het koppeltje dat vandaag zestig jaar huwelijk van de levenskalender afscheurde, was erg verrast toen het daar, in het parochiezaaltje, al die mensen waarvan het zo hield tezamen zag staan. Zestig jaar huwelijk… een diamanten bruiloft. Ontroerend mooi en tegelijk ook een beetje wrang om te zien. Enerzijds raakt het je om dat soort van liefde nog eens te mogen aanschouwen, dat soort van ouderwetse liefde dat nog gesmeed werd uit deugdzaamheid en vaste waarden. Oerdegelijk, met levenslange garantie. Anderzijds weet je dat ze er niet nog eens zestig jaar zullen bijdoen. Maar in dat besef werd er vandaag feest gevierd, op z’n Belgisch: met Polonaises, Hollandse schlagers en een Marokkaans buffet. En op het einde, bij het dessert, werden natuurlijk de obligatoire ‘tegelplakkers’ gedraaid, dié nummers die nog zoeter zijn dan de profiteroles en de cème au beurre-taart samen, en waar iedereen eigenlijk een gloeiende rothekel aan heeft, met uitzondering van de zatte nonkels. Maar dat oude koppeltje bleef daar vrijwillig staan, op die ene tegel. Een tafereeltje dat getuigde van een zeldzame tederheid: want ook al was zij al negentig, en had hij haar naar eigen zeggen al graag eens ingeruild voor twee exemplaren van vijfenveertig, voor hém was zij door de rimpels en het grijze haar heen nog steeds die blonde stoot van weleer. En voor háár was hij nog steeds haar eerste keuze na Frank Sinatra. Het huwelijksbootje heeft vaste koers gevaren en meert nu af bij dat simpele geluk van samenzijn-zonder-meer en puur contentement. ‘En wanneer is het aan u?!’ porde mijn moeder mij in de zij. Eerlijk, de Connemara kwam net op tijd… lailalailalailalalalalai!
Reveillon
Geen echte reden tot feesten; alles is zoals het gisteren was, en het morgen vermoedelijk ook zal zijn. In de drukte voel ik mij vooral alleen. Hoe meer mensen rondom mij, hoe sneller ik verdwaal.
Ik verdrink in hun verhalen, hun kleine vragen, hun beste wensen. ’s Winters wil ik niets liever dan de stilte, zowel binnenin als buiten mij, meedeinen op het ritme van de sluimerende natuur. Ik verdraag nog slechts het zuchten van de wind, het geruisloze schaduwspel van fijne winterzonnestralen op het mos van mijn terras, het zacht geritsel van de vinken in de lijsterbes. Zij spreken de enige taal die ik op dit moment wil horen, de enige taal die ik kan en wil verstaan: de poëzie.
Ik wil niet aan de mensen denken. Ik wil slechts dromen over parelsneeuw, het zoet parfum van hyacinten, de vlucht van de uil uit de nacht, het zingen van de wolf, het spel van de vos. Ik wil opgaan in de winter, de wereld voor eventjes met wilde vleugelslag verlaten, en vanuit een holle boom toekijken hoe, daarbuiten, de mensengekte ontploft in het vuurwerk van dat klatergouden reveillon. Laat hen maar begaan. Ik wacht wel geduldig, contemplerend, verinnerlijk wat mij niet langer dient, verbrand wat voorbij is, om dan opnieuw te spruiten, en het kind in mij te vinden, dat danst door de eerste lente.
Gelukkig nieuwjaar allemaal, groeten vanuit mijn holle boom!
Rare species
Wij hebben al twee jaar geen tv meer, en daar ben ik blij om. Geen zinloze ‘zapavondjes’ meer, alleen nog Netflix. Er wordt terug over het weer gepraat na het eten, en er worden ook meer boeken gelezen. Dat is mooi. Toch mis ik af en toe eens een goede natuurdocumentaire. Zo een met een zware, zwoele mannenstem op de achtergrond, die het paringsritueel van de wilde beesten plots zoveel interessanter maakt. Ja, dat zie ik graag. Ik vind het fascinerend om te zien hoe sommige wezens zich gedragen; hoe de Aziatische hoornaars hun nesten bouwen, hoe woestijnratten hun weerga zoeken in de dorre leemte of hoe mieren hun voedsel naar hun holletjes slepen. Nu, een bezoek aan mijn schoonmoeder is minstens even interessant als een aflevering uit de reeks Planet Earth III: rare species. David Attenborough voorziet mij in mijn hoofd altijd spontaan van passende commentaar. Ze had zichzelf laatst op een automatische stofzuiger van de Aldi getrakteerd. Naar eigen zeggen niet het beste model, maar hij zoog tenminste de kruimels op die zij tijdens het stofzuigen was vergeten. Ze had het telkens over ‘haar beest’ als ze het over de stofzuiger had. ‘Het beest’ was naar verluidt wel een behoorlijke sloeber, want het durfde wel eens onder de kasten te komen en bleef dan in al de draden hangen of at ongevraagd de schoenveters op. Daarom bakende ze eerst de hele woonkamer af met speelgoed van de kleinkinderen alvorens haar beest weer los te laten. Producten met Aldi-kwaliteit hebben blijkbaar nogal een eigen willetje, want na een vol kwartier in rondjes te hebben gedraaid wilde hij niet terug naar zijn kot, oftewel zijn ‘bees’. Bees? Oh ja, zijn base… In de hoekjes van de woonkamer wilde het beest ook niet komen. Die moest ze zelf doen. En soms werd het dol en moest ze hem achternahollen zodat hij niet van de trap zou donderen. Voetje naar voor, voetje naar achter, bukken en springen en draaien maar. De (Noten)kraker op pantoffels. Ach, de schoonmoeder: een soort die vooralsnog niet met uitsterven bedreigd wordt. Gelukkig maar, want wie zou er dan nog automatische stofzuigers kopen?
