Zwarte regenbogen

Soms zou men willen vluchten
naar de toekomst of ‘t verleden,
naar een plaats die vrij is van
de zorgen van het heden

Naar een tijd die beter klonk;
netjes in de toon
Toen het levenswater rustig was
en geluk nog heel gewoon

Toen de stemmen in het hoofd
ons niet met kommer kwelden,
zongen in de zomer
en geen grote vragen stelden

Toen het onweer nog niet dreigend
in een loden hemel stond,
de donderslagen nog niet schalden,
men boven zich het zonlicht vond

Maar dan zouden we het onweer missen;
de bliksems van het wilde hart
Er zijn geen zwarte regenbogen
maar vele kleuren tussen
heil en smart

Schilderij: Zdzislaw Jásinski – The storm

Dwaallicht

De vakantie was kort, maar daarom niet minder de moeite waard. Integendeel. Eens te meer komt men tot het besef dat reizen een luxe is. En dan heb ik het niet over luxehotels en sterrenrestaurants, maar over de luxe van de Verwondering, de luxe van de Droom.
Wij zijn niet eens zo heel ver weggeweest, maar wel ver genoeg om dingen te zien die we nog nooit eerder in ons leven gezien hadden.
Wij verbleven in een goedkoop maar doorleefd charmehotel, vlakbij de welige Moezel-oever. Na het eten maakten we altijd nog een wandeling langs het water om de zon te zien neerbloeden onder het grillige wateroppervlak van de rivier. Op de tweede avond, wanneer het laatste avondrood achter de heuvels gloorde, en de krekels in de wijngaarden zachtjes begonnen te tsjirpen, verscheen er langs dat oeverpad ineens een spookachtig dwaallicht tussen de heesters. Het scheen met een vaalgroene glans boven het hoog opgeschoten duizendblad onder de brem.
Volgens oude volksverhalen zijn die dwaallichtjes niets anders dan de rusteloze zielen van ongedoopte kinderen uit het voorgeborchte, die voorbijgangers naar het water lokken om hen alsnog te dopen. In andere verhalen zijn het dan weer verlokkingen van de duivel om wandelaars van het rechte pad te brengen. En soms duiden ze de vindplaats van een verborgen schat aan… Hoe dan ook, het beeld wekte een soort kinderlijke beroering in ons op.
De lichtjes slingerden nu, als zwevende lampionnetjes, langs het verduisterde pad. Geruisloos. Magisch. Toen we na een moment van twijfel onderzoekend dichterbij kwamen, zagen we dat het vuurvliegjes waren. Ik had nog nooit vuurvliegjes gezien. Ze kropen druk rond over de breed uitwaaierende bloemkronen van het duizendblad en blonken wondermooi in de bleke nevel van een onaangekondigde midzomernachtdroom, als de parels van een verborgen schat. De volksverhalen hadden niet gelogen. Wel, zo’n moment… dat is me dus alle luxe van de wereld.

Weggevaren jeugd

(Voor F.Dv)

Veel te korte jeugd,
onbezonnen jaren,
hemel zonder horizon,
laat ik jou nu varen?
Is de tijd echt daar?
Ligt het beste achter mij?
Zal ik ooit nog herbeginnen
of keert weldra het tij?
Wacht mij slechts de stilte?
Waarvoor zal ik nog leven?
Zal de milde herfstzon mij
ook nog warmte geven?
Nu de zomer is gaan liggen
en de rijpe vruchten vallen,
zal de levenswijn nog zoet zijn?
Zal de smaak mij nog bevallen?
Ik weet niet wat de leeftijd brengt,
wat het noodlot mij zal schenken:
de wijsheid of de eenzaamheid,
meer doén, minder denken?
Zullen tegenslagen mij nog raken?
word ik mild of net gehard?
Zal de liefdesbloem nog groeien
in de tuinen van mijn oude hart?
Blijf ik kwiek en vreugdevol?
of krijg ik oude-mensen-kwalen?
Zal de schoonheid mij nog kussen
en charme uit mijn ogen stralen?
Zullen grijze haren mij goed staan
en rimpels mij karakter geven?
Zal ik in de tijd die mij nog rest
de jeugdigheid ooit herbeleven?
Ach, weten doen wij weinig
maar goed, ik weet één ding:
de jeugd moet ooit eens varen,
wordt altijd een herinnering

Schilderij: Carl Holsoe

Gedicht voor een dichter

 

Ik had iets willen schrijven over
de dingen die er écht toe doen;
de levenskunst, filosofie,
iets moois over de tijd van toen

Ik had iets willen schrijven over
grote thema’s vol epiek,
sonnetten over het klimaat,
iets grandioos, iets magnifiek

Ik had iets willen schrijven over
de stille kracht van woorden die
de ziel doorboren kunnen met
de pijlen van de fantasie

Ik had iets willen schrijven over
de vriendschap of de eenzaamheid,
een roman of een novelle met
de waarde van de weerloosheid

Ik had iets willen schrijven over
de passies van het jonge hart,
het slijten van de liefde en
het delen van de halve smart

