Een zeldzaam fenomeen
en deugdelijk sentiment,
in ’t immer bont geijver,
van d’ immer rumoerige stad:
een schaars moment van vrije tijd,
en vrije verveling.
De regen spoelt de straten leeg
en alles voelt wat meer privé.
En wat nog schaarser toont,
is een bescheiden stuk natuur,
dat buiten dor stuweel
ook nog enkele bomen telt,
Een park met beukenbanken
om een Russisch boek in te lezen
en te dromen over lentegroen
Onder een loverloze wilg,
hou ik halt en overzie met zucht
het winterdrama in dat park;
het marmeren der luchtdecor
van grijs, grijzer, grijst,
de drab van dode sneeuw,
onder modder verdronken gras,
waar een oude man met hoed
zich te midden van dat perk
met geneugte over bukt
en mij vriendelijk verzoekt:
‘mejuffrouw! Kunt u mij zeggen,
is dat geel daar snoeppapier
of het ontluiken van een krokus?
Ik heb mijn bril niet op…”