Het ongeleefde leven
Het ene pad zo breed, en helder,
het andere met mos bedekt,
recht naar voor, of sterk gekronkeld,
vrij van vrees, of toegedekt
Wij weten niet welk pad ons leidt
naar de kern van onze wilde dromen
Toch hunkeren wij mensen steeds
naar wat niet is, en nooit zal komen,
Zelden stuurt het noodlot ons
in de richting van de vrije Wil
op ’t eerste zicht maakt het niet uit
maar uiteindelijk al ’t verschil
Over de zin van ‘wat nooit was’,
heeft ieder mens ’t ooit wel gehad;
het ongeleefde leven,
dat niet genomen pad
Vroeger is…
Vroeger? Dat is schuren met bruine zeep
Dat is spelen tussen frisse was
Dat is gestoofde uien in de boter
Dat is koffie in een gebarsten tas
Vroeger? Dat is loeren door de vensters
Dat is beloven: voor het eten thuis
Dat is binnen zonder bellen
Dat is de grote kuis
Vroeger? Dat is kloppen bij de buurvrouw
Dat is een telefoon met snoer
Dat is groeten uit het deurgat
Dat is de lochting en de koer
Vroeger? Dat is wortels schillen op de krant
Dat is samen lakens vouwen
Dat is Artis zegels sparen
Dat is kaartenhuisjes bouwen
Vroeger? Dat is gluten en lactose
Dat is rijstpap met kaneel
Dat is taatjespap met karnemelk
Dat is van alles veel te veel
Vroeger? Dat is Els van Maria van Agnes
Dat is wiezen op café
Dat is ouderwetse brieven schrijven
Dat is buiten naar ‘t wc
Vroeger? Dat is vakantie in de tuin
Dat is drinken op de poef
Dat is volmaakt gelukkig zijn
Dat is soms miserie troef
Vroeger? Dat is al wat moeder zong
Dat is ik en ons en wij
Dat is nostalgisch zuchten
Want dat is gewoon… voorbij
Zondag
De meeste van mijn stukjes schrijf ik gewoonlijk op zondagavond na een bezoek aan mijn moeder en de bijbehorende slagroomtaart- indigestie. Het weekend zit er al op, maar aan maandagmorgen wordt er nog lang niet gedacht. Daar, tussen de heimwee naar het weekend en het nieuwe zeer van de aanstormende werkweek, nestel ik mij in de wollige warmte van de zetel om een cursiefje te schrijven over de gekke stoet des levens. En dan ben je blij dat er ineens een hooiwagen over de muur loopt, want verder gebeurt er helemaal geen hol op zondag. Nee, zondag, dat is gewoon blij zijn met eigen huis, de vriendschap van een boek, een ‘kakske op het gemakske’, zoals mijn broer altijd zegt, een dag zonder cijfers, zonder drukte, zonder twist, zonder gekte, een dag met weinig mensen, waarop er niet al te veel ‘gemenst’ wordt. Zondag, een dag die we er voorlopig nog gratis bijkrijgen. Nu goed, alles wordt geïndexeerd dus wellicht ook de zondagen, vooral als er straks verplicht geshopt moet worden. Maar voorlopig is het nog steeds zo’n dag waarop we zorgeloos de dons uit de dekens mogen vrijen, de knopen terug aan de jassen naaien en ons aan een recept wagen voor vergeten patisserie. Zondag, een dag die ruikt naar straffe koffie, een dag om verzen te schrijven over de herfst in de dakgoot en reeds lang vervlogen zomerzondagen. Nog maar twee muggenbeten… Jawel, de winter is in aantocht. Er wordt zelfs al over kerstavond gebabbeld; over wie, wat en waar, en over ‘naampjes trekken’. Maar zover zijn we gelukkig nog niet. Laat het eerst nog maar wat zondagavond zijn. Al de rest komt later wel…
Jean
Jean is mijn stiefvader. Of nee, mijn pluspapa, om het modern uit te drukken. Hij heeft zelf geen kinderen maar neemt zijn pluspaparol (wordt dat zo geschreven?!) bijzonder ernstig. Hij doet alles wat echte vaders doen, kan alles wat echte vaders kunnen; geeft mij gelijk wanneer mijn moeder mij ongelijk geeft, laat zijn baard staan tot hij op een tuinkabouter lijkt, keert meesterlijk een uitzichtloze situatie, leent mij zijn warmste wollen trui als ik ’s avonds laat nog terug naar huis moet fietsen, verzamelt nutteloze dingen, geeft commentaar op de nieuwscommentatoren en zorgt er actief voor dat zijn nageslacht (ik dus) later niks tekort zal komen. Dat laatste, daar is hij nogal fanatiek mee bezig; al ruim een kwarteeuw verzamelt en analyseert Jean namelijk de dagelijkse Lotto-uitslagen, in de hoop er een vast patroon in te ontwaren. De gevallen nummers tekent hij dan nauwkeurig op in een schriftje met ‘karookespapier’.