Ik had iets willen schrijven over
het schone van ons klein verdriet,
de groeipijn van het leven en
al wat slechts de schrijver ziet

Toch heb ik niks geschreven dat
de tijd trots zal doorstaan;
mijn woorden zullen sterven maar
wat mooi en goed is, blijft bestaan

Schilderij: Leonid Pasternak – The passion of creation

Ballet

Tegenwoordig kan ik zelfs mijn tenen niet meer aanraken, maar ooit was ik zo lenig als een wilgentakje. Als jong meisje heb ik zes jaar klassiek ballet gevolgd in het Braemkasteel van Gentbrugge. De balletlessen gingen door in een zaal met een gestreepte parketvoer, die uitkeek over een negentiende-eeuwse parktuin met Franse rozen. Ik zie ons daar nog staan; vijftien bakvissen in een witte maillot, de strenge oefeningen aan de barre verbeidend die tot uitentreuren werden herhaald. ‘Chassé, chassé, frappé, frappé!’, beval de danslerares op de klinkende tonen van luchtige pianomuziek. Ze heette juffrouw Fred en droeg altijd een koningsblauwe slobbertrui en grijze beenverwarmers, en de haren – comme il faut – in een keurige knot op het hoofd.
Het toeval wilde dat diezelfde juffrouw Fred deze week mijn winkeltje kwam binnengestrompeld. Geen knotje meer op het hoofd, maar een uitgedunde, grijze watergolf. Zij herkende mij niet. Ik haar wel, hoewel ze nu zo krom was als een deurklink, en haar ooit zo slanke pianovingers inmiddels de kleur en vorm hadden van oude bifi-worstjes. Ze zocht een bloesje dat ‘de buik en al de rest’ wat camoufleerde en dat ze gemakkelijk kon aan-en uittrekken. Met een lange zucht vertelde ze dat ze chronisch ruglijder was omdat ze heel haar leven hard had gewerkt. Ik zei niks… Nog voor ze iets had gepast, zeeg ze vermoeid neer op het krukje in de paskamer. Haar blik had iets weg van de absintdrinkster van Leon Spilliaert. Ze staarde met een melancholieke blik in het verleden alsof ze daar, in het verwazen van de tijd, zichzelf weer zag dansen; twintig jaar jonger en evenveel kilo’s lichter. Bras bas, plié, tendu en grand bat-te-ment… Haar lippen krulden van weemoed. In die tijd was er nog lang geen sprake van een wandelstok en steunkousen. Ik vertelde haar dat ze kon kiezen tussen bloesjes in oker, fuchsia of koningsblauw. ‘Oh nee,’ zei ze op minzame toon, ‘géén koningsblauw, cette couleur me rapelle trop le passé…’

Schilderij: Edgar Degas

De klaproos

De klaproos

In de zachte, zoele windezucht
van de laatste groene junidagen
danst de klaproos in de lentelucht
tot een andere bloem komt plagen

De klaproos wil de eenzaamheid
en groeit slechts goed op arme grond
Op een berg van zand of berm gedijt
de kleine veldbloem rood en rond

In Vlaamse velden bloeit ze schoon,
op schildersdoeken eens zo goed;
het mooiste liefje van het veld
dat de wangen teder blozen doet

Behoud uw pas dus, wandelaar,
voordat ge door het weiland gaat
en met lompe stap of bars gebaar
de tere klaproos tegenstaat.

Schilderij: Les coquelicots – Claude Monet

Vanitas

 

Wat wij koesteren en fel begeren
ontsnapt ons schielijk met een zucht;
de wilde bloem, de prille jeugd,
een regenboog in onweerslucht

de warme vlam van jonge liefde
de glimlach van de zaligheid
wat gisteren gevonden werd
raken we vandaag weer kwijt

Wat willen wij toch zó graag grijpen
de vluchtigheid van kleine deugd,
wat komt en gaat maar zelden blijft;
de vlinders van de kleine vreugd

De magie ligt in dat teer moment,
in de stille stonde van de tijd
Wat mooi en goed is bloeit slechts kort
in de schaduw van de eeuwigheid

La douce…

De afgelopen maanden heb ik meer pantoffels versleten dan alle voorbije jaren samen. Ik heb ‘thuis’ beter leren appreciëren maar stilaan dringt zich de nood weer op om de horizon te verleggen. Het wordt echter sterk aanbevolen om deze zomer in eigen land op vakantie te gaan. Op zich niet zo heel erg maar het knaagt toch een beetje. Ik kan het dan ook niet laten om af en toe eens foto’s op te zoeken van de een of andere droombestemming. Les Porquerolles, bijvoorbeeld, daar wil ik al lang eens naartoe. Barfleur staat ook op het verlanglijstje, samen met Rocamadour en nog wat andere dorpjes met poëtische namen, zoals Plaisir en Aux Quatre Vents. Dan zie ik zo’n glooiend Frans landschap voor mij; groen en uitgestrekt, opklimmend naar een klare hemel, met kromme perzik- en amandelbomen, met een slingerweg tussen de wijngaarden en luchten van lila en goud waartegen zich een Middeleeuws kasteel aftekent op een rots. Ik houd van Frankrijk. Er zit daar precies altijd meer smaak in het eten en meer tijd in de uren. Het is het land van de veelzijdigheid, het land van de eindeloze zonsondergangen, van de kunst en de fijnzinnigheid, van de eerste liefde en de tristesse, van eenzaamheid en vergane glorie, van slaapdorpen met speelgoedstraatjes en stranden die aan het einde van de wereld doen denken.
In eigen land moeten we het stellen met een daguitstap naar Schellebelle, Dode-man en Okselaar, of een wandeling door Smeermaas, Pijpelheide of Rukkelingen-aan-de-Jeker. De gedachte alleen al bezorgt mij jeuk. Jeuk, ook dat is trouwens ook een dorp. Het ligt misschien aan mij maar ik voel mij daar nu niet meteen lyrisch van worden. De dichteres in mij heeft niet veel nodig maar misschien koop ik mij toch beter nog een paar pantoffels; een reisje door eigen hoofd stelt immers nooit teleur…

Schilderij: Claude Monet (1840-1926) Au cap d’Antibes

’t Is goed…

Als de avond valt, de leegte klinkt,
de weemoed mij weer stil bekruipt,
in koperrood de zon verzinkt,
gemis weer mijn gemoed bedruipt

Dan zucht ik zacht uw naam…
en vraag ik of ge daar nog zijt:
ergens ver of heel nabij,
in de adempauzes van de tijd

Zijt ge daar? Ge antwoordt niet…
Maar ik weet dondersgoed
wat ge mij nu zeggen zoudt:
‘spreek maar meid, ’t is goed.’

Dan prevel ik mijn kleine zonden,
een hartsgeheim of diepe wens;
al hetgeen ik niémand zeg
Gij vertelt het toch geen mens…

En zo spreken wij een tijdje,
op het pleintje in mijn hoofd,
in de late zon, onder de linden,
tot mijn eigen stem de uwe dooft

Een lach krult om mijn lippen
In luide vreugd of stil verdriet:
ik spreek met u, verloren vriend,
of ge daar nu zijt of niet…

Schilderij: Vincent van Gogh (wie anders…)

Kinderverdriet

‘Hoe ouder men wordt, hoe meer er van vroeger terugkomt,’ zei me iemand die al behoorlijk in de fleur van zijn sleet was. Hij was 88 en nog van de generatie van de gebreide onderbroeken, zo beweerde hij. En die herinneringen, dat kon volgens hem van alles zijn, de onnozelste dingen; een beeld, een voorwerp, een melodietje, een stem, een geur, een kleur…
En terwijl hij dat zei, verwijlden mijn ogen op de stof van zijn verschoten colbertje. Blauwe kettingdraden, grijze inslag, een tikkel te wijd en te lang omdat hij erin gekrompen was. Ik herinnerde mij plots dat mijn overgrootvader, die wij allen ‘pepéé’ noemden, ook altijd zo’n colbertje droeg. Maar dan enkel op zondag. En dat rook naar haarlotion en motteballen. In zijn linkermouw hield hij altijd een geruite zakdoek…
Mijn overgrootouders woonden in Machelen-aan-de-Leie (kortweg Ma’len), tussen de gouden korenvelden waarin klaprozen en korenbloemen groeiden, in een kleine boerenfermette met witgekalkte muren en een grote moestuin. Wij kwamen daar ’s zomers graag om ‘stekelbezen’ te trekken. Niet dat we dat zo graag mochten, maar het plukken zelf was al ’t plezier. En ik herinner mij de geur van selderijsoep die uit de keuken steeg, het kraken van de grindsteentjes op het binnenhof en de zwiepende vlucht van de boerenzwaluwen die in en uit de smis vlogen. En ik herinner mij ook nog dat in de dakgoot van die smis vaak tortelduiven zaten te nesten.
Het was op een schone meidag zoals deze dat pepéé zei ‘dat er al een kiekske in het nest was’. Ik zie het nog zo voor me: die glanzende, witte tortels met hun brede waaierstaarten, die altijd zo vriendelijk koerden als ze ons zagen komen met broodkruimels. Roekoekoe… Roekoekoe… En dan dat piepende duivenjong waarvan je wist dat het er was maar dat je (nog niet) kon zien.
’s Avonds, nadat wij een kom soep en een boterham met paardenfilet hadden gekregen, ging ik nog snel eens kijken naar het nest. De duiven waren stil, ze zeiden geen roekoekoe. Ze sliepen al, zo dacht ik. Maar daar, onder de dakgoot van de smis, lag het kiekske… Naakt en blauw en rimpelig, het snaveltje smartelijk opengesperd. Pepéé zei dat het niet sliep maar dood was, en legde het onder de kruisbes. ‘Dat is goede mest…’, sprak hij. Boerenverstand versus kinderverdriet. En hij gaf ons, voordat wij weer huiswaarts keerden, nog een mandje bessen mee zodat moeder er confituur van kon maken. Herinneringen, ach, ik wacht daar niet mee tot ik 88 ben…