Jean dateert van voor het Excel-tijdperk en tekent zijn roosters en tabellen nog altijd het liefst met de hand. Een rij invoeren? Dat doe je met een lat, niet met een muisklik. De méést gevallen cijfers kleurt hij groen, de mínst gevallen cijfers rood. En elke maand volgt er een kort resumé van zijn bevindingen, zijn speculaties en nieuwe formules omtrent dé winnende combinatie, opgemaakt in zijn mooiste schoolmeestershandschrift en fijntjes omlijst met gele fluo. Zodoende heeft hij ondertussen een hele Billy-boekenkast vol met van die Lotto-schriftjes.
Deze week had Jean echter groot nieuws. Bijzónder groot nieuws zelfs: na meer dan vijfentwintig jaar had hij dan eindelijk de ultieme code gekraakt, het kansspel doorprikt, de Lotto-logica doorzien, kortom, een waar Eureka-moment beleefd. ‘Mijn kind,’ zo zei hij ernstig, met zijn leesbril op het puntje van zijn neus geschoven, ‘er is meer kans dat ik heilig verklaard wordt, dan dat ge ooit de Lotto wint…’ In die wetenschap heb ik me nu toch wel een lotje gekocht. Saint Jean de Gand, ik zie het écht nog gebeuren

Samhain
Oef!
De Halloween-gekte is voorbij. Geen gemaskerde ettertjes meer die me op een onkatholiek uur van MIJN snoepgoed komen beroven, geen kitscherige horrorfilms meer die me ’s nachts voor ogen schemeren, en geen Halloweenparty-foto’s meer van vriendinnen die nog eens voor ‘sexy heksje’ poseren of met een zelfgemaakt kostuum een Tim Burton-figuurtje verkrachten.
Nu, zo’n vreselijke zemelaar ben ik ook weer niet. Er was ooit zelfs een tijd, toen ik nog een zoekende tiener was, dat ik dweepte met de hele new age-beweging. Geen Halloween dress-up, maar dodelijke ernst; Keltische mythologie, wicca, sabbats, seances, occulte, etc. Enfin, u snapt het plaatje wel. Ik droeg lange zwarte gewaden, paarse stressen in mijn haar en had een abonnement op de boeken van Vivienne Crowley, zoals daar waren ‘Natuurmagie en hekserij’ en ‘Het neopaganisme’. Op Samhain maakte ik dan, net zoals die boeken mij voorschreven, een ‘maancirkel’ die mij dichter bij de dodenwereld en het transcendentale moest brengen. Een maancirkel? Jawel, een grote cirkel van theelichtjes die dan één voor één, op rituele wijze, gedoofd moesten worden onder de geur van een brandend bosje rozemarijn en bezwerende keelgezangen. Thuis dacht men wel eens dat ik een toeval kreeg, maar toen ze mij daar zagen zitten, tussen de magische kristallen en de wierook, en met rode henna-klei in mijn haar, wisten ze wel dat er helemaal niks aan de hand was…
Ik hield toen van zo’n rituelen, en eerlijk gezegd hou ik er stiekem nog steeds van. Ik vind het jammer dat er tegenwoordig niks nog heilig is, of nog heilig mag zijn. De magie is verdampt. Volwassenen horen niet met dergelijke onzin bezig te zijn. Kaarsen en rozemarijn branden, dat is iets voor zweefteven en esoterische losers. En ik denk ook niet dat mijn man het zou appreciëren moesten er plots wicca-altaartjes in zijn modernistisch interieur verschijnen.
Maar tijdens het druilerige, grijze Allerheiligenweekend zouden die vaak zalvende rituelen de hele boel toch flink wat opvrolijken. Van de traditionele pannenkoekenbak op 1 november is immers ook al lang geen sprake meer… En aangezien al mijn dierbare overledenen gecremeerd zijn, is er ook geen graf om bijvoorbeeld eens een frisse ruiker bloemen op neer te leggen, of geen zerk om liefdevol te onderhouden. Kortom, er is haast niks meer dat we kunnen doen om onze dierbaren in deze fysieke wereld nog een beetje verder te verzorgen of te eren, buiten het melancholisch zitten staren naar een ingelijst portret op de kast. Maar ik… ik maak dit weekend in mijn hoofd nog steeds maancirkels. Voor hen. En ze flonkeren en schijnen warm, rond het graf van mijn mooiste herinneringen.